E
VERSLAG VAN EEN MONDELING OVERLEG
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport/Jeugd en Gezin
van de Eerste Kamer1 heeft op 24 juni 2008
overleg gevoerd met minister Klink van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de Wet publieke gezondheid (31 316).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
De heer Leunissen (CDA) zegt de Wet publieke
gezondheid een goede wet te vinden, mede omdat die het mogelijk maakt dat
bij uitbraak van infectieziekten er onder aansturing van de WHO een betere
internationale afstemming zal zijn. Het enige probleem dat de commissie constateert,
is gelegen in het bepaalde in artikel 5 waarmee een digitaliseringsplicht
is opgenomen. Die digitaliseringsplicht zal de invoering van het EKD (elektronisch
kindossier) vergemakkelijken, maar over het EKD wil de Eerste Kamer apart
debatteren. De commissie stelt daarom voor om artikel 5 van de wet niet eerder
in werking te laten treden dan nadat de basiswet EKD is aanvaard.
De heer Leunissen wijst erop dat het digitaliseren van gegevens de informatie-uitwisseling
wezenlijk zal veranderen. Als nu een patiënt naar een andere behandelaar
gaat, gaat niet het volledige dossier mee. De nieuwe behandelaar ziet slechts
de verwijzingsbrief met de relevante gegevens voor de behandeling. Bij digitalisering
krijgt de medebehandelaar de beschikking over alle gegevens van de patiënt.
Ook de Raad van State wijst erop dat de digitalisering lijkt op de vorming
van een EPD.
Mevrouw Dupuis (VVD) vult aan dat mede vanwege
het feit dat de Wet publieke gezondheid een goede wet is, de behandeling ervan
niet belast zou moeten worden met de voorloper van het EKD. Daarover wil de
Eerste Kamer nadrukkelijk apart debatteren. Bovendien gaat het bij deze wet
om uitbreiding van de mogelijkheid van optreden in geval van een uitbraak
bij infectieziekten en niet om het regelen van kwesties die verband houden
met de jeugdgezondheidszorg. Het is dus vreemd dat juist in deze wet voor
de jeugdgezondheidszorg een dwingende plicht wordt opgenomen.
Zij wijst er voorts op dat met het digitaal vastleggen van gegevens op
het gebied van de jeugdgezondheid veel privacygegevens beschikbaar
komen voor anderen. Nu al moeten alle ouders die met hun kinderen bij het
consultatiebureau komen antwoord geven op vragen als: ben je in je jeugd geslagen,
heeft je vader je verkracht, heb je te weinig te eten gehad et cetera. Daarbij
dient men in aanmerking te nemen dat bij 90% van de gezinnen de opvoeding
goed verloopt en dergelijke vragen dus eigenlijk geen zin hebben. Er is bovendien
het gevaar dat gegevens verkeerd worden ingevoerd en dat zij voor anderen
dan de betrokken behandelaar bereikbaar zijn. Als digitalisering al aan de
orde is, dan moet die daarom met de nodige waarborgen worden omgeven.
Mevrouw Meurs (PvdA) vraagt zich af wat precies
het doel is van opneming van artikel 5. Als de minister daarmee beoogt om
alle bestaande gegevens digitaal op te nemen, rijst de vraag waarom dat uitgerekend
met deze wet moet worden geregeld. Daarover kan ook zonder wettelijke bepaling
een afspraak worden gemaakt. Juist het feit dat hiervoor een wettelijke bepaling
wordt opgenomen, doet vermoeden dat dit artikel de eerste stap is op de weg
van de vorming van een EKD en op de discussie daarover wil de Eerste Kamer
niet vooruitlopen.
De heer Van de Beeten (CDA) vraagt zich ook
af wat de dwingende noodzaak kan zijn om de bepaling van verplichte digitalisering
in deze wet op te nemen. Is de minister bereid om toe te zeggen dat deze bepaling
niet in werking treedt totdat de basiswet voor het EKD er is? Is hij niet
van mening dat de digitaliseringsplicht met de nodige waarborgen omgeven moet
zijn?
Mevrouw Ten Horn (SP) wil weten waarom juist
de digitaliseringsplicht voor deze sector van de volksgezondheid zou moeten
gelden.
Mevrouw Swenker (VVD) concludeert dat de vraag
beantwoord moet worden hoe wordt voorkomen dat de gedigitaliseerde gegevens
beschikbaar komen voor derden.
De minister zegt dat de jeugdzorg onderdeel
is van de publieke gezondheid en dat daarom deze bepaling is opgenomen. Hij
wijst erop dat het bij deze digitaliseringsplicht enkel en alleen gaat om
het digitaal opslaan van gegevens zonder dat die voor een breed publiek toegankelijk
zijn. Alleen mensen die BIG-geregistreerd zijn of een behandelrelatie met
het kind hebben, zouden van de gegevens gebruik kunnen maken.
Dat digitaal opslaan van gegevens brengt allerlei voordelen met zich mee.
Digitaal kan men namelijk gemakkelijker informatie uitwisselen en er gaat
minder informatie verloren. De minister erkent dat de digitaliseringsplicht
met de nodige waarborgen omgeven moet zijn. Op zijn minst moeten daarvoor
de voorwaarden gelden die voor het traditioneel opslaan van gegevens gelden.
Hij zal nagaan of hiervoor nog bepalingen moeten worden opgenomen.
De minister merkt verder op dat de digitaliseringsplicht niet een dwingende
stap is in de richting van het EKD en dus niet van invloed kan zijn op het
al dan niet invoeren van het EKD. Hij erkent wel dat de digitaliseringsplicht
de basis kan leggen voor het EKD, maar een eerste stap hoeft niet vervolgstappen
met zich mee te brengen. De digitaliseringsplicht wil dus niet zeggen dat
er ook een EKD komt. Het gaat nu slechts om het omzetten van een papieren
dossier in een digitaal dossier, terwijl voor dat digitale dossier dezelfde
waarborgen gelden als voor het papieren dossier.
De voorzitter zegt dat als de antwoorden op
alle vragen van de commissie voor het weekeinde worden ontvangen, de commissie
de volgende week zal beslissen of het wetsvoorstel nog op 7 en 8 juni
plenair kan worden behandeld. Daarbij zal de kwaliteit van de
beantwoording bepalend zijn.
Zij merkt voorts op dat de leden vorige week hun vragen voor de behandeling
van het Wetsvoorstel bestuurlijk handhaving hebben ingeleverd. Het ministerie
liet echter weten dat het niet mogelijk is om de schriftelijke vragen voor
het reces te beantwoorden. Dit verbaast de leden omdat is aangedrongen op
spoed bij de behandeling van dit wetsvoorstel.
De minister zegt ook verbaasd te zijn over
dit antwoord van het ministerie. Hij zal de leden hierover nog nader berichten.
De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn
en Sport/Jeugd en Gezin,
Slagter-Roukema
De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn
en Sport/Jeugd en Gezin,
De Boer
XNoot
1Samenstelling:
Werner (CDA), Van den Berg (SGP), Dupuis (VVD), vice-voorzitter, Rosenthal
(VVD), Swenker (VVD), Tan (PvdA), Van de Beeten (CDA), Slagter-Roukema (SP),
voorzitter, Linthorst (PvdA), Biermans (VVD), Putters (PvdA), Leijnse (PvdA),
Engels (D66), Thissen (GL), Goyert (CDA), Peters (SP), Quik-Schuijt (SP),
Klein Breteler (CDA), Huijbregts-Schiedon (VVD), Laurier (GL), Ten Horn (SP),
Meurs (PvdA), Leunissen (CDA), De Vries-Leggedoor (CDA), Koffeman (PvdD),
Kuiper (CU), Lagerwerf-Vergunst (CU), De Boer (CU) en Yildirim (Fractie-Yildirim).