Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2008-200930553 nr. E

30 553
Wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 in verband met de verbetering van de mogelijkheden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten om onderzoek te doen naar en maatregelen te nemen tegen terroristische en andere gevaren met betrekking tot de nationale veiligheid alsmede enkele andere wijzigingen

E
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN EN DE HOGE COLLEGES VAN STAAT/ALGEMENE ZAKEN EN HUIS DER KONINGIN1

Vastgesteld 23 september 2008

Het voorbereidend onderzoek geeft de commissie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

De leden van CDA-fractie hebben kennis genomen van bovengenoemde wetsontwerp. Deze leden zijn het eens met de opmerkingen van de regering dat de burgers zo goed mogelijk beschermd dienen te worden tegen terroristische aanslagen of andere staatsgevaarlijke activiteiten. Anderszins constateren de leden van de CDA-fractie dat zowel door de Raad van State, als het rapport «De AIVD in verandering» van november 2004 en het rapport «Data voor Daadkracht» en laatstelijk door het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) fundamentele kritiek is gegeven, zowel op (onderdelen van het) het wetsontwerp als ook op lacunes in samenwerking van diensten, de proportionaliteit van de voorgestelde maatregelen, het informatievergaringsproces dat te weinig samenhangend is, onvoldoende effectief en geen doelmatigheidstoets bevat. De leden van de CDA-fractie hechten aan voldoende «checks and balances» alsmede een balans tussen privacy en veiligheid. Deze leden brengen in herinnering dat de Grondwet bepaalt in artikel 10, eerste lid dat ieder, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel. Deze leden zijn van mening dat onze open en complexe samenleving zeer kwetsbaar is voor terroristische aanslagen. De kans dat onze samenleving wordt getroffen door een grootschalige terroristische aanslag is in het huidige diffuse internationale veiligheidsklimaat bovendien reëel en de effecten van een dergelijke aanslag zouden aanzienlijk zijn. Om de kans op terroristische aanslagen zo veel mogelijk te verkleinen, is het noodzakelijk om de effectiviteit van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten op te voeren.

Het blijft echter altijd lastig om een juiste balans aan te brengen tussen enerzijds de privacy van de individuele burger en anderzijds de staatsveiligheid. De leden van de VVD-fractie zijn van oordeel dat bij het beoordelen van nut en noodzaak van maatregelen ter bescherming van de staatsveiligheid, de consequenties die deze maatregelen hebben voor de vrijheid van de burger nadrukkelijk moeten worden meegewogen.

Een belangrijk uitgangspunt van de VVD-fractie bij deze weging is dat er duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen, enerzijds maatregelen ter bescherming van de nationale veiligheid, zoals bijvoorbeeld terrorismebestrijding – en anderzijds maatregelen ter bevordering van veiligheid in meer algemene zin, zoals bijvoorbeeld verruiming van de algemene opsporingsbevoegdheden van politie en justitie. Deze leden benadrukken dit onderscheid en willen maatregelen die een inbreuk maken op de privacy van de burger toestaan, mits deze maatregelen noodzakelijk zijn voor de specifieke bestrijding van terroristisch geweld, de maatregelen effectief zijn en voldoen aan de daartoe te stellen eisen op grond van nationale en internationale wetgeving.

Vanuit deze visie onderschrijven de leden van de VVD-fractie de noodzaak van de betreffende wetswijziging en is van mening dat dit wetsvoorstel voorziet in de behoefte om de effectiviteit en de efficiency van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te verbeteren, waarbij er tevens voldoende waarborgen zijn ingebouwd om te verzekeren dat de activiteiten van de diensten blijven voldoen aan de eisen die daaraan op grond van nationale en internationale wetgeving worden gesteld.

De leden van de SP-fractie hebben met enig onbehagen kennis genomen van de voorstellen van de regering om de mogelijkheden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten om maatregelen te nemen tegen terroristische en andere groeperingen die de nationale veiligheid dreigen te ondermijnen, te verruimen. De leden van de SP-fractie onderschrijven de analyse van het CBP dat het voorliggende wetsvoorstel de noodzaak van de voorgestelde maatregelen nog onvoldoende onderbouwt, waardoor een goede afweging met betrekking tot de proportionaliteit en subsidiariteit niet gemaakt kan worden. De vragen van de SP-fractie zijn daarom allereerst op noodzakelijkheid, subsidiariteit en proportionaliteit van de voorstellen gericht.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben met bezorgdheid kennis genomen van het wetsvoorstel. De bezorgdheid werd nog versterkt door het advies van het CBP en de reactie van de regering op dit advies.

De leden van de fracties van de PvdA en D66 hebben met bijzondere aandacht kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze fracties waren steeds ten volle bereid om te bezien of nieuwe wettelijke voorzieningen behulpzaam zouden kunnen zijn in de strijd tegen het terrorisme. Daarbij toetsten zij deze voorstellen gemeenlijk op hun rechtstatelijkheid, alsmede op de aannemelijkheid dat deze een reële bijdrage aan het voorkomen en bestrijden van terroristische aanslagen zouden kunnen leveren.

De leden van de fracties van PvdA en D66 hebben met genoegen kennis genomen van de mededeling van de regering dat de Wiv 2002 een adequaat instrumentarium bevat voor de diensten om hun werk te doen. Deze leden hebben er behoefte aan ook bij deze gelegenheid hun waardering voor het werk van diensten onder woorden te brengen.

De bijzondere belangstelling van de leden van de fracties van de PvdA en D66 was ditmaal extra gestimuleerd door het weldoordachte en kritische advies van het College Bescherming Persoonsgegevens van 20 december 2007 dat door de Eerste Kamer was ingewonnen.

Deze fracties zijn het CBP erkentelijk voor zijn advies. Het is voor deze fracties bijzonder waardevol, dat de instantie die zich in Nederland met bescherming van persoonsgegevens bezig houdt, over wetgeving waarbij die bescherming in het geding is, zijn licht laat schijnen. Zij achten het moeilijk te begrijpen dat de regering niet zelf om advies van dit College heeft gevraagd. De materie die in het wetsvoorstel wordt behandeld, behoeft immers de meest zorgvuldige afweging, omdat de vrijheden van burgers daardoor rechtstreeks in het geding komen.

Het bevreemdt deze leden dat de regering in reactie op het advies van de Raad van State, die het vragen van een advies aan het CBP voor de hand vond liggen, meent te kunnen volstaan met de opmerking dat zo’n adviesaanvrage niet verplicht is, en dat advisering dus niet nodig is. Uiteraard hebben deze leden ook kennis genomen van de reactie van de regering op het door de Eerste Kamer wel gevraagde advies van het CBP en van het oordeel van het CBP over deze reactie.

Het wetsontwerp beoogt een drietal wijzigingen aan te brengen in de Wiv 2002. Deze voorstellen betreffen: (1) de invoering van een verplichting tot gegevensverstrekking door bij AMvB aan te wijzen bestuursorganen en instanties in de sectoren financiële dienstverlening en vervoer; (2) de beschikbaarstelling door deze organen en instanties van geautomatiseerde gegevensbestanden aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten voor data-analyse en (3) het bevorderen of treffen van maatregelen ter bescherming van door een dienst te behartigen belangen.

Alvorens echter op het voorliggende wetsontwerp in te gaan, hadden de leden van de PvdA en D66-fracties er behoefte aan een algemene vraag aan de regering voor te leggen.

1. Algemeen

De leden van de fracties van PvdA en D66 zouden graag vernemen welke grenzen de regering ziet aan voorstellen die inbreuk maken op de in de Grondwet en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde rechten. Is de regering ook van mening dat (te) ver gaande inbreuken deze rechten illusoir kunnen dreigen te maken? Met andere woorden, ziet de regering ook het risico, dat maatregelen die worden voorgesteld omdat zij om gewichtige redenen noodzakelijk lijken in een democratische samenleving, het risico met zich meebrengen dat zij de kern van de burgerlijke vrijheden – die toch het wezen uitmaken van een democratische samenleving- aantasten of uithollen?

De leden van de SP-fractie merken op dat het CBP zowel in de inleiding van haar advies als in de reactie op de kabinetsreactie signaleert dat «sluipenderwijs een glazen samenleving ontstaat, waarin burgers en consumenten nauwelijks onbespied zijn». In hoeverre past het voorliggende wetsvoorstel in de bredere tendens dat het CBP schetst? In hoeverre wijken de huidige wijzigingvoorstellen af van de algemene tendens die het CBP in haar advies weergeeft?

Volgens de publicatie «Van privacyparadijs tot controlestaat?» van het Rathenau Instituut en de Universiteit Tilburg uit 2007 lijkt de privacy van burgers «steeds minder gewicht in de schaal te leggen, zodra veiligheidsbelangen in het geding zijn.» In hoeverre onderschrijft de regering deze tendens, zo vragen de leden van de SP-fractie? Kan zij meer inzicht geven in het concrete afwegingsproces tussen veiligheidsbelangen en de privacybelangen van burgers dat ten grondslag ligt aan de huidige voorstellen?

Daarnaast roept de publicatie «Van privacyparadijs tot controlestaat?» hernieuwde maatschappelijke en politieke bezinning op, op de vraag hoeveel privacy «wij» als samenleving overhebben voor onze veiligheid. De leden van de SP-fractie vragen zich af of de regering van mening is dat dit debat gevoerd moet worden? Zo ja, zou het dan niet goed zijn om met nieuwe maatregelen te wachten op de uitkomsten van dit debat? Zo niet, waarom acht de regering een dergelijk debat overbodig?

Volgens strafrechtgeleerde Ybo Buruma ging het bij recente verruimingen van de bevoegdheden van veiligheidsdiensten vooral om «symboolpolitiek», daar de meeste bevoegdheden al elders in de wet geregeld zijn. Kan de regering aangeven welke van de wijzigingen in het wetsvoorstel een herformulering betreffen van reeds bestaande bevoegdheden en welke daadwerkelijk nieuw zijn?

De leden van de GroenLinks-fractie hebben een aantal vragen over de noodzaak van dit wetsvoorstel.

Wanneer en op basis van welke gegevens heeft de regering geconstateerd dat ten aanzien van de Wiv 2002 «op enkele onderdelen verbetering nodig is», zoals in de memorie van toelichting (p. 2) wordt gemeld? Is de CIVD van de Tweede Kamer ingelicht over dit feit? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?

Kan de regering aangeven in hoeveel concrete gevallen is gebleken van de noodzaak de Wiv 2002 aan te passen en kan de regering deze gevallen nader toelichten?

In de memorie van toelichting wordt herhaaldelijk (bijvoorbeeld p. 2, p. 3, p. 7) gesteld dat de aanslagen in Madrid van 11 maart 2004 (mede) de aanleiding hebben gevormd voor de aanpassingen van de Wiv 2002. Kan de regering toelichten wat hiermee wordt bedoeld? Kan de regering in dit verband met name aangeven welke feiten en omstandigheden omtrent de aanslagen hierbij een rol hebben gespeeld? Kan de regering voorts aangeven welke aanpassingen van de Wiv 2002 noodzakelijk zijn gebleken als gevolg van de aanslagen in Madrid?

2. Het verplichte karakter van gegevensverstrekking

Verplichte gegevensverstrekking is volgens de leden van de CDA-fractie de kern van het ontwerp. Ingevolge de artikelen 17a en 29 kunnen bij AMvB bestuursorganen, respectievelijke categorieën personen en instanties in de sectoren financiële dienstverlening en vervoer worden aangewezen die verplicht zijn op verzoek van de AIVD of de MIVD gegevens te verstrekken. Afhankelijkheid van vrijwillige medewerking is in het licht van de te beschermen belangen niet meer wenselijk. Daarmee wil overigens niet gezegd zijn dat de bestaande vrijwillige arrangementen van artikel 17 niet zouden voldoen. De Raad van State merkt hierover op dat een nadere toelichting op de noodzaak van het invoeren van een verplichting gewenst is.

De regering schrijft in de kabinetsreactie op het CBP-advies dat «een dekkend informatiestelsel [...], onmisbaar is voor een goede taakuitvoering door de diensten en volledige dekking [...], wordt niet bereikt, zolang de diensten uitsluitend afhankelijk zijn van vrijwillige medewerking» (p. 5–6). Aan het stelsel van vrijwillige afspraken kleven vier bezwaren. Afspraken gelden niet voor instanties waarmee de afspraken niet zijn gemaakt. Bovendien willen sommige partijen geen afspraken maken (en lopen de onderhandelingen dus moeilijk) of zij vragen een te hoge prijs voor de afspraken.

Het CBP schrijft in haar advies dat er geen sprake is van onderbouwing van de noodzaak van het ontwerp. Ook in de kabinetsreactie daarop wordt de noodaak niet onderbouwd. Weliswaar schrijft de regering dat «vrijwilligheid ertoe leidt dat informatie in het geheel niet wordt aangeleverd, dan wel onvolledig, dan wel te laat», maar zij laat de eerdere opmerking van het CBP, «dat de reeds bestaande bevoegdheden, in samenhang met eerdere maatregelen, die strekken tot het vorderen van gegevens in zijn algemeenheid, niet per definitie ontoereikend lijken te zijn» onbesproken. Zelfs als de regering gelijk zou hebben met haar slechts door een reductio ad absurdum ondersteunde stelling dat het huidige arsenaal aan opsporingsmogelijkheden ontoereikend is, dan nog zou ze moeten aantonen, dat dit wetsontwerp effectiever en efficiënter werken mogelijk maakt, maar zoals de zaken er thans voor staan heeft de regering naar de mening van het CBP de noodzaak van het invoeren van een verplichte informatieverstrekking nog steeds niet (voldoende) aangetoond.

Tegen deze achtergrond hebben de leden van de CDA-fractie de volgende vragen. Is het huidige arsenaal aan opsporingsmogelijkheden werkelijk ontoereikend? Waarop baseert de regering haar stelling dat vrijwilligheid in de praktijk ontoereikend is? Kan de regering voorbeelden noemen waarmee zij met dit wetsontwerp wel toereikende opsporingen kan doen? Met hoeveel instanties heeft de regering gepoogd om afspraken te maken maar is zij op een definitieve weigering gestuit en hoe is een en ander exact verlopen?

Ook de leden van de fractie van GroenLinks vroegen zich af of er gevallen zijn waarin de diensten gegevens hebben opgevraagd maar de verstrekking van de gegevens definitief werd geweigerd? Zo ja, om hoeveel gevallen gaat het?

De leden van de fracties van PvdA en D66wilden eerst stilstaan bij de voorgestelde verplichting tot gegevensverstrekking. Bij de totstandkoming van de Wiv 2002 is nadrukkelijk gekozen voor een vrijwillige verstrekking van gegevens aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Een van de redenen daarvoor is dat in een democratische samenleving op bestuursorganen en andere instanties een gewichtige verantwoordelijkheid rust om zeer zorgvuldig met aan hen ter beschikking gestelde gegevens om te gaan. Deze gegevens mogen immers alleen worden gebruikt voor het doel waarvoor zij aan deze instanties zijn toevertrouwd. Daartoe zijn de beheerders van deze gegevens gehouden en diegenen die hun gegevens aan hen toevertrouwen moeten daarop kunnen rekenen. Indien het ter beschikking stellen van deze persoonsgegevens verplicht wordt gesteld, zullen de beheerders zonder nadrukkelijke afweging van de eigen verantwoordelijkheid de aan hen toevertrouwde gegevens moeten afstaan. Aldus blijft van de eigen verantwoordelijkheid van databeheerders niets over. De leden van de fracties van de PvdA en D66 zouden dat een ongewenste ontwikkeling vinden.

Uit de toelichting van de regering begrepen de leden van de fracties van de PvdA en D66 dat een verplichting om gegevens ter beschikking van de diensten te stellen voordelen zou hebben uit een oogpunt van efficiency. Dat wilden deze leden graag aannemen, maar met deze redenering zouden nog veel meer waarborgen, die ter bescherming van de burgers in de Wiv 2002 zijn opgenomen terzijde kunnen worden geschoven.

Het was de leden van de fracties van PvdA en D66 ook opgevallen, dat de regering aangeeft dat door middel van convenanten en andere afspraken het gewenste doel – zij het omslachtiger – ook kon worden bereikt. De regering geeft in de memorie van toelichting (p.4) het volgende aan: «Daarmee is – voor de goede orde – niet gezegd dat vrijwillige, op toepassing van artikel 17 gestoelde arrangementen niet zouden voldoen. Het tegendeel is het geval.» Deze leden vroegen zich daarom af of de grondwettelijke en verdragsbepalingen die de privacy beschermen door het voorstel van de regering niet naar letter en geest geweld wordt aangedaan. Immers, de regering zou, als het gewenste doel bereikt kan worden zonder een wettelijke inbreuk te maken op deze grondrechten, toch veeleer haar inspanning daarop moeten richten, dan, zoals thans wordt voorgesteld, naar het middel van wetgeving te grijpen om de inbreuk op de beoogde bescherming van gegevens te legitimeren. Deze leden wezen er ten overvloede op dat een inbreuk op het artikel 8 van het EVRM alleen door de wetgever overwogen mag worden als deze noodzakelijk is, en niet als deze de efficiency van het overheidsoptreden zou bevorderen.

De mededeling van de minister tijdens de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer, dat ook de verstrekkers van de gegevens een wettelijke regel wel goed zouden vinden, achtten deze leden navrant en bevestigde hen in hun opvatting dat hier de weg van de minste weerstand gekozen wordt. Zeker, een verplichting bevrijdt de beheerders van moeilijke afwegingen die zijn anders ter bescherming van de hun toevertrouwde gegevens zouden moeten maken. Maar dat die afweging wel gemaakt moet worden vormt een belangrijke waarborg voor een zorgvuldige omgang met deze persoonsgegevens.

Grondrechten zijn lastig en voor overheden niet altijd handig en efficiënt, en dat geldt ook voor hun bescherming. Maar zij maken de essentie uit van een vrije samenleving en mogen niet om redenen van efficiency worden aangetast. Deze leden zouden het op prijs stellen als de regering hierop zou willen ingaan.

De leden van de fracties van PvdA en D66 hadden met zorg kennis genomen van het voornemen van de regering om de eerder genoemde bestuursorganen en andere instanties bovendien te verplichten hun geautomatiseerde gegevensbestanden aan de geheime diensten ter beschikking te stellen. Deze datacollecties zouden dan door de diensten kunnen worden gebruikt voor data-analyse, of zoals men het in andere landen noemt «datamining» of «Rasterfahndung».

De leden van de fracties van PvdA en D66 wilden graag een nadere toelichting op de relatie van de voorgestelde verplichting om op schriftelijk verzoek specifieke data aan de diensten te verschaffen en de voorgestelde verplichting om complete databanken, waarin naar zij begrepen die specifieke gegevens ook zijn opgenomen, ook verplicht aan de diensten ter beschikking te stellen. Waarom zouden de diensten dan niet de door hen benodigde gegevens uit die databanken kunnen halen? Zij voorzagen alweer een volgend wetsontwerp waarin zou worden vastgesteld dat dit niet handig en efficiënt is. De door de CBP gesignaleerde – en door de regering onderkende- mogelijkheid van «function creep» lag hier voor het oprapen. Deze leden vragen of de regering deze zorg deelt.

De verplichting om complete databaken aan de diensten over te dragen zou volgens de leden van de fracties van de PvdA en D66 tot gevolg hebben dat in de onderzoeken van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de gegevens van vele miljoenen Nederlanders betrokken zouden worden, die geen enkele aanleiding hebben gegeven om de aandacht van de diensten waardig te zijn. Dit leek deze leden zeer zorgwekkend en moeilijk te accepteren. Deze leden wilden gaarne van de regering vernemen of de situatie waarin een algemene verdenking van alle burgers door de overheid legitiem zou worden geacht, naar het oordeel van de regering hierdoor naderbij kwam, dan wel reeds was aangebroken? Is -zoals dit in Duitsland wordt genoemd- een «general Verdacht» niet een logische voortzetting van de stappen die de regering nu overweegt? En acht de regering dat verenigbaar met de grondslagen van onze samenleving?

3. Verplichte gegevenslevering door telecomaanbieders

De telecomaanbieders zouden volgens een bericht in het Financieel Dagblad van 18 oktober 2007 hebben besloten een nieuwe werkgroep op te richten om met aanbevelingen te komen over hoe «het een en ander anders te organiseren», omdat er problemen waren met de overheid die in 2005 de vergoeding voor informatie en taps eenzijdig had verlaagd. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering nader en helder inzicht kan verschaffen in de toen bestaande meningsverschillen en wat de stand van zaken is met die problemen en wat de stand van zaken is met de werkgroep en of het niet raadzaam is de uitkomst daarvan af te wachten, en zo nee waarom niet?

De leden van de fracties van de PvdA en D66 hadden met enige zorg kennis genomen van het voornemen om de verplichtingen die thans gelden voor aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken -en diensten, als bedoeld in de Telecommunicatiewet, op te leggen aan «aanbieders van communicatiediensten». De voorziene verruiming -ook tot besloten netwerken- brengt naar alle waarschijnlijkheid ingrijpende verplichtingen en kosten voor een zeer groot aantal bedrijven met zich mee.

Blijkens de memorie van toelichting kan thans nog niet worden aangegeven welke gegevens verplicht aan de diensten ter beschikking moeten worden gesteld. Dit zal in een AMvB worden geregeld. Overigens had de regering bij het indienen van het onderhavige wetsontwerp nog geen zicht op de vraag welke gegevens verplicht ter beschikking zouden moeten worden gesteld. Tegelijkertijd geeft de regering aan dat het om «verkeersgegevens» zou gaan. Deze leden zouden het op prijs stellen als de regering ter zake de meest recente inzichten aan de Kamer zou meedelen. Ook vroegen deze leden zich af of regeling bij AMvB volgens de regering wel passend was, gelet op de grote betekenis van de selectie van deze gegevens. Een regeling in de wet zelf had deze leden meer in de rede gelegen. Zij verzochten de regering ter zake om een nadere toelichting.

Ook zouden zij het op prijs stellen een globale schatting van de kosten te vernemen die naar verwachting door deze bedrijven zullen worden gemaakt en door het Rijk zullen worden vergoed. Dat dit zicht zou geven op de operationele omvang van de toepassing van een bijzondere bevoegdheid leek deze leden geen adequaat argument om de volksvertegenwoordiging deze informatie te onthouden.

4. Financiële gevolgen van verplichte gegevenslevering

Het viel de leden van de CDA-fractie op dat in het rapport «Data voor Daadkracht» wordt gemeld dat de relatie tussen de overheid en de telecomsector «verziekt» is door ruzie over vergoedingen voor diensten die de laatste verleent, zoals het aanbrengen van taps. In hoeverre determineren de financiële problemen de onderhandelingen? En is het juist dat het hier om, een kostenpost van honderden miljoenen euro’s gaat?

Kan de regering inzicht geven in de totaal kosten per jaar vanaf 2002 gemoeid met de gegevensverstrekking onder de huidige wetgeving?

De Raad van State heeft geadviseerd om ten aanzien van de verplichting tot gegevensverstrekking door niet-bestuursorganen een garantie voor volledige kostenvergoeding op te nemen. De regering heeft dit advies naast zich neergelegd. Kan de regering een globaal overzicht geven van het financiële belang dat is gemoeid met het advies van de Raad van State?

De leden van de fracties van de PvdA en D66 zouden ook gaarne inzicht krijgen in de personele en financiële gevolgen die de door de regering voorgestelde maatregelen op het gebied van gegevensverwerving naar verwachting bij de diensten zullen hebben.

5. Garanties voor de bescherming van gegevens

De leden van de CDA-fractie hebben gelezen dat de Raad van State heeft geadviseerd om in artikel 17a, tweede lid, het nemen van adequate maatregelen ter bescherming van de gegevens toe te voegen. Volgens de regering is dat niet nodig omdat er genoeg ervaring is. In de kabinetsreactie op het CBP-advies stelt de regering dat het wetsontwerp op het stuk van de beveiliging van de data geen wijziging aanbrengt in de bestaande toestand. De bezorgdheid van het CBP (dat beducht is voor de grote toename van voorhanden zijnde gegevens en daarin een toenemend gevaar voor de veiligheid van persoonsgegevens ziet) is ongefundeerd omdat er ook na de inwerkingtreding van het huidige voorstel geen manco’s voor de burger blijven.

Het CBP adviseert tenminste achteraf te evalueren of de ingevoerde maatregelen wezenlijk bijdragen aan de verhoging van de doelmatigheid en de efficiency en niet te zeer ten koste gaan van de privacybescherming. Is bij de regering die zegt dat bescherming gegevens niet nodig is, omdat er genoeg ervaring is de wens niet te zeer de vader van de gedachte, zo vragen de leden van de CDA-fractie? Per slot van rekening zijn er in het verleden in dit opzicht tal van ongelukkige incidenten voorgevallen, zoals bijvoorbeeld bleek bij het verlies van diskettes door een medewerker van de RID Rotterdam-Rijnmond. Die diskettes bleken onder meer informatie te bevatten over wijlen de heer Fortuyn, maar ook over andere zaken die van belang waren voor de integriteit van het openbaar bestuur. Destijds ontstond discussie over de vraag wie nu precies de verantwoordelijkheid droeg voor (het inwinnen van) de informatie. De AIVD was van mening dat de informatie niet was ingewonnen op basis van een expliciet verzoek van de AIVD, terwijl het korps de mening was toegedaan dat de informatie van belang was voor de AIVD, binnen zijn taakvelden viel en aldus onder verantwoordelijkheid van de AIVD was ingewonnen.

Mede in verband hiermee brengen de leden van de CDA-fractie het volgende punt naar voren: Als niet alleen in de praktijk, maar zelfs in de theorie over de aard van de te verzamelen gegevens en de wijze waarop die verzameling gestalte dient te krijgen tal van verschillen van mening blijken te bestaan, is het dan niet aangewezen om naast/boven de AIVD en de MIVD een Commissie van Advies met «wijze mannen/vrouwen» te plaatsen, aan wie het voornemen tot het opleggen van een verplichting tot het verschaffen van informatie moet worden voorgelegd? Als zodanig functioneert de CTIVD niet, nu die zich hoofdzakelijk beperkt tot toetsingen ex post (en daarover openbare onderzoeksrapporten publiceert). Is de regering bereid dit voorstel over te nemen op een of andere wijze en te incorporeren in de komende voor te hangen AMvB’s, zo vragen de aan het woord zijnde leden?

Ook de leden van de fractie van GroenLinks hebben vragen over de beveiliging van gegevens. In de nota naar aanleiding van het verslag (p. 2–3) wordt ingegaan op de beveiliging van gegevens. De regering noemt hierbij onder meer het Vir en het Vir-bi uit 2005. Zijn het Vir en het Vir-bi thans volledig geïmplementeerd? Geldt dit ook voor de voorschriften bij compromittering van gegevens?

Voorts wordt in de genoemde nota (p. 3–4) gesproken over een «integraal geactualiseerd beveiligingsbeleid binnen de AIVD» dat «thans wordt geïmplementeerd». Is de implementatie inmiddels voltooid? Zo nee, kan de regering aangeven wanneer dit het geval zal zijn? Acht de regering de beveiliging pas toereikend nádat dit beleid is geïmplementeerd? Wat is de stand van de implementatie van aanvullende beveiligingsmaatregelen zoals vermeld in de brief van de regering van 20 december 2006 (zie genoemde nota, p. 4), zo vragen de leden van de fractie van GroenLinks?

6. Aanwijzing van gegevens bij AMvB

De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat de Raad van State opmerkt dat het huidige artikel 28, eerste lid een limitatief/imperatief karakter heeft in die zin dat een verzoek om gegevensverstrekking slechts betrekking kan hebben op bij AMvB aangewezen gegevens. Deze beperking verdwijnt en daarmee rijst het gevaar van inmenging in de uitoefening van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, omdat deze inmenging voor de burgers onvoldoende voorzienbaar en kenbaar zal zijn (art. 8 EVRM).

De regering betoogt in paragraaf 3.2 van de memorie van toelichting waarom de regeling volgens haar toch nodig is. In de kabinetsreactie op het CBP-advies schrijft zij dat ieder optreden van de diensten zijn grondslag dient te vinden in artikel 2 en 13 van de wet en dat daarom fishing expeditions niet voorkomen. Bovendien, de rechtmatigheid van de gegevensverwerking valt onder het toezicht van de CTIVD, aldus de regering.

Volgens de regering is onderzoek op het internet, «een van de belangrijkste middelen om [_] informatie in te winnen». Hosts van websites kunnen verplicht worden de IP-adressen te verschaffen van allen die op die websites zijn beland. Daar lijkt wel degelijk de mogelijkheid tot fishing expeditions geschapen te worden. Hoe kan de regering garanderen dat fishing expeditions, profielonderzoek (p. 13 uit de kabinetsreactie) en function creep (eveneens p. 13), ingeperkt door artikel 12 van de Wiv, niet voor kunnen komen, zo vragen de leden van de CDA-fractie?

Daar komt nog bij, dat verscheidene regionale inlichtingendiensten hun onderzoekingen op het gebied van radicalisering en terrorisme beschouwen als een uitvloeisel van hun taak op het gebied van de openbare orde en als zodanig niet onderworpen aan de Wiv 2002, zodat deze onderzoekingen buiten het bereik van de AIVD blijven. Duidelijke richtlijnen die bepalen wanneer een bepaald onderzoek overgedragen zou moeten worden aan de AIVD ontbreken, als de leden van de CDA-fractie het goed zien. Dit leidt ertoe dat er sprake is van een grijs gebied van activiteiten van sommige regionale inlichtingendiensten op het gebied van onderzoek naar radicalisering. Zie paragraaf 4.6 van het Toezichtsrapport inzake het onderzoek naar de samenwerking tussen de AIVD en de Regionale Inlichtingendiensten resp. de Koninklijke marechaussee van de CTIVD. In dit verband rijst de vraag of het optimisme inzake de legitimiteit van de gegevensbewerking door de AIVD ook na de invoering van het onderhavige wetsontwerp gerechtvaardigd is.

Waarom heeft de regering ervoor gekozen om datgene wat zij thans in een aantal AMvB’s gaat regelen (uitwerking van de plichten tot gegevens verstrekking, welke instanties moeten precies gegevens leveren, hoe omvangrijk is de leveringsplicht en welke kosten zijn daaraan verbonden) niet rechtstreeks in de Wet op te nemen en is de regering niet met de leden van de CDA-fractie eens dat de wijziging van de Wet niet deugdelijk te beoordelen is zonder de inhoud van de AMvB’s te kennen? Is de regering bereid en in staat om de inhoud van de AMvB’s nu reeds (globaal) aan de Kamer ter inzage voor te leggen vóór de verdere behandeling van dit wetsontwerp, teneinde de Eerste Kamer in de gelegenheid te stellen de totale portée van het wetsontwerp beter te kunnen doorgronden?

In haar advies stelt het CBP dat het onduidelijk is welke concrete personen, organen en instellingen onder de informatieplicht vallen die in de wetswijziging wordt voorgesteld, zo merken de leden van de SP-fractie op. Hierdoor is de subsidiariteit van het voorstel niet te beoordelen. In de regeringsreactie wordt in antwoord hierop gewezen op de voorhangprocedure en de rol van AMvB’s die bij verdere invulling van deze vraag een toekomstig antwoord zou moeten geven. Klopt daarmee de observatie van de SP-fractie dat hierdoor op voorhand de subsidiariteit van het wetsvoorstel niet beoordeeld kan worden?

De leden van de fractie van GroenLinks zijn benieuwd of de regering kan toelichten waarom de bestuursorganen, respectievelijk de categorieën instanties en personen zoals bedoeld in artikelen 17a en art. 29a niet in het wetsvoorstel worden opgenoemd? Welke bestuursorganen en categorieën instanties en personen heeft de regering op het oog?

7. Artikel 8 EVRM en artikel 10 Grondwet

De leden van de fractie van het CDA roepen in herinnering dat artikel 8 EVRM een ieder het recht geeft op respect voor zijn privéleven, van zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij Wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid of het economische welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbaren feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten van vrijheden van anderen. De eisen van artikel 8 EVRM houden in dat de regeling van de bevoegdheden is opgenomen in het nationaal recht en dat deze voor de burger voorzienbaar en kenbaar is. De bevoegdheden dienen voldoende precies geformuleerd te zijn en de regeling dient waarborgen te bieden tegen willekeurige inmenging in de persoonlijke levenssfeer. De leden van de CDA-fractie vragen zich af of aan deze vereisten is voldaan nu belangrijke onderdelen van het (raam)wetsontwerp pas bij AMvB kenbaar worden. In eerdere beschouwingen heeft de regering betoogd dat ook regulering in lagere regelgeving, richtlijnen e.d. toereikend is en dat niet noodzakelijk is dat er sprake is van uitputtende regeling in een wet in formele zin. Deze redenering overtuigt de leden van de CDA-fractie niet geheel nu zij de inhoud van de AMvB’s niet kennen. Deze leden de regering een nadere juridische onderbouwing van haar stelling en met name waar zij deze juridisch op baseert?

De leden van de fracties van PvdA en D66 hadden met enig ongenoegen kennis genomen van de uiteenzettingen van de regering over artikel 8 van het EVRM en artikel 10 van de Grondwet. Deze beperkte zich in hoofdzaak tot technische argumenten die de voorgestelde wetswijzigingen volgens de regering juridisch mogelijk zou maken. De conclusie van de beschouwingen (p. 21 van de memorie van toelichting) dat de relevante bepalingen voldoen aan de eisen die uit deze artikelen voortvloeien leek deze leden voorbarig. De eisen die uit de artikelen voortvloeien hebben namelijk allereerst ten doel de rechten van burgers te beschermen en niet om de wetgever een handreiking te geven om deze bescherming te doorbreken. Dat mag slechts al dat in een democratische samenleving noodzakelijk is en niet als dat uit overwegingen van efficiency goed zou uitkomen. Dit was naar eigen zeggen van de regering bij belangrijke onderdelen van het wetsontwerp niet het geval. Deze leden verzochten de regering een en ander nader toe te lichten.

De leden van de GroenLinks-fractie signaleren dat volgens de memorie van toelichting (p. 19) door het wetsvoorstel «(mogelijk) inbreuk wordt gemaakt» op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Betekent dit dat er volgens de regering ook persoonsgegevens kunnen worden verzameld door de diensten zónder dat er sprake is van een inbreuk op artikel 8 EVRM? Kan de regering dit nader toelichten?

Het valt de leden van de GroenLinks-fractie op dat in de memorie van toelichting in het kader van artikel 8 EVRM nauwelijks wordt ingegaan op de eis van proportionaliteit en subsidiariteit. In de reactie van de regering op het advies van het CBP (p. 7) wordt gesteld dat «bij de afweging die voorafging aan de voorgestelde maatregelen de proportionaliteit en de subsidiariteit wel degelijk zijn verdisconteerd». Kan de regering nader toelichten hoe die afweging is gemaakt? Welke criteria speelden bij de afweging een rol?

8. Rapport «Data voor Daadkracht»

De leden van de CDA-fractie signaleren dat in het rapport «Data voor Daadkracht» wordt opgemerkt dat samenwerking tussen de verschillende diensten niet goed verloopt. Is de regering bereid om een (spoed) vervolgopdracht aan dezelfde commissie te geven, teneinde vast te stellen dat de verschillende in het rapport «Data voor Daadkracht» genoemde probleempunten 1) dat er nog steeds te weinig wordt samengewerkt tussen opsporingsdiensten en de inlichtingendiensten; 2) dat er geen systematiek is voor het inwinnen van gegevens uit externe databestanden door inlichtingen en veiligheidsdiensten; 3) dat het informatievergaringsproces te weinig samenhangend is, onvoldoende effectief is en geen doelmatigheidstoest bevat; 4) dat er geen overzicht is van relevante wetgeving; 5) dat het gebruik van datawinning technieken nog onvoldoende ontwikkeld is om op grote schaal toe te passen, verregaand verbeterd dan wel opgelost zijn en met verdere behandeling dus te wachten op de uitkomst daarvan?

De adviescommissie informatiestromen veiligheid heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geadviseerd een overzicht op te stellen van alle wet- en regelgeving die van toepassing is op het inwinnen van gegevens uit externe databestanden. In haar reactie zegt de minister dat een en ander nader aan de orde zal komen in de opnieuw vast te stellen visie op privacy en veiligheid. De leden van de CDA-fractie zijn benieuwd wanneer deze visie te verwachten is en of die aan de Eerste Kamer kan geworden voor de afronding van de behandeling van dit wetsontwerp, zodat die daarbij betrokken kan worden?

De bovengenoemde commissie bepleit ook een publieke discussie over de balans tussen privacy en veiligheid voor te bereiden. Op 30 augustus 2007 zegt de Regering dat dit traject momenteel wordt uitgewerkt. Is de uitwerking gereed en voor de Kamer beschikbaar, zo vragen de leden van de CDA-fractie? En wanneer is die publieke discussie te verwachten en hoe ziet de regering die voor zich?

In een kritisch interview in de Staatscourant van 26 september 2007 stelt de voorzitter van de commissie, Henk Bosma, dat de minister zich in haar reactie op het Rapport «Data voor Daadkracht» vergist, dat de commissie pleit voor centralisatie van de informatie inwinning en uitwisseling. De commissie bepleit, aldus Bosma, het volgende: «Wij willen betere informatie uitwisseling centraal afdwingen door er een strategie op te zetten, maar pleiten niet voor centralisering van bevoegdheden en verantwoordelijkheden... Mijn gevoel is eigenlijk dat Binnenlandse Zaken het maar een vervelend rapport vindt dat met gezwinde spoed in een la wordt gelegd in de hoop dat het er nooit meer uitkomt. Ik mis bij de minister een gevoel van urgentie. In de commissie zaten allemaal mensen die verstand hebben van de omgang met grote databestanden. Wij staan achter onze conclusies en kunnen dat goed onderbouwen. De minister zou op zijn minst met ons in discussie moeten gaan». De leden van de CDA-fractie willen graag weten of de regering deze handschoen heeft opgepakt en zo ja wat daar is uitgekomen? Kan de regering gedetailleerd aangeven met welke aanbevelingen van de commissie er ondertussen wat gedaan is met name in het licht van de voorstellen van de commissie voor een vervolgaanpak? Komt die vervolgaanpak er?

9. Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten (CTIVD)

De regering verwijst in haar beantwoording van kritiekpunten geregeld in de behandeling op het feit dat er een CTIVD bestaat en dat er derhalve – kort weergegeven – de vrees niet gerechtvaardigd is dat inlichtingendiensten buiten hun boekje zullen treden. De leden van de CDA-fractie zijn benieuwd of de regering kan aangeven in hoeveel procent van alle onderzoeken/operaties van de AIVD/MIVD per jaar gemiddeld de Commissie van Toezicht onderzoek en rapportage doet (gaarne overzicht per jaar sedert 2002) en dus of deze onderzoeken van de CTIVD representatief zijn voor wat er zoal bij de inlichtingen- en veiligheidsdiensten voorvalt?

De leden van de fractie van PvdA en D66 delen de opvatting van de regering dat de nieuwe toezichthouder, die in de Wiv 2002 is geïntroduceerd een belangrijke aanwinst is gebleken. In dit verband zouden zij graag van de regering vernemen of de toezichthouder, in verband met de voortdurende toename van zijn werkzaamheden, voldoende armslag heeft om al het werk dat op hem toekomt, naar eigen opvatting goed te verrichten.

10. Telefoontaps

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering kan garanderen dat bij het aftappen van telefoonnummers, waarbij het de diensten toegestaan wordt gebruik te maken van scanapparatuur (imsicatcher), dat de daarbij eventueel ontvangen gegevens die geen betrekking hebben op het nummer terstond zullen worden vernietigd? (Zeker nu hiervoor tussen advocatuur en Openbaar Ministerie in de afgelopen jaren zoveel discussie is en het Openbaar Ministerie zich structureel niet aan de wettelijke bepalingen van directe vernietiging van tap(verslagen) blijkt te houden).

De leden van de SP-fractie wijzen op een artikel in NRC Next van 29 mei 2008 waarin gesteld wordt dat de politie in Nederland dagelijks met bijna evenveel (1681) telefoongesprekken meeluistert als in de VS gebeurt in een heel jaar (2208). Kan de regering een verklaring geven voor dit naar verhouding hoge aantal? En hoe beantwoordt de regering in het licht van deze gegevens de vraag naar de proportionaliteit van een verdere uitbreiding van de bevoegdheden van de Nederlandse veiligheids- en inlichtingendiensten? Kan de regering, mede in licht van bovenstaande gegevens over het aantal telefoontaps en de twijfels die op dit thema worden geuit door het CBP, aangeven in hoeverre de huidige bevoegdheden ontoereikend zijn, zo vragen deze leden.

11. Grensoverschrijdende aspecten aan het werk van de diensten

Op 18 oktober 2007 organiseerde de CTIVD een bijeenkomst over de juridische aspecten van inlichtingenactiviteiten in het buitenland. Daar werd geconstateerd dat de Wiv 2002 niet buiten het Nederlandse territoir geldt en nergens in de wet het verrichten van inlichtingenactiviteiten in andere landen wordt genoemd. Ook het internationale recht en de internationaal rechtelijk literatuur/doctrine bieden weinig aanknopingspunten voor een grondslag van inlichtingenactiviteiten in het buitenland. De wet voorziet wel in een buitenlandtaak voor beide inlichtingen- en veilighiedsdiensten te weten het verrichten van onderzoek naar andere landen. Dit leidde bij de leden van de CDA-fractie tot de volgende vraag: Worden er inlichtingenactiviteiten in het buitenland verricht en welke rechtsregels gelden daarvoor?

Tijdens de bovengenoemde bijeenkomst is in het kader van het ontbreken van aanknopingspunten in het internationale recht het raadzaam bevonden de mogelijkheden te bezien (ten aanzien van inlichtingenactiviteiten in een ander land) op internationaal niveau, bijvoorbeeld een code of conduct op te stellen zo nodig enkel ten aanzien van deelonderwerpen (bijvoorbeeld de inzet van agenten in het buitenland). Wat vindt de regering van deze suggestie, zo vragen de leden van de CDA-fractie zich af. Is de regering bereid in het verlengde van het bovenstaande een nationale openbare richtlijn ten aanzien van dergelijke activiteiten (in een ander land) op te stellen, in het kader van of gebaseerd op de Wiv 2002?

Ook de leden van de VVD-fractie hebben vragen naar aanleiding van de bijeenkomst op 18 oktober 2007 die de CTIVD organiseerde over de juridische aspecten van inlichtingenactiviteiten in het buitenland. Bij deze bijeenkomst stonden de volgende vragen centraal:

1. Wat is de juridische grondslag van inlichtingenactiviteiten in het buitenland verricht door de Nederlandse inlichtingen – en veiligheidsdiensten?

2. Welke juridische voorwaarden, al dan niet ontleend aan de Wiv 2002, dienen aan deze activiteiten in het buitenland te worden gesteld?

3. Welke regels gelden voor de MIVD in operatiegebieden, acht slaande op enerzijds het mandaat en daaruit voortvloeiende regelgeving en anderzijds de Wiv 2002? Moet in dit verband onderscheid worden gemaakt tussen strategische (politieke) en tactische inlichtingen?

4. Wat is het juridisch kader voor inlichtingenactiviteiten van niet MIVD onderdelen van het defensieapparaat in een operatiegebied (b.v. ISTAR)? Beïnvloedt dit het juridische kader waarbinnen de MIVD werkzaam is en vice versa ?

Uit het verslag van deze bijeenkomst blijkt dat er tijdens de discussies verschillende invalshoeken en meningen bestonden over het juiste antwoord op deze belangrijke vragen. De leden van de VVD-fractie willen graag weten of de regering inmiddels antwoorden op deze vragen heeft gevonden en zo ja wat deze antwoorden zijn.

In juni 2006 heeft de Commissie Dessens het rapport «Kwaliteit, capaciteit en samenwerking» uitgebracht. Volgens de Commissie Dessens geldt ten aanzien van de MIVD dat de bevoegdheden, die op basis van het mandaat en de bijbehorende «Rules of Engagement» in een operatiegebied buiten het Koninkrijk worden toegekend, verder kunnen gaan dat de bevoegdheden genoemd in de Wiv 2002, bijvoorbeeld wanneer het mandaat spreekt van «by all necessary means». Het mandaat zet in die optiek dus de Wiv 2002 opzij. De leden van de CDA-fractie willen graag weten of de regering deze opvatting deelt? Is de regering het eens met de stelling dat in de gevallen dat het mandaat en de Wiv 2002 met elkaar botsen een duidelijke keuze moet worden gemaakt voor één van de twee? Indien de regering van mening is dat er een buitenlandtaak is voor beide inlichtingen- en veiligheidsdiensten, waarvoor tekent dan de minister van Buitenlandse Zaken dit wetsvoorstel niet mee?

In het verlengde van het voorgaande zouden de leden van de CDA-fractie willen weten of de medewerkers van beide diensten ook in het buitenland een valse hoedanigheid mogen aannemen? Mogen beide diensten in het buitenland rechtspersonen oprichten naar het recht van het land van vestiging of Nederlandse rechtspersonen oprichten en daarvan de zetel verplaatsen naar het buitenland met het oog op het verrichten van inlichtingenwerk daar? Mogen deze rechtspersonen en/of onder valse hoedanigheid opererende medewerkers ook daar strafbare feiten plegen? Hoe ziet de regering de internationaalrechtelijke grondslag voor dergelijke activiteiten?

In een operatiegebied zijn behalve de MIVD ook onderdelen van de krijgsmacht belast met inlichtingenvergaring. Het 103 ISTAR bataljon van de landmacht is hiervan het bekendste voorbeeld, maar ook de luchtmacht en de marine hebben hun eigen inlichtingeneenheden. De leden van de CDA-fractie vragen zich af waarom deze niet zijn opgenomen in de Wiv 2002? Is de Regering het met de aan het woord zijnde leden eens dat een uniform juridische kader voor alle inlichtingenonderdelen gewenst is. Zo niet, waarom niet, zeker gezien de vervlechting tussen inlichtingenactiviteiten van de MIVD en de eenheden van de krijgsmachtdelen? Zou een mogelijkheid zijn dat de MIVD de andere inlichtingenonderdelen zou aansturen aan de hand van een juridisch kader dat naar analogie van de Wiv 2002 wordt ontworpen? De leden van de CDA-fractie wachten met belangstelling de antwoorden van de regering af.

In dit digitale tijdperk is het heel goed mogelijk dat in Nederland opererende aanbieders van commerciële telecommunicatie-, financiële- en transportdiensten, hun gegevens geheel of gedeeltelijk opslaan in servers die in het buitenland staan. In hoeverre is de Nederlandse wetgeving ter beveiliging van gegevens, zoals de Wet bescherming persoonsgegevens, op deze gegevensopslag van toepassing indien de servers waarop de gegevens zijn opgeslagen feitelijk in het buitenland staan, zo vragen de leden van de VVD-fractie? Zelfs als het gaat om een Nederlandse «verstrekker» die als specifiek verantwoordelijke is aangewezen in de zin van de Wbp, is het de facto toch vrijwel onmogelijk om de juistheid van de gegevens (audit op juistheidverplichting) en de technische en organisatorische maatregelen ter beveiliging van de gegevens te controleren.

De leden van de VVD-fractie vragen voorts hoe te voorkomen is dat inlichtingendiensten van het buitenland waarin de gegevensopslag feitelijk plaatsvindt, de door de Nederlandse diensten gewenste inlichtingen kunnen opvragen, volgen en in kaart brengen met alle ongewenste operationele gevolgen van dien? Is het mogelijk om deze aanbieders te verplichten hun verzamelde gegevens over Nederlandse burgers op te slaan in servers die in Nederland staan, zo willen de leden aan het woord zijn de leden graag weten.

De Wiv 2002 geldt niet in het buitenland, aldus de leden van de VVD-fractie. Het is een nationale wet, waarin geen expliciet extraterritorialiteitsbeginsel is opgenomen. De wet voorziet echter wel in een buitenlandtaak zowel voor de AIVD (artikel 6, 2e lid onder d) als voor de MIVD (artikel 7, 2e lid onder e).

12. Hoofdstuk 3a: bijzondere bevoegdheden niet betrekking hebbend op informatievergaring:

Zien de leden van de CDA-fractie het juist dat door dit wetsvoorstel het ook mogelijk wordt om ter voorbereiding op operationele activiteiten rechtspersonen op te richten en/of in te zetten zowel in het binnen als het buitenland? Is het juist dat het zelf handelend optreden niet langer als ultimum remedium wordt gezien en de bevoegdheid niet langer wordt gekoppeld aan de inzet van een agent maar wordt neergelegd bij de diensten als zodanig en dat deze bevoegdheid het begaan van strafbare feiten met zich mee kan brengen? Is de regering het met de leden van de CDA-fractie eens dat in het kader van «checks and balances» in deze gevallen een verzwaarde toestemmingsprocedure gevolgd zou moeten worden bijvoorbeeld door vooraf hierbij een (externe) advies- en begeleidingscommissie met wijze mannen/vrouwen te betrekken, zoals hierboven reeds gesuggereerd teneinde een uitholling van fundamentele beginselen van onze rechtsstaat te voorkomen? Is deze commissie van wijze mannen/vrouwen ook niet gewenst om de doelmatigheid en proportionaliteit van de voorgenomen handelingen van de AIVD/MIVD vooraf te toetsen? De CTIVD kan het toezicht dan natuurlijk achteraf blijven doen.

13. Artikel 12a

De leden van de fractie van GroenLinks merken op dat in de memorie van toelichting (p. 3) wordt gesteld dat «is vastgesteld dat in een aantal situaties de Wiv 2002 [...] onvoldoende expliciet is waar het gaat om [...] de gegevensverwerking zoals data-analyse. [...] Een aanpassing en aanvulling van de wettelijke regeling met betrekking tot deze en enkele andere onderwerpen zou wezenlijk kunnen bijdragen aan een effectiever en efficiënter functioneren van de diensten.» Kan de regering toelichten op welke wijze de explicitering van de data-analyse in artikel 12a bijdraagt aan een effectiever en efficiënter functioneren van de diensten? En verwacht de regering dat de diensten data-analyse vaker zullen toepassen indien deze expliciet in de wet is geregeld?

In art. 12 a lid onder (b) wordt gesproken over het doorzoeken van gegevens «aan de hand van profielen». De leden van de fractie van Groen Links vragen de regering toe te lichten wat bedoeld wordt met «profielen». In art. 12a lid 2 onder (c) wordt verder gesproken over het vergelijken van gegevens «met het oog op het opsporen van bepaalde patronen». Kan de regering voorbeelden noemen van «bepaalde patronen», zo vragen de aan het woord zijnde leden?

Uit de schriftelijke en mondelinge toelichting bij het wetsontwerp maakten de leden van PvdA en D66 op – zoals ook in het rapport «Data voor daadkracht» wordt aangegeven – de diensten thans reeds volledige databanken «binnenhalen». Deze leden zouden graag een nadere toelichting op de huidige stand van zaken ontvangen. Welke databanken van andere instanties worden thans reeds systematisch door de diensten onderzocht, en gebeurt dit met toestemming van de eigenaren van deze databanken? Heeft de betrokken minister voor het gebruik van de databanken door de diensten toestemming gegeven? Zijn de personen wier gegevens in die databanken zijn opgeslagen hiervan door de beheerders op de hoogte gesteld? Wat is het oordeel van de toezichthouder op de diensten over deze praktijk? Is publiekelijk bekend gemaakt dat deze databanken toegankelijk zijn voor de diensten, dit in verband met de wenselijkheid, dan wel noodzaak van kenbaarheid die in het wetsontwerp worden onderstreept?

14. Artikel 21

De leden van de fracties van PvdA en D66 wilden over de voorstellen die beogen maatregelen te bevorderen of te treffen ter bescherming van door de diensten te behartigen belangen, het volgende opmerken. Het kwam deze leden voor dat de aanbevelingen van de Commissie bestuurlijke evaluatie AIVD op een adequate wijze in het wetsvoorstel zijn verwerkt. Voor wat betreft de mogelijkheid dat bij het bevorderen of treffen van maatregelen strafbare feiten worden gepleegd, zoals ook voor het optreden van agenten al in de huidige Wiv (artikel 21) is voorzien, zouden deze leden het op prijs stellen van de regering te vernemen hoe in de praktijk met wetsovertredingen wordt omgegaan. Worden deze altijd gemeld aan de Commissie van Toezicht en/of aan de minister?

15. Overig

De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister gedetailleerd kan aangeven wat er met de aanbevelingen van de Commissie Bestuurlijke Evaluatie Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van november 2004 is gebeurd.

Het was de leden van de fracties van de PvdA en D66overigens niet geheel duidelijk waarom al de bevoegdheden op het gebied van gegevensverwerking zowel aan de AIVD als aan de MIVD zouden moeten worden toegekend. Heeft de regering nog overwogen de gevraagde bevoegdheden bijvoorbeeld alleen aan de AIVD te geven en deze dienst in voorkomend geval de MID te laten bijstaan? Is hier niet sprake van dubbel werk?

De leden van de fractie van GroenLinks merken op dat in het wetsvoorstel de koppeling tussen de toestemming van de minister voor het doorzoeken van woningen en de machtiging los wordt gelaten. Dat houdt in dat de machtiging (met een geldigheidsduur van drie dagen) kan worden afgegeven gedurende de periode van drie maanden dat de toestemming van de minister geldt. Betekent dit dat er meer dan één keer een machtiging kan worden afgegeven binnen deze drie maanden? Met andere woorden, kan dezelfde woning meerdere malen worden doorzocht met één toestemming van de minister, zo vragen deze leden?

In de kabinetsreactie van de regering op het advies van het CBP (p. 6) lezen de leden van de fractie van GroenLinks dat de informatie die vrijwillig wordt verstrekt niet altijd volledig is. Is dit in de praktijk gebleken? Zo ja, in hoeveel gevallen? Kan de regering toelichten op welke wijze de verplichting tot gegevensvertrekking ervoor zal zorgen dat de betreffende gegevens volledig zijn?

Tot slot vragen deze leden of de regering ervan uitgaat dat de aanpassingen ertoe zullen leiden dat er door de diensten méér gegevens zullen worden verzameld dan zonder de aanpassingen het geval zou zijn? Zo ja, kan de regering de toename kwantificeren en gaat de regering ervan uit dat voor het verzamelen en verwerken van de gegevens personele uitbreiding bij de diensten nodig zal zijn?

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis der Koningin,

Hermans

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de Hoge Colleges van Staat/Algemene Zaken en Huis der Koningin,

Hester Menninga


XNoot
1

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Meindertsma (PvdA), Bemelmans-Videc (CDA), Dölle (CDA), Ten Hoeve (OSF), Kox (SP), Russell (CDA), Noten (PvdA), Putters (PvdA) (vice-voorzitter), Engels (D66), Thissen (GL), Hendrikx (CDA), Van Kappen (VVD), De Boer (CU), Quik-Schuijt (SP), K. G. de Vries (PvdA), Schaap (VVD), Hermans (VVD) (voorzitter), Ten Horn (SP), De Vries-Leggedoor (CDA), Koffeman (PvdD), Böhler (GroenLinks), Lagerwerf-Vergunst (CU), Rehwinkel (PvdA), Duthler (VVD), Vliegenthart (SP) en Yildirim (Fractie-Yildirim).