30 970
Wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de Wet werk en bijstand, de Werkloosheidswet en enige andere wetten in verband met eenmalige gegevensuitvraag aan burgers (Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen)

C
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 27 november 2007

Algemeen

Met belangstelling is kennis genomen van het voorlopig verslag van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij het voorliggende wetsvoorstel. Het wetsvoorstel betekent concreet wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI), de Wet werk en bijstand (WWB), de Werkloosheidswet (WW) en enige andere wetten in verband met eenmalige gegevensuitvraag aan burgers. Uit oogpunt van dienstverlening wordt in dit wetsvoorstel geregeld dat, via een groeipad, elk gegeven dat de ketenpartners werk en inkomen nodig hebben voor hun taakuitvoering slechts eenmaal bij de burger mag worden gevraagd.

Met genoegen wordt geconstateerd dat een meerderheid van de fracties in hun schriftelijke inbreng in positieve zin heeft gereageerd op de doelstelling van het wetsvoorstel. De leden van de PvdA-fractie wijzen daarbij tevens op de voortgang die in de sociale zekerheid is geboekt met betrekking tot elektronische dienstverlening.

Voor de volgorde van de memorie van antwoord wordt aangesloten bij de indeling van het voorlopig verslag.

1. Toekomstige uitbreiding

De leden van de PvdA-fractie vragen een nadere beschouwing over de toekomstige mogelijkheden van dit wetsvoorstel, waarbij zij zich met name geïnteresseerd tonen in een uitbreiding naar het gebied van inkomensverwerving en belastingheffing.

Dit wetsvoorstel moet in het bredere perspectief van de ontwikkeling van de e-overheid worden gezien. Het kabinet wil eenmalige gegevenuitvraag onder meer bereiken door de realisatie van een stelsel van basisregistraties. Het stelsel van basisregistraties vormt samen met voorzieningen zoals DigiD, het Burgerservicenummer en de in ontwikkeling zijnde Persoonlijke internetpagina (PIP) de basis voor de elektronische dienstverlening van de overheid. Uitgangspunt zal zijn dat alle bestuursorganen de bij wet in te stellen basisregistraties (zoals de Gemeenschappelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), en het nieuwe Handelsregister) moeten gaan gebruiken als authentieke bron van gegevens. Voor de burger wiens gegevens het betreft, betekent dit dat hij deze niet meer meerdere malen hoeft te verstrekken. Dit wetsvoorstel kan worden gezien als een aanvulling in het SUWI-domein op het stelsel van basisregistraties, doordat het voor de ketenpartijen in het domein van werk en inkomen het beginsel van eenmalige gegevensuitvraag voorschrijft voor die gegevens waarvan is vastgesteld dat ze kwalitatief goed zijn. Concreet betekent dit dat in de regelgeving de SUWI-partijen worden verplicht om met elkaar samen te werken, de hun ter beschikking staande gegevens te delen en verplicht te hergebruiken. Dit leidt tot minder bureaucratie voor de burger en tot een betere en efficiëntere dienstverlening vanuit de keten. Dit wetsvoorstel verschaft de noodzakelijke juridische basis. Invoering van het principe van eenmalige gegevensuitvraag dient zorgvuldig te gebeuren. Dit betekent een gefaseerde, stapsgewijze invoering en een meerjarig groeipad.

Gevraagd wordt naar uitbreiding van het principe van eenmalige gegevensuitvraag naar het gebied van inkomensverwerving en belastingheffing. Voor wat betreft de inkomensverwervingskant ga ik ervan uit dat wordt gedoeld op de toekomstige basisregistratie lonen, arbeids- en uitkeringsverhoudingen (BlAU). Het zal dan gaan om actuele verzekerings- en (maand) sv-loongegevens en om gegevens omtrent arbeidsverhoudingen. Welke authentieke gegevens het bij de BLAU precies betreft, zal nog nader worden uitgewerkt. Rekeninghoudend met de gegevensbehoefte van de afnemers zal in het wetstraject rond de totstandkoming van deze basisregistratie nader worden bepaald, welke gegevens worden aangewezen als authentieke gegevens. Dus niet alle gegevens in de polisadministratie zullen naar verwachting worden aangemerkt als authentieke gegevens. Mede aan de hand van de integrale probleemanalyse en het normenkader waaraan op dit moment door het UWV en de Belastingdienst wordt gewerkt, zal de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid begin 2008 de beoordeling maken wat de gevolgen zijn voor het totstandkomingstraject van de BLAU.

Voor wat betreft de belastingsheffingskant ga ik ervan uit dat wordt gedoeld op de komst van de BRI. Op dit moment ligt bij de Tweede Kamer het wetsvoorstel wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Wet waardering onroerende zaken en enige andere wetten in verband met de invoering van een basisregistratie Inkomen en een basisregistratie Waarde onroerende zaken (Kamerstukken II, 2007/08, 31 085) ter behandeling voor. Hierin is opgenomen op welke wijze binnen het fiscale domein aansluiting wordt gezocht bij het stelsel van basisregistraties en het uitgangspunt van eenmalige gegevensuitvraag.

Eenmalige gegevensuitvraag binnen de gehele overheid is het doel waarnaar het kabinet streeft. Dit kan via de invoering van basisregistraties of via aanvullende maatregelen zoals die in het SUWI-domein worden genomen met dit wetsvoorstel.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de gegevensuitwisseling tussen diverse instanties in de praktijk plaats zal vinden. Zij vragen of het juist is dat de werkgever tenminste tweemaal de loongegevens van zijn (ex)werknemer moet opgeven en of in een aantal gevallen ook de burger naast de opgave aan het CWI ook een opgave van zijn inkomsten aan de belastingdienst moet doen.

De gegevensuitwisseling tussen de diverse instanties wordt in de praktijk vormgegeven middels het digitaal klantdossier. Het digitaal klantdossier is het virtuele klantdossier dat ontstaat als klantgegevens uit de registraties van gemeenten, de CWI en het UWV bij elkaar worden gevoegd en elektronisch worden ontsloten voor gebruik in ketenprocessen. Wat in de kern al is gerealiseerd met Suwinet-Inkijk – namelijk over organisatiegrenzen heen klantgegevens elektronisch aanbieden en raadplegen – wordt uitgebouwd tot een volwaardiger dossiervoorziening, inclusief elektronische diensten. Het digitaal klantdossier bouwt dus voor een groot deel voort op reeds bestaande componenten, waaronder SUWInet-Inkijk en systemen bij de organisaties. Overigens moet voor de goede orde opgemerkt worden dat het gebruik van het digitaal klantdossier/SUWInet-Inkijk niet de enig toegestane wijze van elektronische gegevensuitwisseling betreft in het SUWI-domein. Uiteraard geldt dat ook bij andere vormen van gegevensuitwisseling het principe van eenmalige gegevensuitvraag leidend is.

Voor de klanten heeft het ontsluiten van gegevens middels het digitaal klantdossier de volgende consequentie. In de huidige situatie wendt een klant zich tot de CWI om een uitkering aan te vragen. De CWI-medewerker kijkt bij de behandeling van de aanvraag in Suwinet-Inkijk welke gegevens over deze klant bij de verschillende partijen bekend zijn. In verband met het nog niet goed functioneren van de loonaangifteketen (Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale verzekeringswetten en de Wet financiering sociale verzekeringen (Walvis/WFSV) kunnen CWI-medewerkers nu niet beschikken over de meest actuele loongegevens. Hierover is de Tweede Kamer bij brief van 18 september 2007 geïnformeerd (Kamerstukken 2007/08, 31 066, nr. 14). Dit betekent dat deze op dit moment nog bij de klant zelf moeten worden uitgevraagd. De gegevens in Suwinet, tezamen met de gegevens van de klant zelf vormen het uitgangspunt voor de behandeling van de aanvraag.

In toekomst zal niet de klant maar het digitaal klantdossier steeds meer de primaire bron van de gegevens vormen. De gegevens in het digitaal klantdossier – onder andere gegevens uit de polisadministratie – vormen de basis voor de beoordeling van het recht, duur en de hoogte van de uitkering. De klant krijgt de voor hem van belang zijnde gegevens te zien via het zogenaamde klantbeeldscherm op internet en middels vooringevulde aanvraagformulieren. De klant controleert de gegevens vervolgens en vult deze waar nodig aan. Wanneer de gegevens in zijn optiek niet juist zijn, kan de burger een verzoek indienen om deze te (laten) corrigeren. (zie ook punt 2. inzage en correctie).

De polisadministratiegegevens die via het Digitaal klantdossier worden ontsloten, zijn bij de vereenvoudigingoperatie loonaangifteketen (Walvis/WFSV) door de Belastingdienst ten behoeve van het UWV bij de werkgever uitgevraagd. Deze gegevens worden vervolgens opgenomen in de polisadministratie. Een werkgever hoeft dus alleen aan de Belastingdienst (en dus niet meer aan het UWV) opgave te doen van de loongevens. Een klant zal voorlopig in verband met het nog niet goed functioneren van de loonaangifteketen nog zelf gegevens betreffend loon aan de CWI moeten verstrekken in het kader van zijn uitkeringsaanvraag. Het kan nu nog voorkomen, dat het UWV bij de behandeling van een aanvraag voor een WW-uitkering nog nadere gegevens vraagt aan een werkgever. Dit betreft echter niet de structurele uitvraag van loongegevens die immers via de loonaangifteketen verloopt. Zodra sprake is van een goed werkende keten is dit niet meer nodig.

Daarnaast blijft staan dat de burger voor wat betreft het fiscale domein aangifte zal moeten doen bij de Belastingdienst in het kader van de inkomstenbelasting. Ook de Belastingdienst zal op termijn gaan werken met vooringevulde formulieren.

2. Inzage en Correctie

De leden van de PvdA-fractie vragen of het Digitaal Verzekerdenbericht van UWV het enige instrument is en zal blijven om de burger inzage en correctiemogelijkheid te geven in zijn gegevens. Zij vragen wat er precies gebeurt als een burger een correctie in de van hem vastgelegde gegevens wil aanbrengen.

Dit wetsvoorstel wijzigt niets met betrekking tot het recht van belanghebbende op inzage en correctie. Op dit moment kan de klant ook inzage krijgen in zijn gegevens en heeft de mogelijkheid indien nodig tot correctie.

In het kader van het digitaal klantdossier wordt de informatie waarover de organisaties beschikken aan de klant getoond: het klantbeeld. Zoals ook uit de Tweede Kamerbehandeling van het wetsvoorstel naar voren is gekomen, zal in het klantbeeld tevens worden aangegeven wie de verantwoordelijke is voor de gegevensverwerking en tot wie de burger zich dus kan wenden. Daarnaast is het mogelijk om correctieverzoeken via het klantbeeld in te dienen bij de verantwoordelijke registerhouder. Correctie dient plaats te vinden bij de registerhouder. Als een burger vragen heeft over de aanvraag WW en WWB is de CWI het fysieke loket waar een burger met vragen terecht kan, dus ook over correctie van gegevens. Door de CWI kan een terugmelding worden gedaan naar de betreffende registratiehouder. De registerhouders blijven verantwoordelijk om na onderzoek het gegeven indien van toepassing, te wijzigen.

Voor de polisadministratie wordt inzage en correctie mogelijk gemaakt naar aanleiding van het in de wet voorgeschreven digitaal verzekeringsbericht (DVB). Het DVB bevat naast de persoonidentificerende gegevens, gegevens over het verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen, (de omvang van) het opgebouwde arbeidsverleden en het sv-loon van de laatste 12 of 13 loontijdvakken (maand of 4 weken). De klant heeft de mogelijkheid om correctieverzoeken op de gegevens in het DVB door te geven aan het UWV. In verband met de problemen in de loonaangifteketen is het nog onzeker wanneer een uitrol van het DVB zal plaatsvinden De in het DVB opgenomen gegevens zullen na de uitrol van het DVB kunnen worden ontsloten via het digitaal klantdossier.

Voor wat betreft de gegevens die niet afkomstig zijn uit de polisadministratie en dus ook niet via het DVB worden ontsloten wordt, het volgende. In overleg met de andere ketenpartners, wordt op dit moment gekeken voor welke gegevens en op welke wijze het UWV kan aansluiten bij het in ontwikkeling zijnde correctiemechanisme. Dit correctiemechanisme gaat uit van een zogenaamd front-endprincipe. Dat wil zeggen dat de klant elektronisch een verzoek tot correctie kan doen. De verdere afhandeling zal afhankelijk van het gegeven al dan niet elektronisch plaatsvinden in het backoffice van de registerhouder. Daarbij zal het in sommige gevallen noodzakelijk zijn dat een klant stukken ter ondersteuning van zijn correctieverzoek zal opsturen aan het verantwoordelijke bestuursorgaan. Binnen de e-overheid worden op dit moment de mogelijkheden onderzocht om te komen tot een generieke, dat wil zeggen een binnen de overheid breed toepasbare, correctievoorziening.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken om in te gaan op de toezeggingen die de regering bij monde van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken heeft gedaan in het debat met deze Kamer over de invoering van het Burgerservicenummer. De toezeggingen strekken er volgens deze leden juist toe dat bij verschil van mening over de correctie van persoonsgegevens een onafhankelijke instantie de beslissing neemt.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel algemene bepalingen burgerservicenummer op 10 juli 2007 heeft de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties erop gewezen dat als een burger meent dat een overheidsorgaan op basis van verkeerde gegevens werkt, die burger in eerste instantie contact moet opnemen met het desbetreffende overheidsorgaan. Mocht dat niet baten dan kan de burger terecht bij de rechter. Daarnaast zal de burger ondersteuning moeten kunnen krijgen bij het corrigeren van zijn gegevens. De staatsecretaris heeft toegezegd hiervoor een contactpunt in te richten. Dit contactpunt is inmiddels opgezet en beschikbaar voor de burger. Bij genoemde behandeling van dit wetsvoorstel is ook de vraag aan de orde gekomen of nu voldoende verzekerd is dat de gegevens daadwerkelijk worden gecorrigeerd. De staatsecretaris heeft daarbij aangegeven dat zij de rol van een onafhankelijk orgaan weggelegd ziet voor het College bescherming persoonsgegevens (CBP). Dit college heeft deze bemiddelings- en adviesrol ook al op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP).

De leden van de PvdA-fractie vragen concreet toe te lichten wat de bezwaren zijn tegen een onafhankelijke derde instantie, en aan te geven welke waarborgen er zijn ingeval van onenigheid de belangen van de burger afdoende zijn beschermd.

In de WBP is neergelegd dat een burger het recht heeft op inzage in de hem betreffende gegevens. Waneer gegevens feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zaken dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt kan een burger de verantwoordelijke voor de gegevensverwerking om correctie verzoeken. Soms kan dit ook op grond van toepasselijke wetgeving op basis van een met de WBP-gelijk, te stellen verzoek om correctie. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen. De verantwoordelijke bericht de verzoeker vervolgens in hoeverre hij aan het verzoek voldoet. Als de betrokkene niet kan instemmen met de beslissing van de verantwoordelijke, staat voor hem (na bezwaar) beroep bij de rechter open. De rechter is de onafhankelijke geschilbeslechter bij uitstek. Bovendien heeft de betrokkene de mogelijkheid om het CBP om bemiddeling te vragen of een klacht in te dienen bij de Nationale ombudsman wanneer mogelijk sprake is van een onbehoorlijke gedraging door het desbetreffende bestuursorgaan. Zowel het CBP als de Nationale ombudsman zijn onafhankelijk instanties Het zou in de optiek van het kabinet niet juist zijn om naast het bestaande uitgebreide stelsel van rechtsbescherming een nieuwe vorm te kiezen. Gekozen wordt om aansluiting te zoeken bij de bestaande rechtsgang.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de relatie van de uitspraak van de staatssecretaris tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer op 6 september jl. dat bij problemen over de correctie van gegevens de burger altijd een beroep kan doen op bijstand en bemiddeling van het CBP en de mededeling van de voorzitter van het College dat het College niet meer bereid en in staat is om klachten van individuele burgers te behandelen.

Wanneer het verzoek om correctie niet wordt gehonoreerd heeft een betrokkene zoals gezegd, de mogelijkheid van bezwaar en beroep en kan hij zich wenden tot het CBP. Er is een onderscheid tussen de behandeling van klachten en bemiddelingen. Het CBP heeft op grond van de WBP de taak om kosteloos te bemiddelen bij verzoeken om correctie van gegevens. Het CBP weegt af of het opportuun is een bemiddelingsverzoek in behandeling te nemen. Dit neemt niet weg, dat er tegelijkertijd voor een betrokkene nog andere middelen openstaan, zoals zich rechtstreeks wenden tot de rechter of een klacht indienen bij de Nationale Ombudsman. Dit zijn echter uiterste middelen. Dit ontslaat de sector zelf niet van het nemen van maatregelen zodat correctieverzoeken snel en naar behoren worden afgehandeld. Tegen die achtergrond moet de opmerking tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer worden verstaan. De inzet is dat wordt voorkomen dat bemiddeling van het CBP nodig is. Ik heb, zoals toegezegd tijdens de Tweede Kamerbehandeling, de Raden van Bestuur van de verschillende SUWI-organisaties verzocht om alert te reageren als burgers onjuiste gegevens constateren en bezwaar maken tegen opname van gegevens of wanneer inzage of correctie daarvan wordt geweigerd.

De leden van de VVD-fractie vragen wat er gebeurt als er verschil van gegevens bestaat tussen beide basisadministraties, bijvoorbeeld polisadministratie en basisadministratie belastingdienst.

Er wordt een stelsel van samenhangende basisregistraties gecreëerd. In het kader van het stelsel van basisregistraties is de afspraak gemaakt dat bestuursorganen een terugmeldplicht hebben aan de registerhouder bij gerede twijfel aan de juistheid van een authentiek gegeven. Voor wat betreft de toekomstige BLAU en de BRI geldt dat het gaat het om verschillende authentieke gegevens. Bij de BRI gaat het om fiscale jaarloongegevens en bij de Blau om actuele verzekerings- en (maand) sv-loongegevens en om gegevens omtrent arbeidsverhoudingen. Het kan niet voorkomen dat één en hetzelfde gegeven zowel in de BRI als in de toekomstige Blau.

De leden van de VVD-fractie vragen of de staatssecretaris het standpunt deelt dat burgers en bedrijven nog geen «correctierecht» hebben en daarom nooit verantwoordelijk zijn voor hetgeen er ten aanzien van hen daadwerkelijk in een register staat vermeld.

De wet eenmalige gegevensuitvraag wijzigt zoals hiervoor aangegeven niets met betrekking tot het recht van belanghebbende op inzage en correctie. Op dit moment kan een burger op grond van de WBP inzage krijgen in zijn gegevens en heeft indien nodig ook het recht om correctie te verzoeken. Bij de inrichting van de polisadministratie is ervan uitgegaan, dat de werknemer en de werkgever een verantwoordelijkheid hebben voor de juistheid van de gegevens, die in de polisadministratie worden opgenomen. In de Wet SUWI is bepaald dat de werknever, indien naar aanleiding van berichten over geregistreerde gegevens in de polisadministratie blijkt dat gegevens niet juist of onvolledig zijn, dit terstond aan het UWV meldt. Daarnaast heeft de werkgever ten aanzien van de gegevens, die via de loonaangifte worden gemeld een verantwoordelijkheid voor de juistheid daarvan. Op grond van de Wet op de Loonbelasting 1964 heeft de werkgever de plicht via een correctiebericht de juiste gegevens te verstrekken indien hij vaststelt dat een onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan.

3. Tijdpad uitvoering

De leden van de PvdA-fractie informeren naar de voortgang van de proefprojecten in twee Friese gemeenten en vragen of de verwachte termijn van 1 januari 2008 zal worden gehaald bij de generieke invoering van het digitaal klantdossier. Ook de leden van de VVD-fractie vragen of alle gemeenten voor 1 januari 2008 gereed zijn met hun voorbereidingen in het kader van dit wetsontwerp.

Er is gekozen voor een zorgvuldig implementatietraject van het digitaal klantdossier. Ter voorbereiding van de landelijke implementatie heeft een pilot in Heerenveen en Skâsterlan plaatsgevonden. In Den Haag is het digitaal klantdossier als eerste op lokaal niveau geïmplementeerd via een proefuitrol. De leerpunten uit deze trajecten zijn opgepakt en verwerkt in het digitaal klantdossier. In de periode van september 2007 tot 1 januari 2008 wordt het digitaal klantdossier fasegewijs op lokaal niveau geïmplementeerd.

Naar verwachting zal de implementatie niet volledig afgerond zijn op 1 januari 2008. In «technische» zin zal de invoering van het digitaal klantdossier grotendeels in 2007 worden gerealiseerd, maar als het gaat om de implementatie van klantdiensten, ketenafspraken en om de afstemming van werkprocessen, zal het implementatietraject voor een deel doorlopen in 2008. De verwachting is dat een deel van de gemeenten voor 1 januari 2008 zijn gegevens aanlevert en dat hiermee een aanzienlijk deel van het klantenbestand wordt ontsloten. De inschatting is dat de implementatie in de eerste helft van 2008 succesvol kan worden afgerond.

Indien de wet eenmalige gegevensuitvraag op 1 januari 2008 in werking treedt is het voornemen om op 3 januari 2008 het klantbeeld alsmede de vooringevulde intake voor alle klanten open te zetten. Bij gemeenten waar het digitaal klantdossier nog niet volledig is geïmplementeerd kan een klant – indien de gemeente de gegevens aanlevert – zijn gegevens in het digitaal klantdossier inzien. Het daadwerkelijke (her)gebruik van gegevens is sterk afhankelijk van de aanpassing van de dienstverlening en werkprocessen. De verwachting is dat het openzetten van het klantbeeld als stimulans zal werken voor die gemeenten die het digitaal klantdossier nog niet volledig hebben geïmplementeerd om ook gegevens te delen en processen in te richten.

De leden van de VVD-fractie vragen specifiek naar de «privacyproof-heid». Zoals al eerder gezegd bouwt het digitaal klantdossier voor een groot deel voort op reeds bestaande componenten, waaronder SUWInet en systemen bij de organisaties.

Uit de EDP-audit van SUWInet 2006 komt naar voren dat ten opzicht van 2005 er met name in het kader van informatiebeveiliging Suwinet een duidelijke verbetering te constateren is. In Elektronische dienstverlening in het algemeen leidt tot specifieke eisen aan informatiebeveiliging. Ketenpartijen werken volgens gezamenlijke voorschriften en een gezamenlijke verantwoordingsrichtlijn. In het kader van het Digitaal klantdossier geldt dat maatregelen voor privacy en informatiebeveiliging veelal per ketenpartner reeds zijn genomen. In het kader van het digitaal klantdossier moeten medewerkers geautoriseerd zijn om toegang te krijgen tot het digitaal klantdossier en kunnen medewerkers alleen gegevens raadplegen die zij voor hun specifieke taak nodig hebben (via taak-gerichte gegevensschermen). Klanten hebben op hun beurt alleen toegang tot hun eigen dossier-gegevens met behulp van DigiD.

De leden van de SP-fractie vragen waarom het voorstel nu behandeld zou moeten worden, gezien de ernstige invoeringsproblemen bij de polisadministratie en de grote, vertragende gevolgen voor het groeipad van de Wet eenmalige gegevensuitvraag. Zij vragen of aangegeven kan worden welke invoeringstermijn reëel wordt geacht en op welke termijn een daadwerkelijke gegevensuitvraag zou kunnen gaan plaatsvinden tussen de verschillende instanties.

Het wetsvoorstel kent twee belangrijke pijlers:

1. de verplichting om de elektronische voorzieningen in stand te houden voor gegevensuitwisseling/-raadpleging (artikel 62);

2. de wettelijke verankering van de eenmalige gegevensuitvraag.

Daarnaast worden met dit wetsvoorstel de voorwaarden geschapen omde dienstverlening van het Inlichtingenbureau ook te benutten voor andere beleidsvelden.

De inzet is dat de verplichting om de elektronische voorzieningen in stand te houden voor gegevensuitwisseling/-raadpleging in de vorm van het digitaal klantdossier op 1 januari 2008 in kan gaan. Het streven blijft ook dat gemeenten hun aansluiting op het digitaal klantdossier realiseren voor 1 januari 2008. De afronding van de behandeling van het wetsvoorstel vóór 1 januari 2008 geeft ondersteuning aan de grote inspanningen die op deze gebieden door de verschillende partijen worden verricht.

De eenmalige gegevensuitvraag wordt als volgt wettelijk verankerd:

• het beginsel van dit wetsvoorstel is dat – in aansluiting op het stelsel van basisregistraties – gegevens waarover de SUWI-organisaties uit met name genoemde registraties kunnen beschikken voor de uitvoering van hun taken, niet meer aan de klant mogen worden gevraagd. In het wetsvoorstel worden concreet hiervoor aangeduid: de polisadministratie, de verzekerdenadministratie en de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Overigens was dit voor de polisadministratie en de verzekerdenregistratie reeds geregeld. Op lager niveau wordt geëxpliciteerd welke gegevens in de SUWI-keten als kwalitatief worden beoordeeld en daarmee dus niet meer aan de klant worden uitgevraagd uit de in de wet SUWI genoemde en andere bij algemene maatregel van bestuur (amvb) aan te wijzen registraties. Welke soort gegevens het betreft wordt in de amvb transparant gemaakt.

• in het kader van de uitwerking van de reeds aan de Wet SUWI ten grondslag liggende samenwerking wordt expliciet geregeld dat gemeenten en het UWV geen informatie mogen uitvragen die de CWI al aan de klant heeft gevraagd.

• de mogelijkheid wordt gecreëerd om bij ministeriële regeling gegevens uit bepaalde registraties aan te wijzen, die worden uitgezonderd van de spontane informatieplicht. De klant hoeft dan niet meer bij talrijke instanties een wijziging in zijn omstandigheden te melden, maar alleen bij daartoe aangewezen instanties.

Niet genoeg kan worden benadrukt dat het realiseren van eenmalige gegevensuitvraag een groeipad betreft, waarbij voor de invulling aangesloten wordt op de praktijk. Anderzijds is het belangrijk om een start te maken met eenmalige gegevensuitvraag. In de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag bij dit wetsvoorstel is aangegeven dat het wetsvoorstel aansluit bij de stand van zaken in de praktijk, te weten de implementatie van het digitaal klantdossier, de beschikbaarheid van (basis)registraties en de kwaliteit van de gegevens. De ministeriële regeling met betrekking tot het vervallen van de spontane informatieplicht wordt de komende jaren nog niet ingevuld. Dit is het sluitstuk van de eenmalige gegevensuitvraag.

Kern van het wetsvoorstel is een optimale combinatie van enerzijds richting geven en anderzijds flexibiliteit creëren met het oog op een realistische invulling van het groeipad. De expertise van de uitvoering is essentieel voor de concrete invulling van het groeipad. Op niveau van ministeriële regeling wordt vastgelegd welke gegevens «voldoende» kwaliteit hebben en niet meer aan de klant worden uitgevraagd. In verband met een zorgvuldige implementatie ligt het in de rede dat er tussen bekendmaking van deze gegevens en de inwerkingtreding van de bepaling in de wet een periode ligt. Ik heb de Tweede Kamer toegezegd dat ik voor Kerst 2007 informatie geef over de verdere invulling van het groeipad van de eenmalige gegevensuitvraag. Ik heb hierbij aangegeven dat de invulling van dat groeipad moet worden gebaseerd op realistische afspraken, waarbij een goede balans wordt gevonden tussen slagvaardigheid en zorgvuldigheid.

Door de leden van de SP-fractie wordt er terecht op gewezen dat het gebruik van de polisadministratie als bron voor het digitaal klantdossier en eenmalige gegevensuitvraag is vertraagd. De leden van de SP-fractie vragen of kan worden aangeven op welke termijn de Kamer geïnformeerd wordt over de gevolgen van de probleemanalyse van Walvis voor het groeipad van de Wet eenmalige gegevensuitvraag.

In de brief van 18 september 2007 (Kamerstukken II, 2007/08, 31 066, nr. 14) over de integrale probleemanalyse van de loonaangifteketen wordt aangegeven dat de inzet en de verwachting is dat eind 2008 zal kunnen worden vastgesteld dat de werkende keten in 2008 is gerealiseerd. In aanvulling op de probleemanalyse wordt op dit moment door de Belastingdienst en het UWV gewerkt aan een normenkader voor de loonaangifteketen. Dit normenkader geeft invulling aan de kwaliteitseisen met betrekking tot de juistheid, volledigheid en tijdigheid van de polisadministratiegegevens en stelt de kaders voor de sturing- en verantwoordingsrapportage over de loonaangifteketen. Op basis hiervan kan naar verwachting een reële inschatting van het groeipad voor gegevens uit de polisadministratie worden gemaakt. Aan de Tweede Kamer is gemeld dat dit normenkader nadat het door de Belastingdienst en het UWV is vastgesteld en door de minister van SZW en de staatssecretaris van Financiën akkoord is bevonden nog voor januari 2008 naar de Tweede Kamer wordt verstuurd.

Ondanks de problemen in de loonaangifteketen wil ik benadrukken dat er voor wat betreft de technische aansluiting op het digitaal klantdossier, waar de leden van de PvdA-fractie in uw voorlopig verslag ook op wijzen, de afgelopen periode belangrijke stappen zijn gezet.

De leden van de PvdA-fractie geven aan dat zij geïnteresseerd zijn in het aangekondigde onderzoek van de Inspectie Werk en Inkomen «in de tweede helft van 2007» naar eenmalige gegevensuitvraag bij het UWV, de SVB, de CWI en gemeenten.

In het in de zomer van 2006 gepubliceerde jaarplan 2007 van de Inspectie Werk en Inkomen is een onderzoek opgenomen naar de vraag in hoeverre gegevens nog maar één keer worden opgevraagd. Destijds was de veronderstelling dat in 2007 het wettelijke verbod op eenmalige gegevensuitvraag zou zijn ingevoerd. Aangezien dit niet het geval is en omdat in 2008 nog slechts een beperkte set gegevens onder het verbod zal vallen, heeft de Inspectie de start van het onderzoek doorgeschoven naar 2008. Zij zal specifiek aandacht besteden aan de sturing van de ketenpartijen op het realiseren van eenmalige gegevensuitvraag.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. Aboutaleb

Naar boven