A
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de Wet
luchtvaart te wijzigen in verband met het invoeren van de mogelijkheid om
ten aanzien van de luchthaven Schiphol, zonodig in afwijking van wettelijke
bepalingen en alvorens te besluiten tot definitieve aanpassing van betrokken
wet- en regelgeving, experimenten te houden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
ARTIKEL I
In de Wet luchtvaart worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A
In artikel 8.23 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het eerste lid wordt vervangen door:
1. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming
met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
kan indien ten gevolge van groot onderhoud van een baan het normale gebruik
van een luchthaven naar hun oordeel ernstig wordt belemmerd:
a. vrijstelling worden verleend van een regel in het luchthavenverkeerbesluit;
b. een in het luchthavenverkeerbesluit vastgelegde grenswaarde voor
de geluidbelasting in een bepaald punt worden vervangen door een andere grenswaarde.
2. Na het vierde lid wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
5. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
indien ten gevolge van een bijzonder voorval het normale gebruik van een luchthaven
naar hun oordeel ernstig wordt belemmerd vrijstelling verlenen van een regel
in het luchthavenverkeerbesluit of een in het luchthavenverkeerbesluit vastgelegde
grenswaarde vervangen. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
B
Na artikel 8.23 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 8.23a
1. Bij regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming
met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
kan worden bepaald dat bij wijze van experiment wordt afgeweken van krachtens
artikel 8.15 gestelde voorschriften, mits de commissie regionaal overleg luchthaven
Schiphol, bedoeld in artikel 8.34 of een ander bij ministeriële regeling
aan te wijzen regionaal orgaan, bij advies heeft aangegeven dat het experiment
een gunstig effect kan hebben op de hinderbeleving. De afwijking kan bestaan
uit:
a. het verlenen van vrijstelling van een regel in het luchthavenverkeerbesluit
voorzover deze de luchtverkeerwegen of het gebruik van het luchtruim en de
beschikbaarheid van de banen betreft, of
b. het vervangen van een in het luchthavenverkeerbesluit vastgelegde
grenswaarde voor de geluidbelasting in een bepaald punt door een andere grenswaarde.
2. In de ministeriële regeling wordt het doel van het experiment
vastgesteld, alsmede op welke wijze van welke voorschriften wordt afgeweken
en op welke wijze eventuele nadelige gevolgen zo veel mogelijk worden beperkt.
3. In de ministeriële regeling kan worden bepaald in hoeverre,
op welke wijze en door wie eventuele nadelige gevolgen worden gecompenseerd.
In dat geval is artikel 8.31 niet van toepassing.
4. Tevens worden in de ministeriële regeling regels gesteld
over de uitvoering en de gevolgen van het experiment, over criteria aan de
hand waarvan kan worden bepaald of het experiment wordt omgezet in een structurele
wettelijke regeling, en worden voorzieningen getroffen voor onvoorziene gevallen
die zich gedurende het experiment kunnen voordoen.
5. Een experiment kan slechts worden toegestaan voor een bepaalde
in de ministeriële regeling vast te stellen termijn van ten hoogste een
jaar. Deze termijn kan eenmaal met maximaal een jaar worden verlengd. De looptijd
van een experiment sluit zoveel mogelijk aan bij een gebruiksjaar. Bij voortijdige
beëindiging van het experiment stelt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat,
in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer, een overgangsregeling vast.
6. Indien voor afloop van een experiment en in overeenstemming met
de artikelen 8.13, 8.14 of 8.24 een ontwerp is bekendgemaakt om het experiment
om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan bij ministeriële
regeling de termijn van het experiment worden verlengd tot het tijdstip waarop
het ontwerp is vastgesteld en in werking treedt.
7. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zendt, in overeenstemming
met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
voldoende tijdig voor het einde van de werkingsduur van een ministeriële
regeling als bedoeld in het eerste lid aan de Staten-Generaal een verslag
over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk,
alsmede een standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan
als experiment. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming
met Onze Minister van Volkhuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
bericht de beide kamers der Staten-Generaal bij vaststelling van deze ministeriële
regeling wanneer en over de wijze waarop hij verslag zal doen.
8. Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt
niet eerder vastgesteld dan nadat het voorstel voor advies is voorgelegd aan
de commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in artikel 8.34,
in de Staatscourant en in een regionaal dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad
is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier
weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen
ter kennis van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te brengen.
9. De commissie regionaal overleg luchthaven Schiphol, bedoeld in
artikel 8.34, danwel een ander per ministeriële regeling aan te wijzen
orgaan, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat verzoeken om een ministeriële
regeling als bedoeld in het eerste lid vast te stellen. Onze Minister van
Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, overweegt het verzoek en deelt uiterlijk
zes weken na ontvangst van het verzoek zijn overwegingen, met redenen omkleed,
aan de commissie en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal mee.
ARTIKEL IA
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zendt binnen 5 jaar na de inwerkingtreding
van deze wet, en vervolgens telkens na 10 jaar, aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
ARTIKEL II
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,