C
MEMORIE VAN ANTWOORD
Met belangstelling heeft de regering kennis genomen van het voorlopig
verslag d.d. 18 maart 2008 naar aanleiding van het voorbereidend onderzoek
van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De leden van de VVD-fractie merken op dat zij erkennen dat de uitspraak
van de Centrale Raad van Beroep terzake noodzaakt tot een wijziging van de
Wet werk en bijstand (WWB), maar zij zijn van mening dat de hiertoe in het
wetvoorstel gekozen oplossing niet de juiste is. Zij geven aan dat het recht
op langdurig verblijf in het buitenland, zoals dat in beginsel gold voor 57,5
en oudere bijstandsgerechtigden, met dit wetsvoorstel wordt verruimd en gaat
gelden voor iedereen die een ontheffing heeft van de sollicitatie- en de re-integratieplicht.
De leden van de VVD-fractie wijzen er in dit verband op dat volgens de
behandeling in de Tweede Kamer ongeveer 25% van alle bijstandsgerechtigden
deze vrijstelling heeft.
Gezien deze grote groep die het betreft, rijst bij genoemde leden de vraag
of gemeenten nog wel steeds een individuele afweging zullen maken ten aanzien
van de persoon die het betreft en daarop bijvoorbeeld beleid zullen gaan voeren,
hetgeen weer tot precedentwerking kan leiden. De leden van de VVD-fractie
zijn van mening dat juist bij de huidige economische situatie met talloze
vacatures steeds opnieuw zou moeten worden bezien in hoeverre bijstandsgerechtigden
toch niet kunnen worden gere-integreerd en naar voor hen passend werk kunnen
worden geleid.
In reactie hierop antwoordt de regering dat het genoemde percentage van
25% betrekking heeft op het aantal situaties waarin sprake is van een
ontheffing van de sollicitatieplicht, en niet doelt op de situatie waarin
bijstandsgerechtigden zowel van de sollicitatieplicht als de reïntegratieplicht zijn ontheven. De regering
beschikt niet over specifieke gegevens inzake de omvang en samenstelling van
de groep bijstandsgerechtigden die «dubbel», dus van zowel de
sollicitatieplicht als de reïntegratieplicht, zijn ontheven. Het ontbreken
van deze gegevens houdt verband met het feit dat bij het inwerkingtreden van
de WWB uitdrukkelijk is gekozen voor deregulering, derapportage en vereenvoudiging
van de statistische informatieuitvraag. Het lijkt de regering overigens voor
de hand liggen dat het percentage «dubbele ontheffingen» lager
ligt dan de genoemde 25%.
Voorts hecht de regering eraan in dit verband te benadrukken dat op grond
van artikel 9, eerste lid, onder a en b, WWB in beginsel alle bijstandsgerechtigden
van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar zowel een sollicitatieplicht
als een reïntegratieplicht hebben. Op grond van artikel 9, tweede lid,
WWB kan het college, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, alleen
in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen
van een van deze of beide verplichtingen. De voorwaarde dat een ontheffing
tijdelijk is, impliceert dat het college na afloop van de betreffende ontheffingstermijn
opnieuw moet onderzoeken of er dringende individuele redenen aanwezig zijn
om de ontheffing voor een bepaalde termijn te verlengen.
Voorts vragen de leden van de VVD-fractie zich af waarom in het voorliggende
wetsvoorstel niet gekozen is voor een handhaving van de termijn van 4 weken
voor iedereen.
In antwoord hierop deelt de regering mede dat in het kader van de WWB
voor alle bijstandsgerechtigden jonger dan 65 jaar geldt dat zij in beginsel
niet langer dan een periode van maximaal vier weken per kalenderjaar met behoud
van bijstand buiten Nederland mogen verblijven. De thans in artikel 13, vierde
lid, WWB geldende uitzondering hierop, geldt voor personen van 57,5 jaar of
ouder die ontheven zijn van de verplichtingen ex artikel 9 eerste lid, WWB.
Het betreft hier een met algemene stemmen aanvaard amendement (Kamerstukken
II 2003/04, 29 499, nr. 8). De Centrale Raad van Beroep heeft in
zijn uitspraak d.d. 5 december 2006, nr. 06/1851 WWB (LJN: AZ5429)
bevestigd dat dit in de WWB gemaakte leeftijdsonderscheid niet op objectieve
en redelijke gronden berust. De regering is van mening dat de uitspraak van
de Centrale Raad van Beroep én het bovengenoemde amendement, een koppeling
tussen vakantieduur én een ontheffing van arbeidsverplichtingen ongeacht
de leeftijd van de belanghebbende, méér recht doet aan de strekking
van het huidige artikel 13, vierde lid, WWB, dan het geheel ongedaan maken
van deze koppeling. Daarnaast heeft de regering overwogen dat ook in het geval
dat de streep wordt getrokken bij vier weken, er zich altijd situaties zullen
voordoen waarin het redelijk is dat een langere verblijfsduur in het buitenland
wordt toegestaan. Een criterium voor dit soort situaties, zoals bijvoorbeeld «uitzonderlijke
omstandigheden», dat ruimer is dan het criterium «zeer dringend
redenen» ex artikel 16 WWB, is – gelet op het advies van het Uitvoeringspanel
Gemeenten – voor de uitvoering lastig te hanteren.
Daarnaast is de regering van mening dat er vanuit het oogpunt van de inschakeling
op de arbeidsmarkt geen enkel beletsel bestaat om de bijstandsgerechtigde
die is ontheven van de arbeidsverplichtingen ex artikel 9, eerste lid, WWB,
toe te staan om 13 weken per kalenderjaar met behoud van bijstand in het buitenland
te laten verblijven.
Tenslotte vragen de leden van de VVD-fractie op welke wijze de handhaving
is gegarandeerd. Met andere woorden naarmate de termijn dat bijstandsgerechtigden
in het buitenland verblijven langduriger is, wordt het belang groter voor
Nederland om te controleren of betrokkenen soms aldaar aan het werk zijn c.q.
op andere wijze inkomsten genieten.
In reactie hierop meldt de regering het volgende. In artikel 18, eerste
lid, WWB wordt het college van burgemeester en wethouders opgedragen om de
bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden,
mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Zo kan het college de bijstandsgerechtigde
de verplichting opleggen om een voorgenomen periode van verblijf buiten Nederland
te melden. De aan het recht op bijstand verbonden verplichtingen om melding
te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het de bijstandsgerechtigde
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand, zijn ook tijdens het
verblijf buiten Nederland onverkort van toepassing. Gelet op het feit dat
alleen bijstandsgerechtigden die op grond van dringende individuele redenen
tijdelijk zijn ontheven van de sollicitatieplicht én de reïntegratieplicht,
maximaal 13 weken per kalenderjaar met behoud van bijstand buiten Nederland
mogen verblijven, ligt het niet direct in de rede dat zij buiten Nederland
wel in staat zijn om inkomsten uit arbeid te kunnen verwerven. Het is overigens
aan de gemeenten om te beoordelen of in voorkomende gevallen een onderzoek
wordt ingesteld naar de naleving van aan het recht op bijstand verbonden verplichtingen,
en hoe dit onderzoek moet plaatsvinden.
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Aboutaleb