D
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR VOLKSGEZONDHEID,
WELZIJN EN SPORT/JEUGD EN GEZIN1
De memorie van antwoord heeft de commissie aanleiding gegeven tot het
maken van de volgende opmerkingen.
Inleiding
De leden van de vaste commissie behouden na
kennisneming van de memorie van antwoord ernstige bezwaren tegen het feit
dat in het wetsvoorstel impliciet de mogelijkheid wordt gecreëerd voor
een elektronisch kinddossier (EKD).
De leden van de PvdA-fractie stellen daarnaast
nog een aanvullende vraag over de positie van de voorzitter van de veiligheidsregio.
Verplichte digitalisering van de Jeugdgezondheidszorg
en het elektronisch kinddossier (EKD)
De leden van de vaste commissie waren niet
overtuigd door het antwoord op de vragen inzake de digitaliseringsplicht,
neergelegd in artikel 5 van het wetsvoorstel. Afgezien van verschillende meer
algemeen-inhoudelijke vragen die reeds bij de voorgestelde verplichting kunnen
rijzen, zijn de leden van de commissie van mening dat de aard van de digitale
gegevensvastlegging ten minste meebrengt dat over de uit die aard voortvloeiende
voorwaarden nader beraad nodig is. De omstandigheid dat de wet thans daaromtrent
nog geen waarborgen bevat anders dan die als beschreven in de memorie van
antwoord, en derhalve aan de mogelijkheid tot digitalisering thans niet meer
of andere voorwaarden worden gesteld dan het geval is bij papieren dossiers,
doet aan de wenselijkheid van dat nader beraad niet af; integendeel: alvorens
toepassing van digitalisering in de praktijk nog verder voortschrijdt, is
juist overweging van daaraan te stellen voorwaarden noodzakelijk en urgent.
Ook de omstandigheid dat in de praktijk technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen
worden toegepast, is evenzeer een reden om de digitaliseringsplicht pas in
te voeren nadat een basiswet voor het EKD – in welke vorm dat dan ook
zou worden ingevoerd – door de wetgever is vastgesteld en in werking
is getreden. Het feit dat de praktijk dergelijke maatregelen noodzakelijk
acht, illustreert eens te meer het grote belang ervan dat voor het treffen
van zulke (of andere) beveiligingsmaatregelen een wettelijke verplichting
in een basiswet wordt geschapen. De «nadere eisen» die volgens
de memorie van antwoord krachtens artikel 5, derde lid, kunnen worden gesteld,
behoren eveneens als belangrijke materiële normen in een basiswet thuis.
De commissie verzoekt de minister dan ook met klem om toe te zeggen artikel
5 van het wetsvoorstel niet eerder in werking te laten treden dan nadat een
basiswet als hiervoor bedoeld in werking zal zijn getreden.
Positie van de voorzitter van de veiligheidsregio
De leden van de PvdA-fractie maken in aansluiting
op het voorgaande nog de volgende opmerkingen. Zij hebben met belangtelling
en instemming kennis genomen van de antwoorden van de minister op haar vragen
inzake de Wet publieke gezondheid. Nogmaals willen de leden van de PvdA-fractie
beklemtonen dat zij veel waarde hecht aan deze nieuwe wet en aan de verbeteringen
die deze wet zal opleveren ten opzichte van de bestaande situatie. Deze leden
realiseren zich terdege dat met deze wet wordt voldaan aan de door de Wereldgezondheidsorganisatie
aangenomen Internationale Gezondheidsregeling (IGR) en dat Nederland een van
de laatste landen is die deze richtlijn vertaalt in nationale wetgeving. Deze
leden willen het proces van wetgeving niet vertragen maar achten een zorgvuldige
behandeling en afweging van groot belang. In dat verband vinden de leden van
de PvdA-fractie de antwoorden van de regering op de vragen over het burgerservicenummer
(BSN) verhelderend en afdoende. Ook ten aanzien van de vragen over de verdeling
van bevoegdheden in het geval van een crisis tussen burgemeester, voorzitter
veiligheidsregio en minister, zijn de antwoorden eenduidig. Wat de positie
van de voorzitter van de veiligheidsregio betreft, hebben deze leden nog een
aanvullende vraag. Het is duidelijk dat in de memorie van toelichting op de
Wet publieke gezondheid wordt vooruitgelopen op de toekomstige situatie als
de Wet op de veiligheidsregio’s is aangenomen. In haar antwoord schetst
de regering de mogelijk toekomstige verhouding tussen de twee wetten. Daarin
wordt gesteld dat de burgemeesters op grond van de Wet publieke gezondheid
vergaande bevoegdheden hebben en zullen houden maar dat ten aanzien van de
infectieziekten behorend tot groep A de bevoegdheden van de burgemeester komen
te berusten bij de voorzitter van de veiligheidsregio. Via de Aanpassingwet
veiligheidsregio’s zal dit worden geregeld. In de brief van de VNG van
18 juni1 aan de vaste commissie VWS/JenG
van de Eerste Kamer wordt de relatie met de veiligheidsregio’s echter
anders uitgelegd. Daarin wordt gesteld dat de bestrijding van alle infectieziekten –
dus ook de A-ziekten – een burgemeesterstaak moet blijven, tot het moment
dat vanwege de betrokkenheid van meerdere sectoren bij de oplossing van een
crisis, de taak aan de veiligheidsregio wordt overgedragen. Kan de regering
reageren op deze uitleg van de VNG? Hoe verhoudt de stellingname van de VNG
zich met de uitspraak van de regering dat de bevoegdheden van de burgemeester
bij de bestrijding van infectieziekten behorend bij groep A straks komen te
berusten bij de voorzitter van de veiligheidsregio? Deze leden vragen om deze
nadere verheldering omdat zij met de regering van oordeel zijn dat in het
geval van een uitbraak van een epidemie, de verdeling van bevoegdheden volstrekt
helder moet zijn en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar.
De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn
en Sport/Jeugd en Gezin,
Slagter-Roukema
De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn
en Sport/Jeugd en Gezin,
Warmolt de Boer
XNoot
1Samenstelling:
Werner (CDA), Van den Berg (SGP), Dupuis (VVD) (vice-voorzitter), Rosenthal
(VVD), Swenker (VVD), Tan (PvdA), Van de Beeten (CDA), Slagter-Roukema (SP)
(voorzitter), Linthorst (PvdA), Biermans (VVD), Putters (PvdA), Leijnse (PvdA),
Engels (D66), Thissen (GL), Goyert (CDA), Peters (SP), Quik-Schuijt (SP),
Klein Breteler (CDA), Huijbregts-Schiedon (VVD), Laurier (GL), Ten Horn (SP),
Meurs (PvdA), Leunissen (CDA), De Vries-Leggedoor (CDA), Koffeman (PvdD),
Kuiper (CU), Lagerwerf-Vergunst (CU), De Boer (CU) en Yildirim (Fractie-Yildirim).
XNoot
1Kenmerk: BAOZW/U200800995.