30 935
Subsidiariteitstoets van het voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake de inventarisatie van Europese kritieke infrastructuur, de aanmerking van infrastructuur als Europese kritieke infrastructuur en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuur te verbeteren (COM(2006) 787 definitief)

F
VERSLAG SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 13 maart 2007

De bijzondere commissie voor de JBZ-Raad1 heeft op 20 februari 2007 een brief (bijlage 1) gezonden aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties waarin zij een aantal vragen heeft geformuleerd in het kader van de parlementaire subsidiariteits- en proportionaliteitstoets van het voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake de inventarisatie van Europese kritieke infrastructuur, de aanmerking van infrastructuur als Europese kritieke infrastructuur en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuur te verbeteren (COM(2006) 787). De minister heeft deze vragen bij brief van 12 maart 2007 beantwoord (bijlage 2).

De commissie brengt hierbij verslag uit van het aldus gevoerde schriftelijke overleg.

De voorzitter van de commissie,

Engels

De griffier van de commissie,

Van Dooren

BIJLAGE 1 Aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Den Haag, 20 februari 2007

In het kader van de parlementaire subsidiariteits- en proportionaliteitstoets toetst de bijzondere commissie voor de JBZ-Raad van de Eerste Kamer momenteel het voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake de inventarisatie van Europese kritieke infrastructuur, de aanmerking van infrastructuur als Europese kritieke infrastructuur en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuur te verbeteren (COM(2006) 787).

De commissie heeft zich in haar vergadering van 13 februari jl. over het onderwerp van deze richtlijn laten informeren door de heren T. H. J. Joustra en G. M. de Vries. Tevens heeft zij met belangstelling kennis genomen van het BNC-fiche over deze ontwerprichtlijn dat haar op 12 februari jl. door het kabinet is toegezonden. Naar aanleiding hiervan legt zij u graag de volgende vragen voor.

Naar het oordeel van de commissie is de beantwoording van de vraag of de richtlijn voldoet aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit in belangrijke mate afhankelijk van de beantwoording van de vraag welke kritieke infrastructuur uiteindelijk als Europese kritieke infrastructuur wordt aangemerkt en welke criteria daarbij worden gehanteerd.

Het BNC-fiche meldt dat het kabinet van mening is dat «enge definities» dienen te worden gehanteerd voor Europese kritieke infrastructuur, «zodat alleen die Europese vitale infrastructuren worden aangewezen die er werkelijk toe doen en waar een EU aanwijzing een duidelijke meerwaarde levert».

De bijzondere commissie voor de JBZ-Raad verneemt graag van de regering welke concrete betekenis (in de zin van criteria) de regering toekent aan het begrip «enge definities». Tevens verneemt zij graag, hoe de regering voornemens is te bereiken dat dergelijke «enge» criteria zullen worden aangelegd, overwegende dat artikel 2, lid b van het richtlijnvoorstel een definitie biedt van «Europese kritieke infrastructuur» en artikel 3 bepaalt dat de sectoroverstijgende en sectorspecifieke criteria voor de aanwijzing van Europese kritieke infrastructuur worden vastgesteld door middel van de comité-procedure (nadat de richtlijn is aangenomen en in werking is getreden). Zijn er ook infrastructuren waarbij die meerwaarde op voorhand al duidelijk is.

Met betrekking tot de proportionaliteit van het richtlijnvoorstel wordt in het BNC-fiche geconstateerd dat de uitwerking van het richtlijnvoorstel nog onduidelijk is. Het kabinet concludeert dat het er kritisch op blijft toezien dat bij de uitwerking van de richtlijn het proportionaliteitsbeginsel gerespecteerd blijft. Kan de regering verduidelijken ten aanzien van welke punten zij nadere uitwerking verwacht, wie deze uitwerking biedt en hoe de Nederlandse regering kan bewerkstelligen dat het proportionaliteitsvereiste daarbij niet in het geding komt.

De regering beklemtoont bovendien in de proportionaliteitsparagraaf van het richtlijnvoorstel in het BNC-fiche het belang en de waarde van bestaande sectorale Europese wetgeving op dit terrein. De voorgestelde richtlijn zou naar het oordeel van de regering hiervoor een kader moeten bieden en niet «normstellend» moeten worden ingericht. De bijzondere commissie voor de JBZ-Raad vraagt de regering of de opvatting van de regering zo moet worden gelezen dat de regering van oordeel is dat het doel van de richtlijn feitelijk ook bereikt zou kunnen worden wanneer op Europees niveau wordt volstaan met een sectorspecifieke benadering, zoals tot nog toe gebruikelijk, waarbij achtereenvolgens alle relevante kritieke infrastructuursectoren in ogenschouw worden genomen.

De bijzondere commissie voor de JBZ-Raad stelt een spoedig antwoord van de regering op de hierboven genoemde vragen bijzonder op prijs.

Namens de voorzitter van de bijzondere commissie voor de JBZ-Raad,

De griffier van de bijzondere commissie voor de JBZ-Raad,

Mw. mr. W. A. J. M. van Dooren

BIJLAGE 2 Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 12 maart 2007

Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de schriftelijke vragen die gesteld zijn namens de voorzitter van de bijzondere commissie voor de JBZ-Raad (Eerste Kamer), door de griffier van de bijzondere commissie voor de JBZ-Raad mw. mr. W. A. J. M. van Dooren.

De vragen zijn gesteld naar aanleiding van het voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake de inventarisatie van Europese kritieke infrastructuur, de aanmerking van infrastructuur als Europese kritieke infrastructuur en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuur te verbeteren (COM(2006) 787).

Deze vragen werden ingezonden op 20 februari 2007 met kenmerk 2007-0000005739.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. ter Horst

1. De bijzondere commissie voor de JBZ-Raad verneemt graag van de regering welke concrete betekenis (in de zin van criteria) de regering toekent aan het begrip «enge definities».

De bescherming van de vitale infrastructuren is een verantwoordelijkheid van de lidstaten en de eigenaren en beheerders van de vitale infrastructuren. Het EPCIP dient zich dan ook te concentreren op de Europese vitale infrastructuren die bij uitval of vernietiging een serieuze impact hebben op meerdere lidstaten. Dit betekent dat alleen infrastructuur moet worden meegewogen, die werkelijk van cruciaal belang is op Europese schaal. Dit kan door op zeer heldere wijze de criteria af te bakenen.

De nu door de Commissie voorgestelde definitie van vitale infrastructuur is te ruim. Het kabinet zal voorstellen aan te sluiten op de definitie die in Nederland gehanteerd wordt. Infrastructuur wordt als vitaal beschouwd als het aan één van de volgende criteria voldoet:

– verstoring of uitval van een vitale sector, dienst of product veroorzaakt economische of maatschappelijk ontwrichting op (inter-)nationale schaal;

– verstoring of uitval leidt direct of indirect tot veel slachtoffers;

– de ontwrichting is van lange duur, herstel kost relatief veel tijd en gedurende het herstel zijn vooralsnog geen reële alternatieven voorhanden.

Ook is de definitie van Europese vitale infrastructuur te ruim. Het kabinet zet in om de definitie te veranderen in «drie of meer lidstaten» en «of in twee lidstaten, indien dit in een andere lidstaat is dan die waar de vitale infrastructuur zich bevindt».

Om dubbelwerk en onnodige lastenverzwaring te voorkomen moet verder zoveel mogelijk aangesloten worden op de praktijk van reeds bestaande internationale/mondiale regelgeving, Europese richtlijnen en bilaterale afspraken die in en met verschillende sectoren bestaan.

2. Tevens verneemt zij graag, hoe de regering voornemens is te bereiken dat dergelijke «enge» criteria zullen worden aangelegd, overwegende dat artikel 2, lid b van het richtlijnvoorstel een definitie biedt van «Europese kritieke infrastructuur» en artikel 3 bepaalt dat de sectoroverstijgende en sectorspecifieke criteria voor de aanwijzing van Europese kritieke infrastructuur worden vastgesteld door middel van de comité-procedure (nadat de richtlijn is aangenomen en in werking is getreden).

Tijdens behandeling van de richtlijn in de Raad zal Nederland zich inzetten om definities (artikel 2) zoals bij antwoord 1 beschreven te realiseren. Hierbij wordt actief steun gezocht bij andere lidstaten.

Bij de implementatie van de richtlijn, in concreto het vaststellen van de criteria genoemd in artikel 3, zal Nederland zitting nemen in de comité-commissie zoals weergegeven in artikel 11 van de richtlijn. Dit waarborgt de inspraak van Nederland bij het vaststellen van de sectoroverstijgende en sectorspecifieke criteria.

3. Zijn er ook infrastructuren waarbij de meerwaarde van een aanwijzing als Europese vitale infrastructuur op voorhand al duidelijk is.

Voor wat betreft de meerwaarde liggen infrastructuren met een duidelijke internationale verwevenheid, zowel fysiek als juist ook economisch voor de hand. In hoeverre dit ook daadwerkelijk zal leiden tot het aanmerken van onderdelen van deze vitale infrastructuren als Europese Vitale Infrastructuur, is afhankelijk van de concretisering van dit vraagstuk de komende tijd. Het Kabinet zal zich hierbij kritisch opstellen uitgaande van het standpunt rond de verdeling van verantwoordelijkheden.

4. Kan de regering verduidelijken ten aanzien van welke punten zij nadere uitwerking verwacht, wie deze uitwerking biedt en hoe de Nederlandse regering kan bewerkstelligen dat het proportionaliteitsvereiste daarbij niet in het geding komt.

Het richtlijnvoorstel betreft een proces om de Europese vitale infrastructuur te identificeren, vast te stellen en de noodzaak te onderzoeken om deze infrastructuren te verbeteren. Dit proces moet na het van kracht worden van de richtlijn inhoudelijk verder nog worden uitgewerkt. Bijvoorbeeld te beginnen met het vaststellen van criteria (artikel 3) en uiteindelijk ook het vaststellen van de eventueel te nemen extra beschermingsmaatregelen voor Europese vitale infrastructuren. Hiertoe worden expertgroepen ingezet en vindt besluitvorming plaats via de comité procedure (artikel11). Bij de uitwerking van het EPCIP dienen de bestaande sectorale en internationale regelgeving en maatregelen in acht te worden genomen. Samenwerking met de private sectoren is hierbij essentieel.

Onder de coördinatie van BZK dragen alle betrokken departementen het Kabinetsstandpunt uit. Het blijft echter een EU proces waarin NL slechts één van de actoren is. Daarom wordt continu gezocht naar coalitiemogelijkheden met andere landen om zo voldoende «EU-massa» te mobiliseren.

5. De bijzondere commissie voor de JBZ-Raad vraagt de regering of de opvatting van de regering zo moet worden gelezen dat de regering van oordeel is dat het doel van de richtlijn feitelijk ook bereikt zou kunnen worden wanneer op Europees niveau wordt volstaan met een sectorspecifieke benadering, zoals tot nog toe gebruikelijk, waarbij achtereenvolgens alle relevante kritieke infrastructuursectoren in ogenschouw worden genomen.

Nederland staat positief tegenover het initiatief en het principe dat Europese vitale infrastructuren met grote grensoverschrijdende effecten geïdentificeerd moeten worden en goed beschermd moeten zijn.

Een van de uitgangspunten van het EPCIP is dat het programma per vitale sector wordt uitgewerkt. Er zijn echter ook sectoroverstijgende vraagstukken en afhankelijkheden. Het gaat dan bijvoorbeeld om het vraagstuk hoe we omgaan met de spanning tussen de openbaarheid van overheidsinformatie en de noodzaak om bepaalde terrorisme gevoelige informatie af te schermen. Verder hebben we uit de ervaringen met het Nederlandse programma rond de bescherming van vitale infrastructuren geleerd dat het bezien van de wederzijdse afhankelijkheid tussen sectoren – zogenaamde «interdependenties» – juist veel winst kan opleveren.

Een sectorspecifieke benadering alleen zal ook in de Europese context onvoldoende bescherming bieden en kwetsbaarheden laten bestaan. Een Europees programma in de vorm van het EPCIP is dus gerechtvaardigd.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Holdijk (SGP), Wagemakers (CDA), Jurgens (PvdA), Dees (VVD), De Wolff (GL), Van de Beeten (CDA), Broekers-Knol (VVD), Hessing (LPF), Middel (PvdA), Kox (SP), plv. voorzitter, Engels (D66), voorzitter en Pruiksma (CDA).

Plv. leden: De Vries (CU), Dolle (CDA), Eigeman (PvdA), Minderman (GL), Essers (CDA), Van Thijn (PvdA), Schuyer (D66) en Franken (CDA).

Naar boven