30 143
Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces

B
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 januari 2008

Op 18 december 2007 is het bovenvermelde wetsvoorstel door de Tweede Kamer aanvaard en het voorbereidend onderzoek is inmiddels door de vaste Commissie voor justitie van uw Kamer bepaald op 12 februari a.s. Met het oog op dit onderzoek stel ik het op prijs om u thans reeds het volgende mee te delen.

Na afloop van de mondelinge behandeling in een wetgevingsoverleg over het wetsvoorstel is op 7 december 2007 een amendement ingediend onder nr. 24. Dit amendement is op 18 december 2007 door de Tweede Kamer aangenomen. Het bevatte geen bepaling dat het bij aanvaarding van het amendement in de plaats zou komen van artikel III, dat inmiddels bij derde nota van wijziging op 6 december 2007 in het wetsvoorstel is opgenomen. Nu het wetsvoorstel eveneens in zijn geheel is aanvaard, moet worden vastgesteld dat het thans twee grondslagen bevat voor een uitkering vanwege de staat aan het slachtoffer dat geen tijdige en volledige schadevergoeding van de veroordeelde heeft ontvangen. Omdat de regeling uit het amendement in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht een bredere grondslag voor uitkering bevat, is de regeling in artikel III die een wijziging van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven behelst, overbodig geworden.

In het voorgaande heb ik aanleiding gezien om dit in een tweede nota van wijziging bij het voorstel van wet houdende herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van enige wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het ministerie van Justitie (Reparatiewet III Justitie) (31 248) op te nemen. Dit laatste wetsvoorstel is op 17 januari jl. door de Tweede Kamer aangenomen en sindsdien aanhangig bij uw Kamer.

Ik hoop dat ik u met het voorgaande voldoende heb ingelicht.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Naar boven