Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Eerste Kamer der Staten-Generaal2008-200931320 nr. F

31 320
Regels omtrent energie-efficiëntie (Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie)

31 374
Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt

F1
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 7 november 2008

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het voorlopig verslag van de vaste commissie voor Economische Zaken. Ik spreek de hoop uit dat mijn beantwoording van de vragen bij zal dragen aan een voorspoedige behandeling van beide wetsvoorstellen door uw Kamer, mede gelet op het feit dat het Wetsvoorstel implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie strekt ter implementatie van een richtlijn waarvan de implementatiedatum reeds is verstreken.

Inhoud van de wetsvoorstellen

De commissie voor Economische Zaken vroeg een reactie te geven op de bijlage bij de brief van EnergieNed en Netbeheer Nederland van 8 september 2008. In de bijlage worden vier onderwerpen belicht. Het eerste aandachtspunt dat EnergieNed en Netbeheer Nederland benoemen betreft de mogelijke kostengevolgen van het stellen van extra eisen aan de op afstand uitleesbare meetinrichtingen. EnergieNed en Netbeheer Nederland maken zich zorgen over de mogelijkheid van een kostenneutrale invoering van de slimme meter indien er nieuwe functionele eisen aan de slimme meter worden gesteld. Deze zorg is begrijpelijk, maar de eisen waaraan slimme meters volgens de in voorbereiding zijnde uitvoeringsregelgeving standaard zullen moeten voldoen, geven geen aanleiding te veronderstellen dat het metertarief zal moeten stijgen. Dat beeld wordt bevestigd door de huidige industriestandaard (NTA 8130), die deze standaard-functionaliteiten reeds allemaal ondersteunt.

Een aandachtspunt dat overigens in feite geheel los staat van de invoering van de slimme meter, maar wel gelijktijdig speelt betreft de eis dat de meetinrichting voor gas standaard zal moeten beschikken over een temperatuurcorrectie-functionaliteit. Zoals aangegeven in de brief van de minister van Economische Zaken van 12 september 2008 (Kamerstukken II 2007/08, 29 372, nr. 73) bedragen de eenmalige extra investeringskosten in verband met deze functionaliteit tussen de 5 en 10 euro per meter. Of dit tot gevolg zal hebben dat de prijs van deze meetinrichtingen met eenzelfde niveau stijgt, is nu nog niet duidelijk.

Ten tweede wordt door de gezamenlijke netbeheerders in de bijlage onderstreept dat de beoogde doelen van een slimme meetinfrastructuur slechts gerealiseerd kunnen worden indien er sprake is van een volledige uitrol. Deze stelling onderschrijf ik. Het hanteren van een proefperiode is verstandig om primaire processen tijdig te kunnen bijsturen en te toetsen of de betreffende regelgeving afdoende is om de publieke belangen te waarborgen. Een volledige uitrol van op afstand uitleesbare meetinrichtingen bij kleinverbruikers moet echter het einddoel blijven om de beoogde kostenbesparingen en overige voordelen te kunnen realiseren.

Als derde aandachtspunt brengen netbeheerders naar voren dat financiële zekerheden en door hen beheersbare processen tijdens de proef- en uitrolperiode noodzakelijk zijn. Indien andere partijen dan de netbeheerder op afstand uitleesbare meetinrichtingen installeren moeten ook zij voldoen aan de met betrekking tot (de installatie van) die meetinrichtingen gestelde eisen. Die eisen worden neergelegd in de in voorbereiding zijnde uitvoeringsregelgeving. Het is van groot belang hier dusdanige eisen op te nemen dat de beheersbaarheid en de betrouwbaarheid van het systeem van de netbeheerder gewaarborgd blijft.

De beveiliging van de meetinrichting is het vierde aandachtspunt waar de netbeheerders terecht op wijzen. Het is van groot belang dat deze beveiliging op orde is en van te voren grondig wordt getest om misbruik van meetgegevens te voorkomen. De in voorbereiding zijnde uitvoeringsregelgeving zal ook op het punt van de beveiliging van de meetinrichting derhalve nadere eisen stellen, zodanig dat – rekening houdend met technische mogelijkheden, de aard van de te beschermen gegevens en de kosten, een passend en dus adequaat beveiligingsniveau wordt gegarandeerd. Deze regelgeving dient ruim voor de inwerkingtreding van de betreffende wetsartikelen gereed te zijn. De planning is erop gericht dat de betreffende AMvB kan worden voorgehangen zodra uw Kamer de behandeling van het wetsvoorstel heeft afgerond.

De leden van de CDA-fractie vroegen naar de reden dat het wetsvoorstel Implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie ruim na het aflopen van de implementatietermijn, die april 2008 verstreek, bij de Eerste Kamer is ingediend. Zij wezen er daarbij op dat de richtlijn dateert van 5 april 2006 en het een omzetting zonder nationale kop betreft. Bij de implementatie van deze richtlijn is zorgvuldig gekeken welke verplichtingen uit de richtlijn reeds zijn geïmplementeerd in Nederlandse wet- en regelgeving en in nationale programma’s. Omdat de richtlijn geen gedetailleerde voorschriften kent, maar vooral de doelstellingen omschrijft, vereiste dit studie, interdepartementale afstemming en deels ook onafhankelijk onderzoek. Dit heeft de nodige tijd in beslag genomen. Bovendien is tijdens de vormgeving van het wetsvoorstel in 2007 het Werkprogramma Schoon en Zuinig opgesteld, hetgeen invloed heeft gehad op de inhoud van het wetsvoorstel. Het kabinet heeft daarbij zorgvuldig gekeken naar welke doelstellingen op het gebied van energie-efficiency bereikt zouden moeten worden middels regelgeving en wat er mogelijk was doordat de sector zichzelf verplichtingen oplegt. Het sectorakkoord Energie en het al eerder tot stand gekomen programma Meer met Minder zijn voorbeeld van belangrijke vrijwillige afspraken die met de markt zijn gemaakt over energiebesparing. Bij de opstelling van het wetsvoorstel is gekeken hoe de verschillende verplichtingen zich met elkaar verhielden en dat heeft invloed gehad op de inhoud van het wetsvoorstel.

De leden van de CDA-fractie, van de PvdA-fractie en van de fractie van de SP vroegen of het opstellen van een standaardcontract gerekend moet worden tot de taak van de raad van bestuur van de Nederlandse mededingingsautoriteit (NMa). De taken van de NMa met betrekking tot de elektriciteits- en gasmarkt vloeien zowel voort uit de Elektriciteitswet 1998 als uit de Gaswet. De NMa is er verantwoordelijk voor om toezicht te houden op de werking van deze energiemarkten en daar waar mogelijk de concurrentie op deze markten te bevorderen. Dit houdt in dat de NMa ontwikkelingen op de markten van elektriciteit en gas nauwlettend volgt met het oog op transparantie, non-discriminatie, mededinging en doeltreffende marktwerking en tevens de belangen van de consument beschermt. Het opstellen van een modelcontract heeft als doel om meer transparantie te bieden aan de consument zodat deze eenvoudiger een keuze kan maken voor een leverancier van energie. Dit past heel goed binnen het takenpakket van de NMa.

Tevens vroegen deze leden of met de taak om een standaardleveringscontract op te stellen de onafhankelijkheid van de NMa in het gedrang komt. Dit is niet het geval, omdat de NMa – na consultatie van organisaties van leveranciers, netbeheerders en afnemers – het modelcontract zelf vaststelt. Deze procedure is wettelijk vastgelegd. Artikel 95na draagt een wettelijke taak op aan de NMa. Het kader waarbinnen de NMa deze taak invult wordt gevormd door de toezichthoudende rol van de NMa. De NMa is er om vanuit haar toezichthoudende rol de energiemarkten zo effectief mogelijk te laten werken. Binnen de energiesector betekent dit onder meer dat de toegang tot de netten moet worden gewaarborgd, dat er voldoende transparantie (toegang tot essentiële informatie) bestaat en dat de consument wordt beschermd tegen mogelijk misbruik van de (inherente) machtspositie van aanbieders. De primaire aangrijpingspunten voor het realiseren van deze missie zijn de voorwaarden voor effectieve marktwerking. Oftewel, de NMa beoogt haar missie te realiseren door zich te richten op het (bijdragen aan het) creëren van condities waaronder de markt effectief en efficiënt kan functioneren en de belangen van de consument voldoende tot hun recht (kunnen) komen.

In verband met de bescherming van persoonsgegevens vroegen de leden van de CDA-fractie of meetinformatie betreffende een afnemer aan alle aanbieders van informatiediensten ter beschikking kan worden gesteld op het moment dat een afnemer aangeeft dat die meetinformatie aan één aanbieder ter beschikking kan worden gesteld. In het wetsvoorstel is gewaarborgd dat elke willekeurige aanbieder van informatiediensten expliciete toestemming van de afnemer nodig heeft voor het gebruik van diens individuele verbruiksgegevens. Dit vloeit voort uit de voorgestelde artikelen 26ab Elektriciteitswet 1998 en 13b Gaswet in combinatie met het in die artikelen genoemde artikel 8, onderdeel a, van de Wet bescherming persoonsgegevens.

De leden van de CDA-fractie vroegen waarom ervoor is gekozen om het meettarief van 2005 als uitgangspunt te nemen voor de introductie van de slimme meter, terwijl dat meettarief de resultante is van aanzienlijke tariefstijgingen. De NMa heeft inderdaad tariefstijgingen geconstateerd tussen 2001 en 2007 waarvan waarschijnlijk is dat die niet geheel zijn gebaseerd op onderliggende kostenstijgingen. Tegelijkertijd concludeert de NMa overigens dat in deze tijd liberalisering van de energiemarkt de consument € 1.9 mld heeft opgeleverd vanwege efficiencywinsten. Reden om in 2008 voor de regulering van het meettarief elektriciteit het gewogen gemiddelde tarief van 2005 te hanteren is dat er van werd uitgegaan dat een 100% uitrol van op afstand uitleesbare meetinrichtingen door netbeheerders zou kunnen worden gerealiseerd binnen de in 2005 geldende tarieven. EnergieNed (de federatie van energiebedrijven in Nederland) presenteerde namelijk in dat jaar zijn plannen voor een dergelijke grootschalige uitrol. Geconcludeerd is met andere woorden dat het op dat moment gehanteerde tariefniveau de juiste ruimte zou bieden om de transitie naar de slimme meter mogelijk te maken, zonder dat een jojo-effect in dat tarief op zou treden voorafgaand aan en tijdens de introductie en uitrol van de slimme meter. Dat laatste zou immers de acceptatie bij afnemers niet ten goede komen. In vervolg op de Regeling voor 2008 is voor het meettarief 2009, 2008 als basisjaar gekozen, waardoor nog steeds het gemiddelde tariefniveau van 2005 als uitgangspunt blijft gelden.

De leden van de CDA-fractie vroegen de regering om een reactie op de brief van de Vereniging Energie- en Watergebruikers (VEMW) van 19 september jl. De VEMW stelt vragen over drie hoofdonderwerpen: de Informatiecode, de multisites en de om niet ter beschikking te stellen meetgegevens. Met betrekking tot de Informatiecode vraagt VEMW om een toelichting op de zinsnede «een representatief deel van de ondernemingen die zich bezighouden met het transporteren, leveren of meten van elektriciteit» in de voorgestelde artikelen 54, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 en 22, eerste lid, Gaswet. Voor de beantwoording hiervan verwijs ik naar de beantwoording van de vragen over artikel I, onderdeel Q, voor zover daar een toelichting op dezelfde zinsnede wordt gegeven. Verder wordt in de brief gevraagd waar de grens ligt tussen hetgeen in de Meetcode en wat in de Informatiecode dient te worden geregeld.

De Informatiecode ziet op de regulering van de wijze van verwerking (uitwisseling, vastlegging, bewaring etc.) van gegevens tussen netbeheerders, leveranciers, meetbedrijven, programmaverantwoordelijken en afnemers. Dit is geregeld in de voorgestelde artikelen 54, eerste lid, Elektriciteitswet 1998 en 22, eerste lid, Gaswet. De Meetcode bevat voorwaarden als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b en g Elektriciteitswet 1998 en artikel 12b, eerste lid, onderdeel b, Gaswet die alleen gelden tussen netbeheerders onderling en netbeheerders en afnemers. Voor zover er in verband met een in een code te regelen onderwerp sprake is van een overlap tussen deze grondslagen, zal een keuze gemaakt worden tussen een van beide grondslagen. Leidend voor die keuze zal zijn jegens wie de voorwaarden moeten gelden en door wie de voorwaarden in acht moeten worden genomen. Indien het voorwaarden zijn die alleen door de netbeheerders en alleen jegens andere netbeheerders of jegens afnemers in acht moeten worden genomen, dan ligt regeling op basis van artikel 31, eerste lid, onderdelen b en g, Elektriciteitswet 1998 en artikel 12b, eerste lid, onderdeel b, Gaswet voor de hand. Indien de voorwaarden echter door andere partijen dan netbeheerders in acht moeten worden genomen of de voorwaarden niet alleen jegens netbeheerders of afnemers in acht moeten worden genomen, ligt regeling op de voet van de voorgestelde artikelen 54, eerste lid, Elektriciteitswet 1998 en 22, eerste lid, Gaswet in de rede.

Functionele eisen aan meters en regels over het (op afstand) afschakelen of afknijpen van aansluitingen met voldoende waarborgen voor de belangen van afnemers, waarnaar VEMW vraagt, horen thuis in uitvoeringregelgeving op basis van de voorgestelde artikelen 95la Elektriciteitswet 1998 en 42a Gaswet (functionele eisen) respectievelijk de artikelen 95b, achtste lid, Elektriciteitswet 1998 en 44b, achtste lid, Gaswet (Regeling afsluiten elektriciteit en gas van kleinverbruikers).

Ten aanzien van het tweede onderwerp (multisites) vraagt VEMW wie een bedrijf met kleinverbruikeraansluitingen en ten minste één grootverbruikeraansluiting op de hoogte zal brengen van de mogelijkheid om zelf een meetbedrijf aan te wijzen. Daarnaast wil de VEMW weten wat er gebeurt als een dergelijke afnemer niet zelf een meetbedrijf contracteert. Voor de hand ligt dat een hier bedoelde afnemer het meetbedrijf zal willen aanwijzen dat hij al voor zijn grootverbruikaansluiting(en) heeft gekozen. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de betreffende afnemer zelf. Het is echter aannemelijk dat het betreffende meetbedrijf vanwege de aanwezige concurrentie zelf zijn meetdiensten ook voor de kleinverbruikaansluiting(en) bij deze zakelijke klant zal aanbieden. Daarmee is dus niet de leverancier of de netbeheerder maar het meetbedrijf de aangewezen partij om de klant over zijn keuzemogelijkheden met betrekking tot de meetdiensten te informeren. Als een afnemer met meerdere aansluitingen die valt onder artikel 95ca Elektriciteitwet 1998 of artikel 44a Gaswet niet actief een meetbedrijf kiest dan zal de leverancier de betreffende afnemer daartoe aansporen omdat hij anders de betreffende meetgegevens niet kan laten collecteren, valideren en vaststellen.

Tenslotte wordt een aantal vragen gesteld over het om niet beschikbaar stellen van meetgegevens door de netbeheerder. Op de vraag hoe wordt geregeld dat afnemers de beschikking kunnen krijgen over meetdata die ingevolge het wetsvoorstel dagelijks gratis ter beschikking moeten worden gesteld is het antwoord dat de meetinrichting deze gegevens zal weergeven zodat de afnemer ze kan aflezen. Een andere mogelijkheid is dat de afnemer op de meetinrichting een home computer of andere locale ICT-voorziening aansluit en de betreffende gegevens daarvan afleest. De netbeheerders zijn vrij in de wijze waarop zij meetdata ter beschikking stellen zolang zij maar voldoen aan hun verplichtingen ingevolge het wetsvoorstel tot het verlenen van toegang tot en het beschikbaar stellen van meetgegevens. Tenslotte vraagt VEMW naar het toezicht van de NMa op de tarieven die netbeheerders hanteren voor meetdata die ingevolge artikel 26ab, lid 4 Elektriciteitswet 1998 en artikel 13b, lid 4 van de Gaswet door de netbeheerder niet om niet beschikbaar worden gesteld. Genoemde bepalingen regelen dat deze meetdata tegen kostenvergoeding beschikbaar worden gesteld. Op de naleving hiervan zal de NMa toezien, net zoals zij met het toezicht op de naleving van de overige artikelen van de Elektriciteits- en Gaswet belast is. Bij twijfel over de juistheid van een gevraagde vergoeding kan dit onder de aandacht van de NMa worden gebracht en kan in voorkomende gevallen een handhavingsverzoek bij de NMa worden ingediend.

De leden van de CDA-fractie vroegen of bij de evaluaties tijdens de proefperiode ook getoetst zal worden op de kosten en baten van de geïnstalleerde op afstand uitleesbare meetinrichtingen. Tijdens de proefperiode zal daarop inderdaad worden getoetst. Dit is een onderdeel van de monitorsystematiek die de Energiekamer van de NMa heeft ontwikkeld. Daarbij is het wel van belang te bedenken dat de proefperiode mogelijk nog zal leiden tot aanpassingen van de eisen waaraan op afstand uitleesbare meetinrichtingen moeten voldoen en dat de baten pas effectief kunnen worden gemeten op het moment dat er een zeker volume aan op afstand uitleesbare meetinrichtingen is bereikt. Het is de vraag of dat volume al in de proefperiode wordt bereikt. Wel kan uiteraard worden getoetst of aannames die zijn gedaan in de onderliggende kosten-baten onderzoeken juist blijken te zijn. Ook is een belangrijke toegevoegde waarde van de evaluatie dat achterliggende oorzaken van eventuele grote afwijkingen in de kostenontwikkeling kunnen worden opgespoord.

De leden van de CDA-fractie stelden diverse vragen over de in het wetsvoorstel opgenomen vervaltermijn voor het factureren van door de afnemer verschuldigde bedragen voor de uitvoering van de wettelijke netbeheerderstaken («netbeheerderstarieven»). Ten algemene wordt in reactie op hetgeen de leden opmerken over de gang van zaken in de parlementaire voorgeschiedenis allereerst aangegeven dat het thans voorliggende wetsvoorstel tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt op het punt van de verval- dan wel verjaringstermijn een lange voorgeschiedenis kent. In het oorspronkelijke wetsvoorstel was een verjaringstermijn opgenomen in verband met de aan de Eerste Kamer gedane toezegging om de vervaltermijn te vervangen door een verjaringstermijn (Kamerstukken I 2006/07, 30 212, F, pag. 37). Deze toezegging is nagekomen bij de indiening van het oorspronkelijke wetsvoorstel (Kamerstukken II 2007/08, 31 374, nr. 2, artikel I, onderdelen L en W en artikel II, onderdelen D en L). Amendering (Kamerstukken II 2007/08, 31 374, nr. 33) heeft er toe geleid dat ten aanzien van de netbeheerderstarieven behalve een verjaringstermijn ook een vervaltermijn in het wetsvoorstel opgenomen. Dit is dezelfde vervaltermijn als die in het huidige artikel 31, tiende lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 12b, derde lid, onderdeel e, van de Gaswet reeds is opgenomen. De vervaltermijn ziet daarbij op een andere fase in de facturering van de netbeheerderstarieven dan de verjaringstermijn.

De huidige bepalingen van artikel 31, tiende lid, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 12b, derde lid, onderdeel e, van de Gaswet inzake de vervaltermijn strekken ertoe de termijn waarbinnen voor verrichte netbeheerdersdiensten kan worden gefactureerd te begrenzen tot twee jaar om te voorkomen dat afnemers na verloop van lange tijd nog worden geconfronteerd met hoge facturen voor ooit verrichte diensten. De nieuwe tekst die ten gevolge van het bovengenoemde amendement voor deze bepalingen in het wetsvoorstel is opgenomen, beoogt geen inhoudelijke wijziging maar strekt slechts ter verduidelijking van de huidige vervaltermijnbepalingen. In verband met het leveranciersmodel komt de vervaltermijnbepaling in het wetsvoorstel bovendien terug in de tweede volzin van het vierde lid van de voorgestelde artikelen 95cb, vierde lid, van de Elektriciteitswet 1998 en 44b, vierde lid van de Gaswet, zodat gewaarborgd is dat de vervaltermijn voor het factureren van netbeheerderstarieven ook geldt als de leverancier deze voor de netbeheerder factureert.

Deze leden vroegen ook naar het exacte rechtsgevolg van het ongebruikt verstrijken van een vervaltermijn. Door het ongebruikt verstrijken van de vervaltermijn vervalt het recht om te vorderen, dat wil zeggen het recht om voor een verrichte dienst nog te factureren. Niet de tussen netbeheerder en afnemer aanwezige rechtsbetrekking zelf eindigt derhalve, zoals deze leden terecht opmerkten. Wel de bevoegdheid van de netbeheerder/leverancier om betaling te eisen cq. de plicht van de afnemer om te betalen. Het verstrijken van een vervaltermijn doet met andere woorden de verbintenis waarop de vervaltermijn betrekking heeft (i.c. de verbintenis tot betaling) van rechtswege vervallen (zie C. Asser/ A.S. Hartkamp, deel 4-I, Verbintenissenrecht, De verbintenis in het algemeen, 12e druk, Deventer 2004, nr. 686).

De leden van de CDA-fractie vroegen ook of de tekst van bepalingen over de vervaltermijn met zich brengen dat de leverancier – indien de afnemer ontkent een factuur te hebben ontvangen – moet aantonen dat de factuur in een gesystematiseerde stroom is aangemaakt en verzonden. Dit is inderdaad het geval. Net zoals in de huidige tekst van artikel 31, tiende lid, Elektriciteitswet 1998 en artikel 12b, derde lid, onderdeel e, Gaswet is ook in de nieuwe tekst de vervaltermijn gekoppeld aan het doen van de vordering cq. de verzending van de factuur.

Deze leden vroegen ook naar de bedoeling van de tweede volzin van de voorgestelde nieuwe tekst van artikel 31, tiende lid, Elektriciteitswet 1998 en artikel 12b, derde lid, onderdeel e, Gaswet. De tekst van deze volzin wijkt niet af van de huidige tekst van de tweede volzin van genoemde bepalingen. De huidige tekst van deze bepalingen is het gevolg van een amendement van het lid Hessels c.s. tijdens de behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet onafhankelijk netbeheer (Kamerstukken II 2005/06, 30 212, nr. 44). De bedoeling van de tweede volzin is daar toegelicht. Aangegeven is dat het uitgangspunt dat een vordering tot betaling van netbeheerderstarieven na verloop van twee jaren vervalt, niet van toepassing is in gevallen waarbij sprake is van fraude of moedwillige misleiding van de netbeheerder door de afnemer.

Deze leden vroegen ten slotte waar is geregeld dat na facturering stuiting van de rechtsvordering tot betaling kan plaatsvinden in verband met schuldhulpverlening. In het wetsvoorstel is niet volstaan met genoemde vervaltermijn, maar is vergelijkbaar aan wat in het consumentenrecht gebruikelijk is, ook een verjaringstermijn opgenomen. Voor tijdig, dat wil zeggen vóór het verstrijken van de vervaltermijn, gefactureerde netbeheerderstarieven geldt een verjaringstermijn van twee jaar. Deze verjaringstermijn is geregeld in de voorgestelde artikelen 95cb, vierde lid, eerste volzin, Elektriciteitswet 1998 en 44b, vierde lid, eerste volzin, Gaswet. Inherent aan de juridische figuur van de verjaring is dat een verjaringstermijn kan worden gestuit. Dit is in het belang van de leverancier indien de afnemer een schuldhulpverleningstraject volgt en de betaling als gevolg daarvan langer dan twee jaar op zich laat wachten. De leverancier kan dan immers via stuiting voorkomen dat de vordering verjaart voordat de afnemer aan betaling toekomt. De leverancier kan de verjaring bijvoorbeeld stuiten door het doen van een schriftelijke mededeling aan de betrokken afnemer waarin de leverancier zich zijn recht op nakoming ondubbelzinnig voorbehoudt (artikel 317, eerste lid, Boek 3, Burgerlijk Wetboek).

Slimme meters

De leden van de VVD-fractie vroegen naar de technische geavanceerdheid van de meter. De slimheid van de meetinrichting kan op peil worden gehouden omdat de software in de meetinrichting op afstand kan worden aangepast. Deze functionaliteit waarover elke meetinrichting dient te beschikken zal in de in voorbereiding zijnde uitvoeringsregelgeving worden neergelegd.

Verder vroegen de leden van de VVD-fractie naar de geschiktheid van het gas- en elektriciteitsnet voor het benutten van de mogelijke functies van de slimme meter. De functies van de slimme meter hebben voor een deel geen raakvlak met de netten. Voor een ander deel is dat wel het geval. De slimme meter is in het laatste geval in staat om de ontwikkelingen die zich ten aanzien van die netten voordoen te faciliteren. Ter toelichting hiervan dient het volgende. De op afstand uitleesbare meter heeft drie functies: de slimme meter kan 1) de administratieve processen in de energiemarkt faciliteren, 2) een efficiënt netbeheer faciliteren en 3) diensten en applicaties op het gebied van energie efficiency faciliteren en stimuleren. Op korte termijn zijn vooral de eerste en derde functie van belang. De voordelen van de slimme meter zullen dan vooral betrekking hebben op de benutting van accurate, tijdige en online beschikbaarheid van verbruiksgegevens (1), waardoor de dienstverlening aan klanten een impuls zal krijgen en de mogelijkheden voor energiebesparing worden vergroot (3). Het benutten van deze voordelen leunt vooral op de informatietechnologische voorzieningen die met de slimme meter worden geïntroduceerd en dat heeft geen consequenties voor het elektriciteitsnetwerk.

Op langere termijn zal ook gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden die de op afstand uitleesbare meter heeft om veranderingen ten aanzien van de netten en het netbeheer te faciliteren (2). Het gebruik op lokaal niveau (wijk, regio) van decentraal geproduceerde energie ter vervanging van centrale geproduceerde energie is een voorbeeld van een verandering. In het Energierapport 2008 is reeds aangegeven dat grootschalige toepassing van decentrale energieproductie investeringen vergt in de (capaciteit van de) infrastructuur. De slimme meter is in staat decentrale vraag- en aanbodsturing te faciliteren. De slimme meter maakt het namelijk mogelijk om op het laagste individuele gebruikersniveau geïnformeerde beslissingen te nemen over het al dan niet afnemen van stroom op sommige momenten en het al dan niet terugleveren van decentraal opgewekte stroom aan het net.

De leden van de VVD-fractie vroegen hoeveel energiebesparing wordt verwacht van de slimme meters en wat het energetische toekomstpad is. Inschattingen over energiebesparing die zijn toe te wijzen aan functionaliteiten van de op afstand uitleesbare meetinrichting lopen uiteen van 2 tot 10% energiebesparing. De verbruiksinformatie die de meetinrichting levert leidt tot een verhoogde aandacht van afnemers voor het energieverbruik en vervolgens tot energiebesparende acties en gedrag. Het beoogde energetische toekomstpad is neergelegd in het Energierapport 2008. Intelligente meetsystemen zullen een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van slimme netwerken of smart grids. De op afstand uitleesbare meetinrichting is een belangrijke eerste stap in de richting van smart grids. Door de toevoeging van intelligente eigenschappen aan de meetinrichting kan deze zich ontwikkelen tot een platform voor monitoring, sturing, informatie en andere innovatieve diensten.

De leden van de VVD-fractie vroegen of de op afstand uitleesbare meetinrichting ook kosten in euro’s kan registreren. Dit is inderdaad het geval. Onderzoek wijst uit dat verbruiksinformatie in abstracte eenheden als kWh voor de meeste consumenten niet zoveel zeggenskracht heeft. Daarom zal in de in voorbereiding zijnde uitvoeringsregelgeving worden voorzien in de eis dat de meetinrichting het geldende tarief weergeeft.

De leden van de SP-fractie hadden vraagtekens bij het gebruik van de term «slimme meter» en vroegen of deze formulering niet beter kan worden vervangen door een adequate term omdat de term slimme meter de indruk wekt dat aan de meter intelligentie wordt toegekend. De op afstand uitleesbare meetinrichting is in het gewone spraakgebruik bekend als slimme meter. Vergelijk ook de Engelse term «smart metering». Daarmee wordt bedoeld te zeggen dat met die meetinrichting op afstand kan worden gecommuniceerd. Die mogelijkheid van interactie en communicatie maakt de meetinrichting geavanceerd. Dat is gelijk ook de belangrijkste functionele toevoeging aan de meetinrichting die nu wordt voorgesteld. Meer dan dat wordt niet bedoeld met de term slimme meter. Deze leden wezen er dan ook terecht op dat eventuele intelligentie niet in de meter zelf zit. Anders dan in de memorie van toelichting, wordt overigens in het wetsvoorstel zelf niet gesproken over slimme meters maar uitsluitend over op afstand uitleesbare meetinrichtingen. Dit zal ook in de in voorbereiding zijnde uitvoeringsregelgeving het geval zijn.

Toegang tot het net

De leden van de VVD-fractie vroegen of er door het wetsvoorstel 31 374 meer concurrentie komt op de leveringsmarkt en of er voor afnemers ook echt iets te kiezen valt. Nieuwe leveranciers kunnen tot de kleinverbruikersmarkt toetreden indien zij beschikken over een vergunning van de minister om aan kleinverbruikers te leveren. Het wetsvoorstel wijzigt in dit opzicht niets. Een belangrijk doel van het wetsvoorstel is wel dat de leverancier voor zijn klantprocessen niet meer afhankelijk is van derden. Door het wetsvoorstel krijgt de leverancier meer invloed op de kwaliteit van zijn eigen dienstverlening. Een leverancier kan zich onder het leveranciersmodel, zeker na invoering van de slimme meter, beter onderscheiden van zijn concurrenten. Naast een keuze voor een goedkopere leverancier – afhankelijk van het type contract kan een afnemer nu op jaarbasis € 75 bij een contract voor onbepaalde tijd en € 200 bij een jaarcontract besparen bij een overstap van de duurste naar de goedkoopste leverancier – kan een afnemer ook kiezen voor een leverancier die, bijvoorbeeld op basis van de slimme meter, specifieke diensten aanbiedt. De verwachting is dan ook dat door dit wetsvoorstel de keuzemogelijkheden voor afnemers substantieel zullen toenemen. Daarnaast zal er naar verwachting minder mis gaan bij het verwerken van bijvoorbeeld een switch, zodat afnemers minder vaak door administratieve problemen ervan zullen worden weerhouden om over te stappen op een andere leverancier.

Kapen van computers

De leden van de SP-fractie vroegen aandacht voor de mogelijkheid tot het illegaal kraken van computers van de netbeheerder en met welke scenario’s in dat opzicht rekening is gehouden. Het is ontegenzeggelijk dat de ontwikkeling van de informatie en communicatietechnologie en de koppeling van voorheen gesloten systemen van vitale sectoren met publieke en openbare systemen als internet bepaalde kwetsbaarheden met zich brengt. Aandacht voor de kwetsbaarheid van besturingssystemen en de mogelijke preventiemaatregelen is derhalve van groot belang. Vandaar dat het wetsvoorstel mogelijkheden biedt om nadere eisen te stellen aan de beveiliging van de op afstand uitleesbare meetinrichting. Daarbij zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij reeds bestaande afspraken en maatregelen in het kader van het rijksbrede beleidsprogramma Bescherming Vitale Infrastructuur. In het kader van dat programma wordt al geruime tijd samengewerkt met het bedrijfsleven om een goede bescherming van vitale infrastructuur te waarborgen. De oprichting van het Nationaal Adviescentrum Vitale Infrastructuur heeft deze samenwerkingsrelaties verder versterkt. Concrete handreikingen in het kader van mogelijke kwetsbaarheden, preventie- en beschermingsmaatregelen zijn inmiddels ontwikkeld door het NICC (Nationale Infrastructuur ter bestrijding van Cyber Crime). Als uitgangspunt voor te nemen maatregelen worden de dreigingen gebruikt die in de bevindingenrapportage Nationale Risico Beoordeling zijn geconstateerd. Deze betreffen mede de energievoorzieningszekerheid.

Dwangsmacht van de staat m.b.t. energielevering

De leden van de SP-fractie vroegen of de voordelen van de slimme meter zodanig zijn dat zij de uitrolverplichting rechtvaardigen: past deze vorm van de dwangsmacht van de staat wel bij een vrije samenleving in onderlinge geborgenheid en solidariteit? Uiteraard dient de overheid steeds een zorgvuldige afweging te maken alvorens zij tot regulering of tot de inzet van bepaalde sturingsinstrumenten besluit. Ten aanzien van de op afstand uitleesbare meetinrichtingen is dat nadrukkelijk het geval geweest en is na afweging van alle belangen en met inachtneming van de verplichtingen die voortvloeien uit richtlijn 2006/32 besloten tot een verplichte invoering van deze meetinrichtingen en het indienen van dit wetsvoorstel. Inherent aan een dergelijke door de overheid opgelegde uitrolverplichting is inderdaad dat de vrijheid van netbeheerders en consumenten in zekere mate wordt ingeperkt. Ook dat aspect is meegewogen. Deze vrijheidsbeperking is echter uiteraard geen doel op zichzelf. Met het wetsvoorstel wordt beoogd de samenleving in al zijn facetten (welzijn burgers, goede werking elektriciteits- en gasmarkt, milieu en energiebesparing) te dienen.

Baten en lasten

De leden van de SP-fractie vroegen om een totaaloverzicht van kosten en baten ten aanzien van het wetsvoorstel, inclusief de wijzigingen naar aanleiding van de behandeling in de Tweede Kamer. De voornaamste wijziging betreft de introductie van de proefperiode van de uitrol van geavanceerde meters. Daarnaast is er gesproken over eventuele extra functionele eisen die zouden moeten gelden voor de op afstand uitleesbare meetinrichting. In hoofdstuk zes van de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 31 374 wordt een uitsplitsing gemaakt naar lastdragers en baathebbers. Deze maatschappelijke kosten en batenanalyse is gebaseerd op de onderzoeken van KEMA (Domme meters worden slim, kosten-batenanalyse slimme meetinfrastructuur, 2005) en het advies van SenterNovem (Advies invoering slimme meetinfrastructuur bij kleinverbruikers, oktober 2005). De gehanteerde analyse komt uit op een positieve netto contante waarde van € 1,2 miljard (over een periode van 50 jaar). Hierbij zijn overigens ook posten betrokken zoals maatschappelijke baten van energiebesparing. Accenture heeft in opdracht van de sector een business-case opgesteld en komt tot een positieve netto contante waarde van € 800 miljoen. De welvaartseffecten van de maatregelen in het wetsvoorstel komen per definitie verspreid neer bij de consument en andere afnemers, netbeheerders, leveranciers en bedrijven met nieuwe diensten. Deze leden vroegen specifiek naar de betrouwbaarheid van de betreffende cijfermatige onderbouwing. In dat kader heeft het ministerie van Economische Zaken vrijwel alle beschikbare internationale onderzoeken en overheidsrapporten geanalyseerd. Daaruit komt naar voren dat er sprake is van onzekerheidsmarges, met name in relatie tot de verdeling van kosten en baten over de verschillende actoren, maar tevens dat de totale maatschappelijke effecten in vrijwel elk onderzoek positief zijn.

Het totaalpakket aan maatregelen ter verbetering van de werking van de kleinverbruikersmarkt omvat naast de introductie van de slimme meter ook het capaciteitstarief en het leveranciersmodel. Het is van belang om deze zaken in samenhang te bezien. UCP heeft daarom in opdracht van het ministerie van EZ in 2008 een toetsing gedaan op de door de sector aangedragen baten van bovengenoemde maatregelen. UCP concludeert dat het gecombineerde voordeel van de drie maatregelen wordt geraamd op € 94 miljoen, met een bandbreedte van € 84 tot € 103 miljoen. Deze kwantificering van de baten komt overeen met de raming van de gezamenlijke netbeheerders uit 2005 van de te verwachten baten (€ 100 miljoen). In de voorstellen van EnergieNed aan de minister van Economische Zaken van augustus 2005 heeft de sector zich gecommitteerd aan de transitie naar de slimme meter tegen de in 2005 geldende tarieven, waarmee de vereiste investeringen binnen redelijke termijn terug te verdienen zijn.

Via de regulering van de transporttarieven door de NMa is gewaarborgd dat kostenbesparingen van netbeheerders, ook op het gebied van doelmatiger netbeheer, zullen doorwerken in de transporttarieven. Naast verwachte lagere tarieven en lagere switchkosten, worden er baten verwacht bij de consument als het gaat om energiebesparing (waarbij wordt uitgegaan van minimaal 2% reductie), betere dienstverlening, beter passende productvormen etc. Besparing op het verbruik komt voort uit gedragsverandering bij de consument door gebruik van de slimme meter en bijbehorende producten en adviezen van leveranciers en dienstenaanbieders. Deze te verwachten bijkomende kostenbesparingen voor de consument zijn echter moeilijk vooraf te kwantificeren omdat ze afhankelijk zijn van het specifieke gedrag van de consument. In Nederland wordt uitgegaan van mogelijke besparingen tussen 2 en 10%, maar in internationale onderzoeken worden ook wel marges gehanteerd van 1 tot 15%.

Over de gewijzigde onderdelen van het wetsvoorstel, naar aanleiding van de behandeling in de Tweede Kamer, wordt het volgende opgemerkt:

– De instelling van een proefperiode heeft meerdere kosteneffecten, zowel negatief als positief. Enerzijds heeft de wijziging van het wetsvoorstel om gedurende de proefperiode slechts in bepaalde situaties verplicht uit te rollen tot gevolg dat er in veel mindere mate dan voorzien straat-voor-straat zal worden uitgerold. Het verspreid in de regio vervangen van meters is niet alleen minder kostenefficiënt qua installatie en voorrijkosten, maar vereist in sommige gevallen ook andere (duurdere) communicatiemethoden dan waarvoor anders wellicht zou zijn gekozen. Kostenverhogend is ook dat er langere tijd dan voorzien een oud en nieuw systeem van meting naast elkaar blijven bestaan met bijbehorende kosten en risico’s. Anderzijds kunnen de netbeheerders over een langere periode hun bestaande meters afschrijven, is er een minder grote druk op de installatiecapaciteit, en kunnen eventuele problemen tijdens de monitoring en evaluatie van de NMa tijdig gesignaleerd en opgelost worden. Met name de mogelijkheid om tijdig bij te kunnen sturen kan belangrijke (kosten) voordelen opleveren. Welke kosteneffecten de instelling van de proefperiode per saldo zal opleveren kan pas op langere termijn vastgesteld worden.

– De Tweede Kamer heeft aangedrongen op een meter die «slim genoeg is». De vereiste functionaliteiten worden vastgelegd in de in voorbereiding zijnde uitvoeringsregelgeving en moeten dusdanig zijn dat de geïnstalleerde meter toekomstbestendig is. Het ministerie van Economische Zaken heeft naar aanleiding van de behandeling in de Tweede Kamer overleg gevoerd met de sector over de vraag of de huidige Nederlandse Technische Afspraak 8310 de functionaliteiten zoals genoemd tijdens de kamerbehandeling in voldoende mate ondersteunen. Dit overleg heeft uitgewezen dat dit inderdaad het geval is, maar dat wel aanvullende voorzieningen nodig zijn indien registratie en communicatie van brutoproductiegegevens van decentraal opgewekte energie standaard op de meter aanwezig moet zijn. Verder moet in de praktijk gedurende de eerste fases van de proefperiode blijken of belangrijke functionaliteiten zoals de lokale koppeling tussen meetinrichting en applicaties in het huis (zoals een in-home display of computer) naar behoren werken en voldoende laagdrempelig toepasbaar zijn. Niet uitgesloten is dat dit gedurende de proefperiode tot een nadere aanscherping van de NTA8130 zou kunnen leiden. Van groot belang voor de uiteindelijke kosten per meter is tevens of de aanbestedingsspecificaties die zullen worden gehanteerd door Nederlandse marktpartijen op basis van de wettelijke eisen aansluiten bij hetgeen gangbaar is in andere Europese lidstaten. Fors afwijkende specificaties voor relatief kleine aantallen Nederlandse meters zullen ongetwijfeld een kostenverhogend effect hebben.

De leden van de fractie van de SP vroegen tevens verduidelijking ten aanzien van de conversielasten van de slimme meters zoals beschreven in de memorie van toelichting. Deze paragraaf van de memorie van toelichting is gebaseerd op de totale uitrol, niet enkel de proefperiode. De 1036 miljoen euro conversielasten voor de aanschaf van de slimme meter zoals genoemd in de memorie van toelichting heeft daarmee ook betrekking op de totale uitrol en geldt indien de meters op zo kort mogelijke termijn worden vervangen. Nu het huidige wetsvoorstel uitgaat van een meer geleidelijke uitrol, waarbij in eerste instantie voornamelijk wordt geïnstalleerd in het geval van nieuwbouw en grootschalige renovaties, heeft dit rechtstreeks invloed op de geraamde totale eenmalige conversielasten. In de nota naar aanleiding van het verslag betreffende het wetsvoorstel energie-efficiëntie (2007–2008, 31 320, nr. 6) is uitgegaan van het extreme scenario van een uitroltermijn van 30 jaar en met bijhorende conversielasten van circa 612 miljoen euro. Juist de ontwikkeling van kosten en baten zal een belangrijk onderdeel vormen van de evaluatie die ik de komende 2 jaar zal uitvoeren in samenwerking met de NMa.

Daarbij zal opnieuw gekeken worden naar verschillende kostenelementen als al dan niet vroegtijdige afschrijvingen, installatiekosten waaronder arbeidsloon, efficiëntie en technische of fysieke omstandigheden in het kader van de installatie.

Capaciteitstarief

De leden van de SGP- en CU-fractie vroegen hoe de invoering van het capaciteitstarief zich verhoudt tot de richtlijn energie-efficientie. Ook vroegen zij nader te onderbouwen op welke gronden de richtlijn energie-efficiëntie voorziet in de mogelijkheid van compensatie van negatieve effecten door het nemen van compenserende maatregelen op andere terreinen, zoals in dit geval verhoging van de energiebelasting. Tot slot vroegen zij hoe de invoering van het capaciteitstarief voor aansluitingen zonder verblijfsfunctie zich verhoudt tot deze richtlijn. Artikel 10 van de richtlijn energie-efficiëntie verplicht lidstaten om stimulansen in de transporttarieven die leiden tot een onnodige verhoging van de hoeveelheid getransporteerde energie weg te nemen. Ik ben van oordeel dat een capaciteitstarief geen stimulansen bevat om méér elektriciteit te verbruiken. De tariefstructuur in Nederland bevat, ook wanneer het transporttarief voor kleinverbruikers wordt gebaseerd op de doorlaatwaarde van de aansluiting, in lijn met de richtlijn geen prikkels om meer elektriciteit te verbruiken. Invoering van het capaciteitstarief – ook zonder compensatie – leidt dus niet tot een verhoging van het energieverbruik. Dit geldt ook voor aansluitingen zonder verblijfsfunctie, waar de leden van deze fracties specifiek naar vroegen. Daarbij wordt opgemerkt dat ook als er wel sprake zou zijn van een maatregel die zou leiden tot een verhoging van de hoeveelheid verbruikte energie, hiermee nog geen sprake zou zijn van een onnodige maatregel en daarmee een maatregel die strijdig zou zijn met de richtlijn. De invoering van het capaciteitstarief is een belangrijke maatregel om te komen tot een vereenvoudiging en ontkoppeling van de administratieve processen energiesector. De meeste kostenbesparingen ten gevolge van de wijzigingsregeling ter invoering van het capaciteitstarief en de maatregelen zoals opgenomen in dit wetsvoorstel zijn dan ook een direct of indirect een gevolg van de invoering van het capaciteitstarief. Ik verwijs hiervoor naar het onderzoeksrapport dat ik bij de hernieuwde voorhang van de wijzigingsregeling aan uw Kamer heb toegestuurd (Kamerstukken II 2007/08, 28 982, nr. 63).

Wel kan, zoals eerder aangegeven, het capaciteitstarief de energiebesparingsprikkel verminderen. Daarom is voorzien in een compensatieregeling via de energiebelasting. Kleinverbruikers met een verbruik tot 10 000 kWh blijven hierdoor in totaal per verbruikte kWh evenveel betalen. Hiermee blijft de energiebesparingsprikkel voor afnemers volledig behouden. De compensatiemaatregel via de energiebelasting is, anders dan de leden van de SCP en de CU-fractie veronderstellen geen voorwaarde om te voldoen aan de richtlijn energie-efficiëntie. Het is derhalve ook niet relevant of de deze richtlijn voorziet in de mogelijkheid van een compensatiemechanisme. De richtlijn verzet zich in ieder geval niet tegen een dergelijke regeling. Een capaciteitstarief is overigens ook niet onafhankelijk van het verbruik van de afnemer. Het is afhankelijk van de maximale doorlaatwaarde van de aansluiting en stimuleert afnemers om waar mogelijk te kiezen voor een kleinere doorlaatwaarde van de aansluiting.

Om het capaciteitstarief voor elektriciteit mogelijk te maken, was een aanpassing nodig van de regeling van 1 juli 1999 houdende vaststelling tariefdragers tarieven transport en levering elektriciteit en van de Regeling inzake tariefstructuren en voorwaarden elektriciteit. Deze wijzigingen zijn op 8 april 2008 aangeboden aan uw Kamer voor een hernieuwde voorhang (Kamerstukken II 2007/08, 28 982, nr. 63). De regeling tot wijziging van beide regelingen is op 4 juli 2008 in de Staatscourant gepubliceerd.

Artikelsgewijze vragen

Artikel I, onderdeel A

De commissie voor Economische Zaken vroeg naar een omschrijving van de in artikel 1, lid 1, onderdeel ag, genoemde activiteiten van een meetbedrijf. Collecteren houdt in het op afstand ophalen van individuele meetdata uit de meter. Aan de hand van deze meetdata wordt vervolgens het energieverbruik vastgesteld (wat is er verbruikt in een bepaalde periode) en gevalideerd (getoetst wordt of de data kloppen met het verwachte verbruik op basis van historische verbruiksgegevens). Overigens is de verwachting dat het belang van deze validatie zeer sterk zal afnemen met de invoering van de op afstand afleesbare meter. Na deze bewerkingen kunnen de verbruiksgegevens worden gebruikt voor facturatie.

Voorts werd gevraagd hoe deze taak van een meetbedrijf zich verhouden tot die van netbeheerders. De netbeheerder heeft de wettelijke verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor het ter beschikking stellen van ruwe meetdata die wordt gegenereerd door een meter. Het meetbedrijf draagt in opdracht van een leverancier zorg voor het ophalen en verwerken van die ruwe meetdata.

Naar aanleiding van de vraag of de genoemde activiteiten een exclusieve taak van de meetbedrijven zijn is het antwoord bevestigend. Het wetsvoorstel sluit op dit punt aan bij de reeds bestaande praktijk.

Artikel I, onderdeel B

De commissie voor Economische Zaken vroeg waarom het wetsvoorstel het begrip «meetinrichting» in artikel 16, eerste lid, onderdeel h, Elektriciteitswet 1998 vervangt door «inrichting om te meten». De in artikel 16, eerste lid, onderdeel h, Elektriciteitswet 1998 bedoelde meetinrichting betreft niet een meetinrichting van een afnemer in de zin van het wetsvoorstel, maar de meetinrichting van een producent van elektriciteit. Handhaving van het begrip «meetinrichting» in genoemd artikel zou tot ongewenst effect hebben dat het begrip na inwerkingtreding van het wetsvoorstel de betekenis zou krijgen die het wetsvoorstel daaraan toekent, terwijl het in dat artikel om een andere meetinrichting gaat. Daarom is het begrip «meetinrichting» in genoemd artikel vervangen. Gekozen is voor een nieuw begrip dat anders is dan het begrip «meetinrichting» maar wel zoveel mogelijk bij de oude tekst aansluit.

Artikel I, onderdeel L

De commissie voor Economische Zaken vroeg naar de correcte, tijdige en volledige uitwisseling van meetgegevens voor een doelmatige en betrouwbare elektriciteitsvoorziening. Snelle en accurate beschikbaarheid van meetgegevens is inderdaad primair van belang in het licht van hoogwaardige dienstverlening. Tijdigheid is vooral cruciaal voor de leverancier in het kader van facturatie, dienstverlening aan de klant met betrekking tot de levering van energie en levering van energiebesparingsdiensten. De beschikbaarheid van meer gedetailleerde verbruiksinformatie faciliteert bij netbeheerders de verfijning van de gehanteerde verbruiksprofielen op basis waarvan het netwerk wordt gedimensioneerd. Ook in het kader van het signaleren en opsporen van storingen is de beschikbaarheid van online meetgegevens van belang.

De leden vroegen waarom de uitwisseling van meetgegevens niet langer is geregeld op de grondslag van artikel 31, lid 1, onderdeel b, van de Elektriciteitswet 1998. Omdat de verantwoordelijkheid met betrekking tot de verwerking van meetgegevens verschuift naar de leverancier is de uitwisseling van meetgegevens nu onderdeel geworden van de voorwaarden die gelden ten aanzien van de administratieve processen zoals vastgelegd in artikel 54. De reden voor deze wijziging is dat artikel 31 slechts ziet op de relatie tussen netbeheerders onderling en tussen netbeheerders en afnemers en dus een te beperkte reikwijdte heeft.

De leden vroegen aan welke uitgangspunten de uitwisseling van meetgegevens moet voldoen. In de Informatiecode zullen de voorwaarden worden vastgelegd voor het waarborgen van exact die uitgangspunten waar deze leden groot belang aan hechten: tijdigheid, juistheid en volledigheid ten aanzien van de informatie-uitwisseling tussen de netbeheerder, de leverancier en het meetbedrijf. Dat deze voorwaarden in de Informatiecode worden opgenomen zal door de in voorbereiding zijn uitvoeringsregelgeving met betrekking tot de Informatiecode worden verzekerd. Tevens is in dit kader van belang dat gehanteerde gegevensbestanden en informatiesystemen de goede werking van de energiemarkt moeten bevorderen, de administratieve processen ondersteunen en de administratieve lastendruk verminderen. In het wetsvoorstel is tenslotte als uitgangspunt vastgelegd dat betrokken marktpartijen alleen toegang hebben tot gegevens van derden als zij beschikken over toestemming van de afnemer.

Tenslotte vroegen deze leden aan welke partijen meetgegevens moeten worden verstrekt. Dit is vastgelegd in het wetsvoorstel. De netbeheerder dient de leverancier toegang te verschaffen tot de meetgegevens van kleinverbruikers. De netbeheerder mag een derde alleen toegang verlenen indien die derde daartoe toestemming heeft ontvangen van de betrokken afnemer. Een leverancier heeft bovendien alleen na toestemming van de betrokken afnemer toegang tot meetgegevens die betrekking hebben op een tijdsbestek korter dan een dag. De leverancier schakelt een meetbedrijf in voor het collecteren van de meetdata, alsmede voor het valideren en vaststellen van deze meetdata. Het meetbedrijf stuurt de gevalideerde en vastgestelde data aan de leverancier en aan de betreffende netbeheerder. De leverancier kan op basis van deze gegevens zijn klanten factureren en voorzien van periodieke overzichten en adviezen met betrekking tot het individuele energieverbruik. Verbruiksdata mogen door een meetbedrijf slechts aan anderen dan de betrokken afnemer of leverancier worden verstrekt indien die afnemer hiervoor toestemming heeft op basis van artikel 8, onderdeel a, van de Wet bescherming persoonsgegevens.

Artikel I, onderdeel Q

De commissie voor Economische Zaken vroeg naar de inhoud van de ministeriële regeling die met betrekking tot de Informatiecode moet worden opgesteld. In de Informatiecode worden voorwaarden opgenomen die netbeheerders, leveranciers en meetbedrijven jegens elkaar en jegens afnemers in acht moeten nemen en die de manier regelen waarop zij gegevens verwerken en onderling uitwisselen De ministeriële regeling kan de inhoud van de Informatiecode nader duiden en sturen en bijvoorbeeld aangeven op welk gebied of ter verwezenlijking van welke uitgangspunten de Informatiecode in elk geval voorwaarden dient te bevatten. In de Informatiecode zal bijvoorbeeld invulling worden gegeven aan de uitgangspunten waar de leden groot belang aan hechten: tijdigheid, juistheid en volledigheid ten aanzien van de informatie-uitwisseling tussen de netbeheerder, de leverancier, de programmaverantwoordelijke en het meetbedrijf. Dat deze voorwaarden in de Informatiecode worden opgenomen zal door de in voorbereiding zijn uitvoeringsregelgeving met betrekking tot de Informatiecode worden verzekerd. Ten algemene zal de ministeriële regeling voorwaarden bevatten met betrekking tot de administratie van de aansluiting, de periodieke uitwisseling van meetdata en verbruiksgegevens en de inrichting van het berichtenverkeer(systeem).

De leden vroegen voorts of in de ministeriële regeling vastgelegd wordt welke marktpartijen een recht op inzage en wijziging van gegevens opgenomen in het door netbeheerders beheerde aansluitregister krijgen. De ministeriele regeling zal regelen dat de Informatiecode bepalingen bevat met betrekking tot de inzage van de aansluitingenadministratie. Het is essentieel dat degenen die toegang tot het administratieve systeem moeten hebben voor het uitoefenen van wettelijke taken of het nakomen van hun verplichtingen, die toegang ook krijgen. Dit is vooral in het belang van het soepel verlopen van de switch- en verhuisprocessen en het factureren. De programmaverantwoordelijke dient bijvoorbeeld inzage te hebben in de betreffende administratie. De ministeriële regeling zal ook regelen dat de Informatiecode procedures dient te bevatten voor wijziging van de in de aansluitingenadministratie vastgelegde gegevens. Dit is van belang met het oog op het wisselen van leverancier.

Daarnaast vroegen de leden om bevestiging van hun zienswijze dat de administratieve processen tussen netbeheerders, leveranciers en meetbedrijven geen belemmering mogen opwerpen voor het toetreden van nieuwe leveranciers en andere dienstverleners en voor het switchen van leverancier door afnemers. Deze zienswijze kan inderdaad worden bevestigd. De wijze waarop administratieve processen verlopen dient te passen binnen het kader van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet en de daarin gemaakte keuzes omtrent (de mate van) liberalisering dan wel regulering van (delen van) de elektriciteits- en gasmarkt. Indien dit niet of onvoldoende het geval is, dient de Informatiecode op dat punt te worden aangevuld al dan niet naar aanleiding van een met dat doel tot stand gebrachte wijziging van de ministeriële regeling die regels stelt met betrekking tot de Informatiecode. De Informatiecode zoals die zal worden vastgesteld na inwerkingtreding van het wetsvoorstel zal er overigens juist op gericht zijn om primaire marktprocessen, zoals switchen, zo effectief mogelijk te laten verlopen. De NMa heeft eerder onder meer geconstateerd dat bij bepaalde processen afspraken over informatie-uitwisseling niet altijd eenduidig waren en eventuele herstelprocedures niet helder waren of te lang duurden. Doordat de Informatiecode deze leemten nu gaat regelen geeft dit afnemers en nieuwe toetreders meer zekerheid.

De leden verzochten de minister om een toelichting op de zinsnede «een representatief deel van de ondernemingen die zich bezighouden met het transporteren, leveren of meten van elektriciteit» zoals bedoeld in artikel 54, eerste lid, Elektriciteitswet 1998 en artikel 22, eerste lid, Gaswet en de vaststelling van dat representatieve deel. Uitwisseling van gegevens vindt niet alleen plaats tussen netbeheerders onderling en tussen netbeheerders en afnemers, maar ook tussen netbeheerders, leveranciers, meetbedrijven en programmaverantwoordelijken en tussen deze partijen en afnemers. Daartoe zal de informatiecode zowel de relevante stappen in de administratieve, klantgerelateerde processen beschrijven, maar ook de informatie die tussen de betrokken marktrollen wordt uitgewisseld en de uiterste termijnen die daarbij in acht moeten worden genomen. Om die reden is er voor gekozen om zowel de netbeheerders als de leveranciers, de meetbedrijven en programmaverantwoordelijken invloed te geven op de totstandkoming van de Informatiecode. Bij het formuleren van voorstellen voor de Informatiecode is, in tegenstelling tot de huidige technische codes en tarievencodes, immers meer dan één marktrol betrokken (namelijk behalve de netbeheerders ook de leveranciers, meetbedrijven en programmaverantwoordelijken) en dus ook beduidend meer marktpartijen. De wijze waarop de Informatiecode tot stand komt moest daarom op andere wijze worden ingericht dan bij de andere codes. In de praktijk is het immers ondoenlijk te verlangen en te controleren dat een voorstel door alle op dat moment aanwezige marktpartijen wordt ingediend. Gekozen is daarom voor de formulering «een representatief deel». Indien een bepaalde marktrol in het geheel niet wordt geraakt door een voorstel voor de Informatiecode hoeft deze marktrol niet vertegenwoordigd te zijn bij het indienen van het voorstel. Andersom kan het niet zo zijn dat een marktrol niet vertegenwoordigd is onder de indieners van het voorstel als die marktrol door dat voorstel wel wordt geraakt. De NMa dient hierop toe te zien: wat ten aanzien van een bepaald voorstel een representatief deel is, is afhankelijk van het onderwerp en daarom aan de NMa ter beoordeling. Nadrukkelijk zij er op gewezen dat voor deze bepaling inzake het representatieve niet is gekozen om bepaalde marktpartijen met een minderheidsstandpunt buiten de deur te houden. Dat zou ook niet baten: met het oog op een zorgvuldige besluitvorming dient de NMa, zoals elk bestuursorgaan, immers steeds alle betrokken belangen af te wegen (artikel 3:4, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht) dus ook eventuele belangen die niet zijn vertegenwoordigd in het voorstel van het representatieve deel.

Artikel II, onderdeel K

Naar aanleiding van de gewijzigde definitie van kleinverbruikers bij gas, vroeg de commissie voor Economische Zaken welke gevolgen dit zal hebben ten aanzien van de wettelijke bescherming van de afnemers die door de gewijzigde definitie niet langer kleinverbruiker zullen zijn. De bescherming van kleinverbruikers krijgt thans met name zijn beslag in de vergunningplicht voor de leverancier, de regulering van meettarieven en de bescherming tegen onredelijk hoge leveringstarieven, de consumentenbescherming ex artikel 52b Gaswet (zoals bescherming tegen oneerlijke verkoopmethoden en tegen afsluiting in de winter bij schuldproblematiek), de leveringsplicht en een gereguleerde opzegtermijn en opzegvergoeding. Deze beschermingsbepalingen gelden alleen voor kleinverbruikers en zullen derhalve niet langer voor genoemde groep afnemers gelden als het wetsvoorstel in werking treedt.

Hiervoor in de plaats ontstaat er meer flexibiliteit en vrijheid voor de afnemers die door het wetsvoorstel geen kleinverbruikers meer zijn; met name in het kader van de ruimte om zelf te onderhandelen over de contractvoorwaarden ten aanzien van de levering. Uiteraard biedt het burgerlijk recht een belangrijke mate van wettelijke bescherming voor deze afnemers.

In de afspraken die de energiesector hierover met de belangenorganisaties van de betreffende afnemers heeft gemaakt, is overigens vastgelegd dat deze groep afnemers de keuze behoudt om te worden afgerekend op basis van profielallocatie (het systeem voor kleinverbruikers waarbij wordt uitgegaan van een gemiddeld vlak verbruiksprofiel) en dag- of maandallocatie (waarbij in de afrekening ook rekening wordt gehouden met pieken in het verbruik).

Deze leden vroegen of de huidige leveringsplicht aan deze groep afnemers wordt gehandhaafd. De leveringsplicht voor vergunninghouders geldt alleen met betrekking tot afnemers zoals bedoeld in artikel 43, eerste lid. Deze wettelijke bepaling is bedoeld om te voorkomen dat afnemers met een geringe onderhandelingspositie (huishoudens) geen leverancier zouden kunnen vinden. Daarbuiten en derhalve ook voor de categorie afnemers die door deze wijziging niet meer als kleinverbruikers worden aangemerkt is openbare aanbesteding van energielevering gebruikelijk.

Tenslotte vroegen de leden naar de omvang van de groep gasafnemers die te maken krijgt met de verlaging van de kleinverbruikersgrens. Deze groep betreft circa 30 000 afnemers en bestaat hoofdzakelijk uit kantoren, grotere scholen, zorginstellingen en ondernemingen in de glastuinbouw.

De minister van Economische Zaken,

M. J. A. van der Hoeven


XNoot
1

De Eerste Kamerstukken 31 374, letters C en E zijn niet in druk verschenen.