Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Eerste Kamer der Staten-Generaal2007-200830980 nr. C

30 980
Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met een regeling over samenhangende besluiten (Wet samenhangende besluiten Awb)

C
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 6 mei 2008

Met belangstelling hebben wij kennis genomen van het voorlopig verslag van de vaste commissie voor Justitie over het wetsvoorstel. Hieronder gaan wij in volgorde van het verslag in op de gestelde vragen en gemaakte opmerkingen. Wij spreken de hoop uit dat het wetsvoorstel, dat om hierna nog uiteen te zetten redenen een lange voorbereidingstijd heeft gekend, voortvarend in de Eerste Kamer kan worden behandeld en spoedig in werking kan treden.

Algemeen

De leden van de CDA-fractie vatten de doelstellingen van het wetsvoorstel terecht samen onder de noemers: minder ingewikkelde procedures, snellere besluitvorming en het dienen van de belangen van aanvragers van besluiten.

Terecht wijzen de leden van de PvdA-fractie op de samenhang met het eveneens bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel Wet algemene bepalingen omgevingsrecht («Wabo»; 30 844, A). Wij hebben vanzelfsprekend tevens kennisgenomen van de vragen die (mede) door deze leden over dit onderwerp zijn gesteld in het voorlopig verslag over dat wetsvoorstel. Hoewel tussen beide wetsvoorstellen raakvlakken bestaan, is er geen sprake van wederzijdse afhankelijkheid in die zin dat gelijktijdige inwerkingtreding en dus gelijktijdige behandeling is vereist. De voortgang van het ene wetsvoorstel is dus niet afhankelijk van het andere wetsvoorstel. De vraag van deze leden of een algemene coördinatieregeling ook op het terrein van het omgevingsrecht niet voldoende soelaas zou kunnen bieden, wordt niet voor het eerst opgeworpen. In de nota naar aanleiding van het verslag (Tweede Kamer) bij het wetsvoorstel Wabo1 is onze ambtgenote van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uitvoerig ingegaan op de verhouding tussen beide regelingen. De in het onderhavige wetsvoorstel geregelde coördinatie en de in de Wabo geregelde (procedurele) integratie zijn loten aan dezelfde stam. Beide bevorderen zij de samenhang van besluitvorming; beide zijn zij daarmee gericht op vereenvoudiging van procedures en versnelling van besluitvorming. De (procedurele) integratie zoals deze is voorzien in de Wabo, gaat echter een stap verder dan de coördinatie uit het onderhavige wetsvoorstel. Het onderhavige wetsvoorstel leidt niet tot één besluit, maar voorziet in een bundeling van de te volgen procedures. De Wabo leidt daadwerkelijk totéén besluit, de omgevingsvergunning. Door het algemene karakter van de Awb kan in deze wet uiteraard niet worden voorzien in één allesomvattend besluit. Het voordeel van een sectorale regeling als de Wabo is dat dat daar wel mogelijk is. Dit is het belangrijkste, principiële verschil tussen beide regelingen. Er zijn meer verschillen, waarvoor wij kortheidshalve verwijzen naar genoemde nota naar aanleiding van het verslag alsmede de bijlage bij die nota, waarin een exacte vergelijking is gemaakt tussen de coördinatieregelingen van de Awb en de Wet ruimtelijke ordening enerzijds en de integratieregeling van de Wabo anderzijds. Als de Wabo er niet zou zijn, zou de coördinatieregeling van de Awb op de door die wet bestreken besluiten kunnen worden toegepast, zo antwoorden wij de leden van de PvdA-fractie. Maar wel zou dan de kans worden gemist om de verdergaande stap van de Wabo te zetten in de vorm van één vergunning, in het perspectief van een meer inhoudelijke integratie. De toegevoegde waarde van het onderhavige wetsvoorstel is er vervolgens in gelegen dat op terreinen waar (nog) geen sprake is van één besluit, de coördinatieregeling uit de Awb kan worden toegepast. Dit geldt dus onder andere voor de coördinatie tussen de omgevingsvergunning en besluiten die niet opgaan in de omgevingsvergunning.

Wij hopen de bedenkingen van de leden van de VVD-fractie aangaande de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel te kunnen wegnemen in het vervolg van deze memorie, waarin wij op de specifieke vragen en opmerkingen van deze leden ingaan.

Algemene regeling

Wij kunnen ons de verbazing van de leden van de CDA-fractie voorstellen over het feit dat er tussen het uitbrengen van het voorontwerp door de commissie Scheltema en het moment dat de Eerste Kamer zich nu over dit wetsvoorstel buigt acht jaren zijn verstreken. Er lagen precies zeven jaren tussen de publicatie van het voorontwerp en de indiening van het wetsvoorstel. De verklaring hiervoor ligt in de grote omvang en intensiteit van het wetgevingsprogramma van het ministerie van Justitie, die dwingen tot het maken van keuzen, ook waar het de staats- en bestuursrechtelijke onderwerpen betreft. Zo moest in de vorige kabinetsperiode veel capaciteit worden ingezet voor de nieuwe inburgeringswetgeving en thans voor de wetgeving in verband met de overgang naar een nieuwe staatkundige structuur voor het Koninkrijk. Op het gebied van de algemene bestuursrechtelijke wetgeving is in de genoemde periode voorrang gegeven aan andere prioritaire projecten, die overigens voor het merendeel evenzeer in het teken stond van dejuridisering en vereenvoudiging en versnelling van procedures. Wij noemen slechts de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures, de Eerste evaluatiewet Awb, de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer, de Wet rechtstreeks beroep, de Wet extern klachtrecht, de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure, de vierde tranche van de Awb, de Wet (dwangsom en) beroep bij niet tijdig beslissen, het voorontwerp aanpassing bestuursprocesrecht en alle bij de genoemde wetten behorende aanpassingswetgeving. Ook met al deze wetgeving zijn de belangen van burger en bestuur gediend. Daarnaast vereisten de periodieke evaluaties van de Awb inzet van capaciteit. Daarbij willen wij overigens niets afdoen aan het belang en het nut van het nu voorliggende wetsvoorstel, welke de leden van de CDA-fractie in hun inleidende betoog treffend hebben gekenschetst. Het belang en het nut van dit wetsvoorstel blijken overigens uit het feit dat het aan dit wetsvoorstel ten grondslag liggende voorontwerp in diverse wetten reeds zijn schaduwen vooruit heeft geworpen, doordat in enkele sectorale wetten coördinatieregelingen zijn ingevoerd die (deels) zijn geënt op de regeling uit het voorontwerp. In dit opzicht kan worden gesteld dat het wetsvoorstel op diverse terreinen een belangrijke voorbeeldwerking heeft gehad en reeds materieel effect teweeg heeft gebracht.

Deze leden vroegen voorts naar de betekenis van het wetsvoorstel voor het regionale niveau. De voorgestelde coördinatieregeling is toepasbaar op alle overheidsniveaus en ziet ook op de coördinatie van besluiten tussen bestuursorganen van decentrale overheden. In hoeverre zij van de mogelijkheid tot coördinatie volgens de Awb gebruik gaan maken, is primair ter beoordeling van die bestuursorganen zelf. Wij verwachten echter met de nu voorliggende regeling een eenvoudig toepasbare regeling te kunnen aanbieden waarin de belangrijkste wettelijke belemmeringen in de vorm van uiteenlopende procedureregels voor de voorbereiding en de rechtsbescherming zijn geëcarteerd.

Inlichtingenplicht

In antwoord op de daartoe strekkende vraag van de leden van de PvdA-fractie merken wij op geen voornemens te hebben om op een later moment de inspanningsverplichting om burgers en bedrijven voor te lichten over benodigde besluiten, om te zetten in een resultaatsverplichting. De bezwaren die wij tegen een resultaatsverplichting hebben aangevoerd, welke er in hoofdzaak op neerkomen dat een resultaatsverplichting tot tal van juridische procedures zou leiden en uitgebreide organisatorische voorzieningen zou vergen, wegen naar ons oordeel zwaar en zijn niet gemakkelijk weg te nemen. Dat neemt niet weg dat op zekere terreinen wel organisatorische voorzieningen worden gecreëerd, zo antwoorden wij deze leden. Tal van bestuursorganen werken met «front offices» of «accountmanagers». De komende jaren gaat de rijksoverheid samen met onder andere gemeenten en uitvoeringsorganisaties werken aan «Antwoord». Dit is het dienstverleningsconcept waarin bestuursorganen onderling informatie uitwisselen en koppelen om een groot deel van de vragen aan de overheid direct te kunnen beantwoorden, ongeacht aan welk bestuursorgaan of via welk kanaal de vragen worden gesteld. Ook kan worden gewezen op de activiteiten van «Antwoord voor bedrijven» (voorheen het digitale Bedrijvenloket). Het is echter onrealistisch te veronderstellen dat deze informatiepunten op de hoogte kunnen zijn van alle besluiten van alle bestuursorganen in ons land. De laagdrempelige en snelle serviceverlening die met deze vormen van contact zijn beoogd, moet naar ons oordeel niet in de wielen worden gereden door deze informatievoorziening bloot te stellen aan het risico van juridische aansprakelijkheden en alle daaruit voortvloeiende juridisering.

Het spijt ons te vernemen dat de leden van de VVD-fractie er niet van overtuigd zijn dat klantgerichtheid en serviceverlening bij de overheid de afgelopen tien jaar richtinggevende noties zijn geworden, zoals wij schreven in de nota naar aanleiding van het verslag (Tweede Kamer). Het spreekt vanzelf dat er nog verdere stappen kunnen en moeten worden gezet. Anders dan deze leden zijn wij er echter, gelet op de vele gunstige ervaringen met bestuursorganen van alle overheidsniveaus, van overtuigd dat de overheid op de goede weg is. Wij onderschrijven dan ook geenszins de stelling van deze leden dat wij op dit punt een theoretisch, onrealistisch en daarmee niet terecht optimisme tentoonspreiden. Het onderhavige wetsvoorstel biedt een belangrijk hulpmiddel voor bestuursorganen die op het gebied van klantgerichtheid en serviceverlening voorop lopen en een aansporing voor die bestuursorganen die op dat gebied nog achterblijven. Een dienstbare publieke sector is een van de pijlers van het kabinetsbeleid. In het beleidsprogramma van het kabinet is aangegeven dat de publieke dienstverlening merkbaar moet worden verbeterd. Bij het verbeteren van de dienstverlening en het verminderen van de administratieve lasten wordt de aandacht in eerste instantie gericht op de knelpunten waar de burger het meest last van heeft. Daartoe is een top 10 van knelpunten opgesteld. Veel initiatieven zijn inmiddels genomen en worden nog ontplooid om deze knelpunten weg te nemen: de ontwikkeling van de persoonlijke internetpagina (MijnOverheid.nl) waar de burger 24 uur per dag, 7 dagen per week, zaken kan doen met de overheid, de vereenvoudiging van overheidsformulieren, het slechtséén keer verstrekken van persoonlijke gegevens, enz. Voor een uitgebreider overzicht van de door de leden van de VVD-fractie gevraagde maatregelen verwijzen wij naar de brief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer van 21 september 20071 en de website van het ministerie van Binnenlandse Zaken (www.bzk.nl > Onderwerpen > Dienstverlening van de overheid).

Coördinatieregeling

Naar aanleiding van de vragen van de leden van fracties van CDA en VVD over de verhouding tussen de in dit wetsvoorstel voorgestelde coördinatieregeling en de Europese dienstenrichtlijn, merken wij op dat een van de verplichtingen die uit de dienstenrichtlijn voortvloeien is dat dienstverrichters op afstand en met elektronische middelen procedures en formaliteiten moeten kunnen afwikkelen. Hiertoe zal een zogenaamd Eén-loket worden opgericht.2 De ontwikkeling van het Eén-loket wordt ingebed in de activiteiten van het eerdergenoemde Antwoord voor bedrijven, dat binnen het e-overheidsprogramma fungeert als«front-office» voor het ontsluiten van informatie en procedures aan ondernemers. Het Eén-loket is een dienstverlening in de vorm van een faciliteit voor (voor zover hier relevant) gegevensuitwisseling. Door middel van die gegevensuitwisseling kunnen procedures en formaliteiten met de betrokken bestuursorganen worden afgewikkeld. De verdeling van de taken en bevoegdheden tussen de verschillende bestuursorganen binnen de nationale systemen blijft onverlet (artikel 6, tweede lid, van de dienstenrichtlijn). De coördinatieregeling in de Awb heeft een andere invalshoek. Deze gaat uit van een procedurele bundeling van vergunningen die voor een bepaalde activiteit noodzakelijk zijn en waarvoor verschillende bestuursorganen bevoegd kunnen zijn. Een van de bevoegde bestuursorganen wordt daarbij aangewezen als coördinerend bestuursorgaan (art. 3:22). Het hiervoor genoemde Eén-loket is geen bestuursorgaan in de zin van de coördinatieregeling maar, zoals vermeld, een voorziening voor gegevensuitwisseling met de betrokken bestuursorganen. Het Eén-loket speelt op zichzelf dan ook geen rol bij de toepassing van de coördinatieregeling en de implementatie van onderhavig wetsvoorstel is daarvan dus niet afhankelijk. De coördinatieregeling van de Awb past bij de doelstellingen die de dienstenrichtlijn nastreeft, zoals die betreffende de vereenvoudiging van administratieve procedures. De dienstenrichtlijn zelf verplicht echter niet tot het toepassen van een coördinatieregeling zoals voorzien in dit wetsvoorstel. Het is aan de desbetreffende sectorwetgever of de betrokken bestuursorganen om te bepalen of de coördinatieregeling op een bepaald terrein van toepassing wordt. In de geest van de dienstenrichtlijn verdient die mogelijkheid extra aandacht bij regelingen met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van diensten in de zin van de dienstenrichtlijn. Dit zal gebeuren bij gelegenheid van de aanpassingswetgeving bij het onderhavige wetsvoorstel. Omdat het als gezegd geen dwingend uit de dienstenrichtlijn voortvloeiende implementatieverplichting betreft, zal dit derhalve geen onderdeel uitmaken van de noodzakelijke implementatiewetgeving voor de dienstenrichtlijn.

De leden van de PvdA-fractie stelden over de coördinatieregeling een soortgelijke vraag als over de informatieregeling: kan deze op een later moment een meer verplichtend karakter krijgen? Om de redenen die wij in het nader rapport en de memorie van toelichting hebben aangegeven, is de coördinatieregeling vormgegeven als een – in de zin van het systeem van de Awb – «facultatieve» regeling. Dit gelet op de (juridische) complicaties die een meer verplichtende regeling, bijvoorbeeld zoals voorgesteld door de Raad van State zou meebrengen. Aangezien de genoemde complicaties niet eenvoudig zullen kunnen worden weggenomen, hebben wij op dit moment geen voornemen de regeling in een later stadium in algemene zin een verplichtend karakter te geven. In de nota naar aanleiding van het verslag (Tweede Kamer) hebben wij, in antwoord op vragen van de partijgenoten van deze leden, gewezen op het bezwaar dat een meer verplichtende regeling kan leiden tot «procedures over procedures». Er zullen immers, zoals ook al bleek uit de door de Raad van State voorgestelde tekst («tenzij dringende redenen zich daartegen verzetten»), uitzonderingen op zo’n algemene verplichting moeten worden gemaakt. Elke uitzondering brengt weer het risico met zich dat over het al dan niet toepassen van die uitzondering procedures ontstaan. Dat is niet in het belang van snelle en eenvoudige besluitvorming waaraan dit wetsvoorstel nu juist een bijdrage wil leveren. In dit verband menen wij ook te mogen wijzen op aanwijzing 12 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, waarin is vastgelegd dat een regeling op zodanige wijze moet worden ingericht dat zij zo weinig mogelijk conflicten oproept. Volgens deze aanwijzing moet daartoe onder meer het aantal beslismomenten waartoe toepassing van de regeling aanleiding geeft, tot een minimum worden beperkt. Wel ligt het in de bedoeling in een aantal meer specifiek omschreven gevallen het volgen van de coördinatieprocedure uit de Awb wettelijk verplicht te stellen. Ook thans zijn reeds in diverse wetten coördinatieverplichtingen opgenomen. Deze worden voor zover mogelijk vervangen door de coördinatieprocedure uit de Awb. In dit opzicht kan een parallel worden getrokken met de eveneens «facultatieve» regeling van afdeling 3.4 Awb (uniforme openbare voorbereidingsprocedure). Deze«facultatieve» procedure is inmiddels in vele tientallen gevallen verplicht voorgeschreven. Uiteraard geldt ook ten aanzien van onderhavige regeling dat als de bijzondere wetgever de coördinatieregeling bij wettelijk voorschrift van toepassing heeft verklaard, deze ook verplicht moet worden toegepast.

Vrijblijvend karakter

De leden van de fracties van CDA en VVD betitelden het in hun ogen «vrijblijvende karakter» van de informatieverplichting en de coördinatieregeling als ongewenst. Het spijt ons dat de uitleg die wij in de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer hebben gegeven, deze leden kennelijk nog niet kon overtuigen. In antwoord op vragen van de leden van de PvdA-fractie zijn wij hierboven nader ingegaan op de bezwaren die kleven aan een resultaatsverplichting tot informatieverschaffing en een meer verplichtende coördinatieregeling. Die komen er in de kern op neer dat een resultaatsverplichting tot het verstrekken van informatie niet uitvoerbaar zou zijn en in ieder geval uitgebreide organisatorische voorzieningen zou vergen. Wat betreft een meer verplichtende coördinatieregeling is een belangrijk punt dat een algemene verplichting in de Awb onvermijdelijk zou nopen tot uitzonderingen en zou leiden tot geschillen over de toepassing. Er is ons echter veel aan gelegen om een laagdrempelige, snelle en gemakkelijke voorziening te bieden die goed toepasbaar is, zonder dat de toepassing verzandt in juridische procedures en daarmee verwordt tot een «lawyers paradise». Wij hopen daarom oprecht dat de leden van de genoemde fracties uiteindelijk begrip hebben voor de wijze waarop de informatieverplichting en de coördinatieregeling in dit wetsvoorstel zijn vormgegeven.

Overigens zouden wij de voorgestelde voorzieningen niet als «vrijblijvend» willen kenschetsen. In antwoord op de daartoe strekkende vragen van de leden van de CDA-fractie en de VVD-fractie merken wij op dat bestuursorganen voor de toepassing van de informatieverplichting op elk moment verantwoording verschuldigd zijn aan de algemeen vertegenwoordigende lichamen. Daarnaast kunnen de betrokken burgers en bedrijven een beroep doen op de bestaande klachtvoorzieningen indien bestuursorganen tekortschieten op het gebied van de informatieverplichting (het intern klachtrecht en het extern klachtrecht bij een decentrale of de Nationale ombudsman volgens hoofdstuk 9 Awb). Wat de coördinatieregeling betreft, wijzen wij erop dat deze niet het karakter heeft van een inspanningsverplichting, maar zonder meer moet worden toegepast indien dat bij wettelijk voorschrift (op rijksniveau of op decentraal niveau) is bepaald. Niet-toepassing zal ertoe kunnen leiden dat de rechter genomen besluiten vernietigt, omdat de wettelijk voorgeschreven procedure niet is gevolgd. In gevallen waarin toepassing van de coördinatieregeling niet wettelijk is voorgeschreven, kunnen bestuursorganen zelf besluiten om de coördinatieregeling van toepassing te verklaren. Ook het beleid dat op dit punt wordt gevoerd, is uiteraard voorwerp van controle door algemeen vertegenwoordigende lichamen. Naar aanleiding van de vraag naar de mogelijkheden van de regering om toepassing c.q. naleving van de informatieverplichting c.q. coördinatieregeling af te dwingen, merken wij op dat de regering uiteraard zelf verantwoordelijk is voor de toepassing en naleving door bestuursorganen van het Rijk. In ons stelsel van interbestuurlijke verhoudingen is de regering echter niet het aangewezen orgaan om toezicht te houden op de toepassing c.q. naleving door decentrale overheden. Wel zal de toepassing van de informatieverplichting en de coördinatieregeling voorwerp kunnen zijn van de periodieke evaluatie van de Awb, waartoe artikel 11:1 Awb de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verplicht. Mochten uit zo’n evaluatie duidelijke knelpunten naar voren komen, dan is het uiteraard aan de regering om zo nodig wetgevende initiatieven te nemen om die knelpunten te verhelpen.

Het verheugt ons dat de leden van de CDA-fractie instemmen met de voorgestelde wijziging van artikel 8:4 Awb en de keuze voor het uitgangspunt van rechtspraak in twee instanties. Deze leden verwijzen wat het laatstgenoemde punt betreft tevens naar hun inbreng in het voorlopig verslag over de Wabo, waarin eveneens de keuze is gemaakt voor rechtspraak in twee instanties. Wij hebben met veel belangstelling kennisgenomen van deze inbreng en het daarin opgenomen pleidooi van deze leden de rechterlijke competentie in eerste aanleg met betrekking tot Wabo-zaken neer te leggen bij alle rechtbanken. Op deze plaats verwijzen wij deze leden naar de door de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uit te brengen memorie van antwoord, die op dit punt vanzelfsprekend zal worden afgestemd met de eerste ondergetekende.

Samenhang met de Wabo

Ook wat de samenhang tussen het onderhavige wetsvoorstel met de Wabo betreft, verwijzen de leden van de CDA-fractie naar hun inbreng voor het voorlopig verslag over de Wabo. Als gezegd hebben wij daarvan met veel belangstelling kennisgenomen. Hierboven onder «algemeen» zijn wij in antwoord op vragen van de leden van de PvdA-fractie reeds ingegaan op de samenhang tussen de regelingen in beide wetsvoorstellen. De uitvoerige beschouwingen over de Wabo en het door de leden van de CDA-fractie gepresenteerde alternatief zullen vanzelfsprekend primair door onze ambtgenote van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van een reactie worden voorzien, waarbij afstemming met de memorie van antwoord op het onderhavige wetsvoorstel is verzekerd.

In de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer hebben wij aangegeven dat voor zover de Wabo bestaande coördinatieregelingen op het terrein van milieu en ruimtelijke ordening in stand laat, wordt bezien in hoeverre de coördinatieregeling van de Awb (dus niet de Wabo, zoals de leden van de CDA-fractie in het voorlopig verslag abusievelijk vermeldden) daarvoor in de plaats kan treden. Wij kunnen op dit moment nog niet met zekerheid zeggen in hoeverre dat het geval zal zijn. Met het oog op nog op te stellen aanpassingswetgeving (waarvan de inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel overigens niet afhankelijk is), wordt thans geïnventariseerd op welke in formele wetgeving geregelde besluiten de coördinatieregeling van de Awb bij wet van toepassing kan worden verklaard en welke aanvullende voorzieningen daarbij in de bijzondere wetgeving moeten worden gehandhaafd.

ICT

De leden van de fracties van het CDA en de VVD vroegen hoe de regering er voor zorgt dat de informatievoorziening voor de uitvoering van dit wetsvoorstel op orde komt. Daarbij wezen deze leden met name op de kwetsbaarheid van ICT-projecten, zoals ook naar voren kwam in het Rekenkamerrapport «Lessen uit ICT-projecten bij de overheid». Wij stellen voorop dat de informatieverplichting en coördinatieregeling uit het onderhavige wetsvoorstel in principe zonder nadere ICT-voorzieningen kunnen worden uitgevoerd. De opgenomen informatieverplichting vergt op zichzelf geen grootschalige organisatorische voorzieningen in de vorm van een of meer centrale informatiepunten. Natuurlijk is voor een goede uitvoering van de informatieverplichting en ook van de coördinatieregeling een goede afstemming tussen bestuursorganen van belang. Er moet immers ook informatie worden verschaft over besluiten van andere bestuursorganen en de coördinatie kan ook betrekking hebben op besluiten van verschillende bestuursorganen. De wijze waarop die afstemming wordt vormgegeven (elektronisch of anderszins) is echter aan de desbetreffende bestuursorganen zelf. Anders dan de leden van de CDA-fractie veronderstellen, vervult het digitale loket in dit voorstel geen belangrijke rol. Hier ligt ook een verschil met het wetsvoorstel algemene bepalingen omgevingsrecht, waarin het digitale loket wel een belangrijke rol speelt. Voor zover bestuursorganen ter uitvoering van het onderhavige wetsvoorstel ICT-maatregelen treffen, zullen deze naar verwachting relatief bescheiden van aard zijn en niet te vergelijken met grootschalige ICT-projecten als waarop het Rekenkameronderzoek betrekking heeft en welke door de leden van de genoemde fracties zijn genoemd.

In dit verband vroegen de leden van de CDA-fractie en de VVD-fractie waarom bestuursorganen niet wettelijk worden verplicht om op elektronische wijze aan de informatieverplichting te voldoen en burgers en bedrijven worden gestimuleerd om hun aanvragen op elektronische wijze in te dienen. Het antwoord hierop is dat hiervoor reeds wettelijke voorzieningen in de Awb zijn opgenomen. De regeling in afdeling 2.3 van de Awb (verkeer langs elektronische weg), in werking getreden op 1 juli 2004, beoogt het elektronisch verkeer tussen bestuur en burger zoveel mogelijk te bevorderen en heeft juridische belemmeringen daarvoor weggenomen. Deze regeling is ook rechtstreeks van toepassing op de kennisgevingen op grond van artikel 3:20 over besluiten die nodig zijn voor een door een aanvrager te verrichten activiteit. Deze kennisgeving kan dus elektronisch geschieden als is voldaan aan de voorwaarden van afdeling 2.3 Awb. Ook het indienen van elektronische aanvragen is mogelijk, mits de bepalingen van afdeling 2.3 Awb in acht worden genomen. Wettelijke belemmeringen voor elektronisch berichtenverkeer tussen bestuur en burger zijn er dus niet. Via de diverse projecten op het terrein van «e-overheid», waarvoor de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de eerste verantwoordelijkheid draagt, wordt gebruikmaking van deze mogelijkheden verder gestimuleerd.

Tot slot

Onder het kopje «algemene regeling» zijn wij in antwoord op vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie reeds ingegaan op het tijdsverloop tussen het uitbrengen van het voorontwerp en de indiening van dit wetsvoorstel. Kortheidshalve mogen wij de leden van de commissie die dezelfde vraag hadden, naar die reactie verwijzen.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. ter Horst


XNoot
1

Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 8.

XNoot
1

Kamerstukken II 2007/08, 29 362, nr. 125.

XNoot
2

Zie hierover nader 3.1.3 van de brief van de minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer van 13 december 2007 over de betekenis van de Dienstenrichtlijn voor Nederland (Kamerstukken II 2007/08, 21 501-30, nr. 172).