A
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN EN
DE HOGE COLLEGES VAN STAAT/ALGEMENE ZAKEN EN HUIS DER KONINGIN1
Vastgesteld 12 februari 2008
Het voorbereidend onderzoek geeft de commissie aanleiding tot het maken
van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
De leden van de fracties van het CDA, PvdA, SP, VVD, D66 en OSF hebben met belangstelling
het wetsvoorstel en wat daaromtrent is verhandeld gelezen.
De leden van de fractie van het CDA geven
aan dat het voor de hand liggend is, nu er zich geen nieuwe relevante omstandigheden
hebben voorgedaan, dat deze tweede lezing van de Grondwetswijziging overwegend
positief benadert zal worden. Zij het dat de teleurstelling blijft dat niet
de weg is gekozen die een deel van de Kiesraad adviseerde en welke gesteund
wordt door de leden van de CDA-fractie (de «nee-tenzij-rechterlijk-verlof»
optie).
De leden van de fracties van de CU en de SGP hebben met belangstelling, doch niet met instemming
kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij verwijzen naar de behandeling van
de eerste lezing, wetsvoorstel Vervallen Grondwetsbepaling inzake kiesrechtuitsluiting
van wilsonbekwamen (30 471), in de Eerste Kamer op 14 november 2006.
Deze leden handhaven hun standpunt dat de voorkeur uitgaat naar een rechterlijke
toetsing van die curandi die om uitoefening van het kiesrecht verzoeken.
Staatsrechtelijk: de gevolgde procedure
Bij de behandeling van dit voorstel tot grondwetsherziening is aan de
orde, net als bij het wetsvoorstel 31 013
Verandering in de Grondwet, strekkende tot het vervallen van de bepaling inzake
het voorzitterschap van de gemeenteraad en van de provinciale staten, dat
de aan het voorstel voorafgegane verklaringswetten zijn bekendgemaakt (vóór
de ontbinding van de Tweede Kamer op 30 november 2006, maar) nadat het
koninklijk besluit tot ontbinding van de Tweede Kamer tot stand was gekomen
(op 4 september 2006). In de grote meerderheid van gevallen sinds 1981 werden de verklaringswetten bekendgemaakt voorafgaande aan het koninklijk
besluit tot ontbinding.
De leden van de fracties van het CDA, de VVD, de PvdA, D66 en OSF hebben de behoefte hier nader
op in te gaan. Bij de behandeling van de eerste lezing van de grondwetswijziging
is door de leden van de CDA-fractie aan de orde gesteld de vraag hoe de behandeling
van de verklaringswet zich verdroeg met het feit dat de Tweede Kamer inmiddels
op termijn ontbonden was vanwege de ontijdige val van het toenmalige kabinet.
Nadat dit punt destijds was opgebracht is een flink debat ontstaan, te beginnen
in de staatsrechtwetenschap (Dragstra en Boon). Daarop heeft het kabinet gereageerd
bij brief van 18 december 2006 en inmiddels is het debat via het advies
van de Raad van State bij de tweede lezing naar de Tweede Kamer overgeslagen.
De leden van de genoemde fracties behouden zich het recht voor in de plenaire
beraadslaging zo nodig hier nog verder op in te gaan.
De leden van de fracties van de PvdA en van
de VVD vragen de regering waar zij precies op
doelt als zij in haar nader rapport stelt dat de Raad van State blijkens zijn
dictum het standpunt van de regering onderschrijft dat de op 22 november
2006 gekozen Tweede Kamer de tweede lezing van onderhavige grondwetswijziging
ter hand kan nemen. Is dat de passage «De Raad van
State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer
der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken»?
Heeft de regering goede nota genomen van de navolgende passage in het
advies van de Raad van State: «Daarom adviseert de
Raad in de toekomst terug te keren naar de staatsrechtelijke praktijk die,
met één uitzondering, tot 1998 heeft bestaan. Die houdt in dat
een verklaringswet bekend behoort te worden gemaakt voordat het besluit tot
ontbinding van de Tweede Kamer is bekendgemaakt»? Hoe verhoudt
tot deze passage zich tot de volgende zin in het nader rapport: «Niet uitgesloten is echter dat er in de praktijk onder het huidige
artikel 137 van de Grondwet door bijzondere omstandigheden net als in 2006
wederom aanleiding bestaat om de verklaringswetten niet (alle) vóór
het ontbindingsbesluit en de kandidaatstelling te publiceren».
Meent de regering dat met het benoemen van deze algemene uitzonderingsmogelijkheid
voldoende recht aan het advies van de Raad van State wordt gedaan? Aan welke
omstandigheden, anders dan de plotselinge val van een kabinet, moet worden
gedacht? Is de regering bereid deze limitatief te benoemen?
De leden van de PvdA-fractie en de leden van de VVD-fractie vragen zich
tevens af of de regering, niet ook bij deze behandeling van grondwetsherziening,
een standpunt had moeten innemen ten aanzien van het reeds enkele jaren gevelde
oordeel van de Raad van State: indiening van de in eerste lezing aanvaarde
voorstellen op de dag waarop de nieuw verkozen Tweede Kamer voor het eerst
samenkomt. Is het juist op een algehele procedure van grondwetsherziening
te wachten, waar de situatie van een nieuw verkozen Tweede Kamer en eventueel
in behandeling zijnde grondwetswijzigingen zich eerder kan voordoen? Welke
zekerheid is er ook dat het bij een algehele procedure van grondwetsherziening
aan de orde zal komen, waar de regering tijdens de behandeling in de Tweede
Kamer stelde te «overwegen» om de kwestie in de opdracht te betrekken
van de in het coalitieakkoord aangekondigde staatscommissie Grondwet? Geeft
de regering de opvatting van de Raad van State goed weer als zij bij de behandeling
in de Tweede Kamer meent: «Met de Raad van State
is de regering immers van mening dat er geen grondwettelijke belemmeringen
zijn voor behandeling in tweede lezing door een Kamer die niet direct volgt
uit de grondwetsverkiezingen»?
Volmachtverlening:
Een ander punt van belang voor de leden van de CDA-fractie was bij de eerste lezing de volmachtverlening in verpleeghuizen
en andere plaatsen en situaties waarin kiesgerechtigde burgers (niet zijnde
curandi) die verstandelijk zwaar gehandicapt (met name demente mensen) volmachten
verlenen aan familieleden, personeel of anderen. Kan de regering nog eens
weergeven wat de actuele beleidsmatige stand van zaken inzake deze problematiek
is?
De voorzitter van de commissie,
Hermans
De griffier van de commissie,
Menninga
XNoot
1Samenstelling:
Holdijk (SGP), Meindertsma (PvdA), Bemelmans-Videc CDA), Dölle (CDA),
Ten Hoeve (OSF), Kox (SP), Russell (CDA), Noten (PvdA), Putters (PvdA), vice-voorzitter,
Engels (D66), Thissen (GL), Hendrikx (CDA), Van Kappen (VVD), De Boer (CU),
Quik-Schuijt (SP), K.G. de Vries (PvdA), Schaap (VVD), Hermans (VVD), voorzitter,
Ten Horn (SP), De Vries-Leggedoor (CDA), Koffeman (PvdD), Strik (GL), Lagerwerf-Vergunst
(CU), Rehwinkel (PvdA), Duthler (VVD), Vac. (SP) en Yildirim (Fractie-Yildirim).