Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Eerste Kamer der Staten-Generaal2008-200931320 nr. J

31 320
Regels omtrent energie-efficiëntie (Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie)

31 374
Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt

J
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 20 januari 2009

Met belangstelling is kennisgenomen van het verslag. Hieronder wordt ingegaan op de vragen.

Tariefstijging

Voor het algemene beeld wordt er aan gehecht kort te herhalen waarom het capaciteitstarief begin dit jaar is ingevoerd. Het capaciteitstarief kent twee belangrijke doelen die een korte- en lange termijn horizon hebben. De korte termijn doelen zijn gericht op vereenvoudiging van de administratieve processen in de energiesector en het verbeteren van de dienstverlening aan afnemers. Voor de langere termijn geldt dat energietransitie nieuwe eisen stelt aan de energie-infrastructuur. Deels kostenverlagend door een (over het geheel gezien) lagere capaciteitsbehoefte, deels kostenverhogend door de noodzaak om meer intelligentie en besturingsmogelijkheden in de netten aan te brengen. Het capaciteitstarief draagt middels de volgende voordelen bij aan deze doelen:

– het weerspiegelt beter de kostenstructuur van het netwerk;

– het faciliteert de transitie naar een meer duurzame energiehuishouding (bijvoorbeeld door verlaging of verschuiving van de piek en toepassing van technologie die energie efficiëntie bevordert);

– het draagt bij aan de vereenvoudiging van de energienota; en

– het resulteert in een substantiële verlaging van de administratieve kosten in de energiesector (zeker in combinatie met het verplichte leveranciersmodel en de invoering van de slimme meter). Per saldo gaat het om een gecombineerd kostenvoordeel voor de sector als geheel van ca. € 94 miljoen per jaar, per afnemer een besparing van circa € 12 per jaar.

De leden van de fracties van PvdA, GroenLinks, D66 en SGP vroegen mede namens de leden van de fractie van de ChristenUnie of naast appartementseigenaren met een lift in hun complex, ook eigenwoningbezitters met stadsverwarming of een warmtepomp te maken krijgen met een tariefstijging door de invoering van het capaciteitstarief.

Onderscheid moet worden gemaakt tussen woningen met stadsverwarming en woningen met een warmtepomp.

Voor woningen met stadsverwarming is geen zwaardere aansluiting nodig dan 3x25 Ampère (A) of 1x35A. Het elektriciteitsverbruik van woningen met stadsverwarming ligt vaak wel iets hoger dan het elektriciteitsverbruik van woningen met een gasaansluiting, bijvoorbeeld omdat er dan meestal ook elektrisch wordt gekookt, maar dit vereist geen zwaardere aansluiting. Uit navraag bij de netbeheerders blijkt dat het ook geen praktijk is om woningen met stadsverwarming zwaarder aan te sluiten dan 3x25A. Overigens worden woningen tegenwoordig vaak aangesloten op 1x35A. Het capaciteitstarief tot en met 3x25 A geldt voor alle één fase aansluitingen (tot en met 1x80A). Concluderend geldt dus dat eigenwoningbezitters met stadsverwarming net als andere kleinverbruikers met een (normale) aansluiting tot en met 3x25A – landelijk gemiddeld – volledig gecompenseerd worden via de energiebelasting en dit geldt ook voor afnemers met bijvoorbeeld een 1x35A aansluiting.

Voor woningen met een warmtepomp is het beeld op dit moment nog niet compleet. Juist gegeven het belang dat de regering hecht aan de bevordering van duurzaam en efficiënt energiegebruik, zoals benadrukt in het aan de Tweede Kamer toegezonden werkprogramma «Warmte op stoom» (Kamerstukken II, 2008/09, 31 209, nr. 67), wordt nu nader onderzocht in welke gevallen een zwaardere aansluiting al dan niet vereist is. De resultaten van dit onderzoek worden op zeer korte termijn verwacht. Deze zullen worden meegenomen in de brief die aan de Tweede Kamer is toegezegd tijdens het algemeen overleg van 17 december 2008 naar aanleiding van een aantal vragen met betrekking tot de invoering van het capaciteitstarief. Momenteel wordt er op mijn verzoek door de sector een overgangsregeling gemaakt die het mogelijk maakt afnemers die substantieel nadeel ondervinden tegemoet te komen en die terugwerkt tot 1 januari 2009. Hierover vindt tevens overleg plaats met de NMa. De brief zal onder meer ingaan op deze regeling. U ontvangt uiterlijk op 6 februari een afschrift van deze brief.

Tevens vroegen deze leden om in te gaan op de door de Vereniging Eigen Huis gesuggereerde oplossing, dat bewoners van woningen met stadsverwarming of warmtepompen moeten worden beschermd tegen onbedoelde en onwenselijke kostenstijging door het capaciteitstarief, door het hogere capaciteitstarief pas in rekening te brengen bij aansluitingen zwaarder dan 3x80 Ampère. Allereerst wordt opgemerkt dat het belang van het gebruik van energiebesparende middelen als warmtepompen en stadsverwarming waar de Vereniging Eigen Huis naar verwijst, wordt onderschreven. In dit licht heeft de regering ook het werkprogramma Warmte op Stoom gepresenteerd. Voor stadverwarming is – zoals hierboven is aangegeven – geen zwaardere aansluiting nodig. Mocht voor een energiebesparende toepassing zoals warmtepompen een zwaardere aansluiting noodzakelijk zijn dan 3x25A, dan lijkt het voorstel van de Vereniging Eigen Huis om het hogere capaciteitstarief pas in rekening te brengen bij aansluitingen zwaarder dan 3x80A, geen goede oplossing. Dit leidt namelijk tot één capaciteitstarief voor alle afnemers met een aansluiting tot en met 3x80A. Eén capaciteitstarief sluit slecht aan bij het uitgangspunt dat de transporttarieven zijn gebaseerd op de onderliggende kosten van het gebruik van het netwerk en stimuleert afnemers niet om hun piekverbruik te beperken. Een afnemer met een hoog piekverbruik zou in dit geval immers evenveel gaan betalen als een afnemer met een laag piekverbruik. Dit zou ook voor alle aansluitingen tot 3x25A (meer dan 94% van het totaal aantal aansluitingen) tot een substantiële verhoging van het capaciteitstarief leiden. Dit zou ingaan tegen de wens van de Tweede Kamer om afnemers met een 3x25A aansluiting er – landelijk gemiddeld – niet op achteruit te laten gaan. Vandaar dat ik – zoals hierboven aangegeven – nu een oplossing aan het bezien ben die recht doet aan de filosofie van het capaciteitstarief, maar tegelijkertijd hiermee de ook door de regering breed gedragen wens tot energiebesparende maatregelen niet onnodig belemmert.

Invoering van het capaciteitstarief

Tevens vroegen deze leden waarom met de invoering van het capaciteitstarief niet is gewacht tot de Eerste Kamer het wetsvoorstel «Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie» heeft aanvaard. De regeling inzake het capaciteitstarief is inhoudelijk van groot belang voor de introductie van het leveranciersmodel en de slimme meter (Kamerstukken II 2007/08, 31 374, nr. 6). Juridisch gezien berust de invoering van het capaciteitstarief echter, anders dan het geval is bij de invoering van de andere twee maatregelen, niet op bepalingen van het wetsvoorstel implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie of het wetsvoorstel tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt. De ministeriële regeling inzake het capaciteitstarief behelst namelijk een wijziging van een tweetal bestaande ministeriële regelingen die hun basis vinden in reeds geldende bepalingen van de Elektriciteitswet 1998. Het betreft de regeling houdende vaststelling tariefdragers tarieven transport en levering van elektriciteit en de regeling inzake tariefstructuren en voorwaarden elektriciteit. Van vooruitlopen op een nog bij de Eerste Kamer aanhangig wetsvoorstel is bij het per 1 januari 2009 ingevoerde capaciteitstarief derhalve geen sprake.

Wel geldt dat met name de invoering van het leveranciersmodel sterk zou worden bemoeilijkt in geval van het ontbreken van het capaciteitstarief. De keuze om het capaciteitstarief per 1 januari 2009 in te voeren hangt samen met de noodzaak om dit aan het begin van een kalenderjaar te doen en ruim voor de inwerkingtreding van de bepalingen van wetsvoorstel 31 374 inzake het leveranciersmodel (nu voorzien voor medio 2010). Zoals in de algemene inleiding reeds gememoreerd biedt het capaciteitstarief bovendien voldoende voordelen om als eigenstandige maatregel te worden ingevoerd.

Verder vroegen deze leden of de minister van Economische Zaken in het verleden toezeggingen heeft gedaan over de maximale stijging van de transporttarieven van de nu «klagende groep mensen». Bovendien vroegen de leden van de SP-fractie in dat kader of de toezegging uit de brief van de minister van Economische Zaken van 8 februari 2007 (Kamerstukken TK 2006/07, 28 982, nr. 60) gestand gedaan wordt dat kleinverbruikers er maximaal één euro per maand op achteruit zouden gaan door de invoering van het capaciteitstarief. Er zij op gewezen dat steeds onderscheid is gemaakt tussen aansluitingen tot en met 3x25A en zwaardere aansluitingen (3x35A tot en met 3x80A). Voor die eerste categorie heeft vanaf het begin gegolden dat deze afnemers (94% van het totaal aantal afnemers) gemiddeld genomen geen of zeer beperkte effecten van invoering zouden ondervinden. De leden van de SP-fractie worden er overigens op gewezen dat zij verwijzen naar een brief waarover op 30 mei 2007 overleg heeft plaatsgevonden met de Tweede Kamer. Naar aanleiding van dit overleg is besloten dat – in afwijking van het eerdere voorstel van gemiddeld genomen een maximaal nadeel van één euro per maand – afnemers met een 3x25A aansluiting er – landelijk gemiddeld – niet op achteruit zouden mogen gaan. Derhalve is ook in de brief van de Minister van Economische Zaken van 8 april 2008 in de toelichting bij de concept-wijzigingsregeling (Kamerstukken II 2007/08, 28 982 nr. 63) opgenomen dat de compensatieregeling via de energiebelasting ervoor zorgt dat huishoudens met een 3x25A aansluiting bij de invoering van het capaciteitstarief er – landelijk gemiddeld – niet op achteruit zullen gaan.

Voor afnemers met een grotere aansluiting (groter dan 3x25A) is het financiële effect afhankelijk van het verbruik. Dit betreft vaak zakelijke afnemers, maar er zijn ook huishoudens die gelet op bepaalde elektrische voorzieningen in de woning en de gelijktijdigheid van hun verbruik een 3x35A aansluiting nodig heeft. Zoals aangegeven wordt de noodzaak voor een dergelijke zware aansluiting in het kader van de warmtepompen nu nader onderzocht. Verder hebben bijvoorbeeld afnemers die thuis werken met een zwaar lasapparaat of kunstenaars met een keramische oven een zwaardere aansluiting nodig. Het gaat dan niet zozeer om huishoudens, maar eerder om afnemers die in hun huis of schuur beroepsmatige activiteiten verrichten. In dat kader is uw Kamer eerder geïnformeerd dat voor afnemers met een grotere aansluiting (groter dan 3x25A) bij een gemiddeld verbruik de invoering van het capaciteitstarief geen effect heeft. Afnemers met een hoger verbruik dan het gemiddelde verbruik van hun aansluitcategorie gaan er iets op vooruit, afnemers die minder dan dit gemiddelde verbruiken, gaan erop achteruit, waarbij de daadwerkelijke effecten situationeel bepaald zijn. Zoals hierboven aangegeven hebben in dit kader met name woningbezitters met een warmtepomp mijn aandacht. Indien het mogelijk is de aansluitwaarde te verlagen heeft dit vanuit het oogpunt van energie efficiency de voorkeur. Daarnaast wordt er momenteel door de sector aan de eerder genoemde overgangsregeling gewerkt om afnemers die substantieel nadeel ondervinden tegemoet te komen.

Analyses van kosten en baten

De leden van de SP fractie stelden een aantal vragen met betrekking tot de kosten-batenanalyses. Graag wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om hier op te reageren.

Allereerst en ten algemene wordt het volgende opgemerkt. De kosten en batenanalyse van de invoering van op afstand afleesbare meters is met onzekerheden omgeven. Deze onzekerheden zijn voorlopig niet weg te nemen. Wel kan juist door gebruik te maken van een kosten-batenanalyse meer inzicht gegeven worden in deze onzekerheden. Dit wordt gedaan door gebruik te maken van scenario’s en door een gevoeligheidsanalyse uit te voeren. Voor vrijwel elke parameter geldt dat er voorlopig moet worden uitgegaan van veronderstellingen en onzekerheidsmarges. Door de toegepaste gevoeligheidsanalyses is de breedte van deze marges in kaart gebracht.

Het wetsvoorstel tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt (31 374) gaat ervan uit dat nu eerst wordt gestart met een proefperiode gedurende welke in een beperkt aantal gevallen op afstand afleesbare meters worden geïnstalleerd. Daarmee wordt voldaan aan de verplichtingen uit de richtlijn energie-efficiëntie. De toegevoegde waarde van de proefperiode is er ondermeer in gelegen dat de praktijkervaring die gedurende die periode wordt opgedaan uitermate goed gebruikt kan worden voor het toetsen en aanvullen van de nu beschikbare kosten-batenanalyses. De onzekerheidsmarges die momenteel in alle analyses worden gehanteerd kunnen dan op basis van concrete en hardere gegevens worden verkleind waardoor een ook op de feitelijke praktijk gebaseerd beeld zal ontstaan. Deze informatie kan worden gebruikt voor de bepaling van het moment waarop de uitrol zal worden geaccelereerd. Voor wat betreft de eerste (proef)periode is van belang dat spoedige inwerkingtreding van het wetsvoorstel noodzakelijk is in het licht van de reeds verstreken implementatietermijn van de richtlijn energie-efficiëntie.

In de nadere memorie van antwoord (Kamerstukken I 2008/09, 31 320 en 31 374, H) is ingegaan op de eerdere vragen van de leden van de SP fractie over kosten en baten. Beoogd is daarmee zoveel als mogelijk bij te dragen aan een transparante en volledige kwantificering van de financiële en maatschappelijke voor- en nadelen van grootschalige invoering van de op afstand afleesbare meter. De aanvullende vragen die de leden van de SP-fractie in het verslag hebben gesteld zijn behulpzaam om de leermomenten en evaluatie van de komende proefperiode mede gestalte te geven. De antwoorden zijn vooral van belang voor de grootschalige uitrol na de proefperiode op basis van de voorgestelde artikelen 26ae van de Elektriciteitswet 1998 en 13e van de Gaswet ter implementatie van de richtlijn energie-efficiëntie. Daarom zal in overleg met de NMa, die verantwoordelijk is voor de monitoring van de uitrol tijdens de proefperiode, worden bezien op welke wijze deze vragen in de voortgangsrapportage betrokken kunnen worden. De monitoring heeft zowel betrekking op kosten als op baten. Voorlopige evaluatiecriteria die NMa voornemens is te hanteren zijn: technische betrouwbaarheid, beveiliging, privacy, installatiecapaciteit, beschikbaarheid van meters, kostenefficiency, en uitkomsten van een consumentenbarometer met betrekking tot de dienstverlening in relatie tot de digitale meter.

In antwoord op vraag nummer 1 van de leden van de SP-fractie of de kosten en baten een belangrijke overweging zijn geweest, wordt opgemerkt dat dit zeker het geval is. Het is uiteraard van belang dat de verschillende kosten en baten van de grootschalige uitrol in een goede verhouding tot elkaar staan. Daarbij zij gewezen op het feit dat de baten van de slimme meter slechts voor een deel financiële componenten bevatten. De maatschappelijke (milieu)baten betreffen ondermeer energiebesparing, verschuiving van verbruikspieken, decentrale energieopwekking en het realiseren van een omgeving waarbij aan de ene kant de basisinfrastructuur en aan de andere kant verbruikstoepassingen zodanig op elkaar zijn afgestemd dat energie efficiency optimaal wordt gestimuleerd. Dit is, naast diverse andere maatregelen, essentieel voor het bereiken van de doelstellingen op het gebied van de CO2 reductie. Een belangrijke voorwaarde die daarvoor moet worden vervuld is grootschalige en effectieve vraagrespons. Voor effectieve vraagrespons zijn digitale bi-directionele meters onontbeerlijk.

Ten aanzien van vraag 2 bij welk verliesgevend bedrag de landelijke invoering van de op afstand uitleesbare meter onaanvaardbaar zou zijn, is het antwoord dat de uitkomst van de maatschappelijke kosten en baten analyse positief moet zijn. Zoals hierna aan de orde komt, is het echter de verwachting dat de baten van de grootschalige uitrol wel degelijk zullen opwegen tegen de kosten.

Voor wat betreft de betrouwbaarheid en gedegenheid van de verschillende onderzoeken waar de leden van de SP-fractie naar vroegen (vraag 3 t/m 6), wordt het volgende opgemerkt. Voor elk onderzoek geldt uiteraard dat de vraagstelling en opdrachtformulering van grote invloed zijn op de uiteindelijke uitkomsten. Van belang is dat de huidige beschikbare rapporten afkomstig zijn uit diverse geledingen, zowel vanuit de overheid als de markt. De kracht ervan ligt vooral in de vergelijking van de uitkomsten, zodat de betrouwbaarheid van de gehanteerde onzekerheidsmarges getoetst kan worden. Dit is uitvoerig gedaan in de nadere memorie van antwoord (Kamerstukken I 2008/09, 31 320 en 31 374, H). De conclusie was dat wanneer alle verwachte kosten en baten van de gemiddelde variant worden beschouwd, dit resulteert in een positieve maatschappelijke business case, zelfs als de meer onzekere maar positieve parameters (energiebesparing en versterkte concurrentie) worden geëlimineerd. Toetsing van deze rapporten aan beschikbare buitenlandse analyses, zoals ondermeer aangegeven in de memorie van toelichting, geeft vergelijkbare resultaten.

De leden van de SP-fractie vroegen bij vraag 7 om correctie en aanvulling van de tabel. De informatie die is opgenomen in de tabel is een correcte en complete representatie van de in de betreffende rapporten aanwezige informatie. Op basis van de beschikbare informatie is het niet mogelijk deze tabel verder aan te vullen. Dit geldt ook voor cijfers betreffende pessimistische en optimistische scenario’s van het KEMA 2005 rapport waar deze leden om vroegen. KEMA 2005 heeft alleen gevoeligheidsanalyses toegepast op het referentiemodel.

Vervolgens hadden deze leden enkele vragen (nummer 8) over de gehanteerde parameters in de KEMA 2005 studie en met name of deze op vooronderstellingen of op empirisch onderzoek waren gebaseerd. Inherent aan een kosten-baten analyse betreffende een infrastructureel project dat nog nergens ter wereld op voldoende schaal is uitgevoerd om als benchmark te dienen, zijn vrijwel alle parameters gebaseerd op vooronderstellingen en schattingen. Daar waar mogelijk is dit uiteraard aangevuld met en getoetst aan feitelijke data. Verder is KEMA 2005 uitgegaan van conservatieve schattingen, juist vanwege het gebrek aan empirisch materiaal.

Deze leden hadden onder 9–14 meerdere vragen gerelateerd aan gehanteerde discontovoeten en zij vroegen tevens naar variaties daarop. Allereerst zij opgemerkt dat alleen de KEMA 2005 studie als onderdeel van SenterNovem 2005 in opdracht van de overheid is uitgevoerd. Alleen voor die studies geldt dat de overheid rechtstreeks in contact kan treden met de opdrachtnemer. Daarom kan in dit verband alleen ingegaan worden op de vragen over KEMA 2005. In dat kader is KEMA verzocht om aanvullende informatie te verstrekken en berekeningen te maken. Op basis van dat contact wordt geconcludeerd dat het variëren van alleen de rentevoet zeer risicovol is omdat dan getornd wordt aan het hele, zorgvuldig opgezette bouwwerk van aannames en parameters waarop KEMA 2005 is gebaseerd. De keuze voor de rentevoet is indertijd door KEMA gemaakt in combinatie met een keuze voor de duur van het project en op basis van de toenmalige inschatting van de rente en het risico. Als hierin een verandering zou worden aangebracht zou de gehele aanname (uitgangspunt was de OEEI-methodiek, zie hieronder) nog eens onder de loep genomen moeten worden. Sommige keuzes kunnen niet los van andere keuzes worden bezien. Verder geeft KEMA aan dat het break-even point waar deze leden om vroegen rond de 12 jaar ligt.

Gezien de nadruk die deze leden in haar vragen leggen op dit onderwerp wordt gehecht aan de volgende nadere toelichting. De keuze van de hoogte van de rentevoet en de periode die wordt onderzocht kunnen fors uitmaken voor de aantrekkelijkheid van de projectalternatieven. Een hogere discontovoet maakt dat projecten met hoge kosten in het begin en baten verspreid over een lange periode in de toekomst minder aantrekkelijk worden. KEMA 2005 heeft voor haar financiële model aangesloten bij de OEEI-methodiek (Onderzoeksmethode Economische Effecten Infrastructuur). De OEEI leidraad is een handleiding voor kosten-batenanalyses op het gebied van grote infrastructurele projecten. Het doel van deze leidraad was om tot een meer uniforme aanpak te komen en om de grote verscheidenheid aan analyses die was opgetreden bij de grote infrastructurele projecten die in de jaren ’90 waren geanalyseerd, in de toekomst te voorkomen. De discontovoet wordt daarin gelijk gesteld aan het rendement dat bij alternatieve aanwending van de financiële middelen kan worden gerealiseerd. Voor Nederland wordt het alternatieve rendement bepaald door de internationale kapitaalmarkt. In 1995 is door het ministerie van Financiën een rentepercentage van 4 procent gekozen voor de evaluatie van overheidsprojecten. De algemeen erkende OEEI methodiek van het CPB heeft dit tot de standaard gemaakt voor infrastructuurbeslissingen.

Als onderdeel van verbeteracties van het OEEI project, is over verdisconteren en het waarderen van (project)risico’s uitgebreid nagedacht. Daarbij zijn voor het hanteren van de discontovoet twee mogelijke manieren geïntroduceerd om met projectrisico’s om te gaan:

• De risico’s die met het project samenhangen expliciet waarderen. Voor het waarderen van risico’s zijn diverse methodes beschikbaar.

• Een risico-opslag van 3 procent.

In het voorjaar van 2007 is de reële discontovoet van overheidswege overigens vastgesteld op 2,5 procent. Dit is besloten in het licht van de gedaalde rente op de kapitaalmarkt. Daarmee komt de discontovoet inclusief risico-opslag die in Nederland momenteel gangbaar is op 5,5 procent. De kosten-batenanalyses die zijn uitgevoerd en op Nederland van toepassing zijn, hebben deze discontovoet gebruikt of zelfs een hogere. KEMA 2005 is immers uitgegaan van 7 procent.

Dat de methode die in het KEMA 2005 rapport is gebruikt ook wetenschappelijk wordt onderschreven kan worden afgeleid uit de toetsing die het instituut SEO Economisch Onderzoek heeft gedaan van de onderzoeksmethode (integraal opgenomen in het rapport). In deze toetsing stelt SEO: «Bij volledige maatschappelijke kosten-batenanalyses van grote projecten gaat de voorkeur uit naar het expliciet waarderen van de risico’s, terwijl bij kengetallen kosten-batenanalyses, zoals de huidige kosten-batenanalyse van slimme meters, het gebruik van een vaste risico-opslag van 3 procent voor de hand ligt.»

Samenvattend en mede in antwoord op de laatste vraag van de fractie van de SP (vraag 15) over kosten en baten: de uitkomsten van een kosten-batenanalyses worden met grote zorgvuldigheid geïnterpreteerd. Door gebruik te maken van kosten-batenanalyses wordt meer inzicht verkregen in de mate van onzekerheid en worden de kosten en baten geobjectiveerd. De proefperiode kan worden gebruikt om het onzekerheidsgebied van de gehanteerde onderzoeksparameters in de praktijk te toetsen en de gevoeligheidsmarges te beperken. Dit geldt per definitie voor vrijwel elke parameter uit de kosten baten analyses. Gegeven het feit dat gestreefd wordt naar een duurzame economie en de maatschappelijke kosten-batenanalyses voor de Nederlandse situatie positief zijn (zelfs bij een hogere discontovoet dan 5,5) wordt de grootschalige invoering van de op afstand afleesbare meter verantwoord geacht. Vooralsnog wordt echter, ten gevolge van een wijziging van het wetsvoorstel die op verzoek van de Tweede Kamer is aangebracht, gestart met een beperkte uitrol tijdens de proefperiode.

Capaciteitstarief

Ten slotte vroegen de leden van de SP-fractie of de toezegging uit de brief van de Minister van Economische Zaken van 8 februari 2007 (Kamerstukken II 2006/07, 29 982, nr. 60) gestand gedaan wordt dat huishoudens er maximaal één euro per maand op achteruit zouden gaan door de invoering van het capaciteitstarief. Het antwoord op deze vraag is opgenomen aan het einde van het onderdeel Invoering van het capaciteitstarief. Naar die beantwoording wordt hier verwezen.

De minister van Economische Zaken,

M. J. A. van der Hoeven