30 804
Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2007)

D
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 6 december 2006

Algemeen

Met belangstelling heb ik kennis genomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de vaste commissie voor Financiën. Het verheugt mij dat de leden van de fractie van het CDA met veel belangstelling en waardering hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Het doet mij ook goed dat de leden van de fractie van de VVD zich in het wetsvoorstel kunnen vinden en met genoegen constateer ik dat de leden van de fractie van de PvdA en van de fracties van de ChristenUnie en de SGP de voorgestelde lastenverlichting voor gezinnen onderschrijven.

Hieronder ga ik in op de vragen en opmerkingen van de leden van de verschillende fracties. Bij de beantwoording is de volgorde van het verslag zoveel mogelijk aangehouden.

1. Inleiding

De leden van de fractie van de PvdA vragen een overzicht van de lastenontwikkeling, opgesplitst naar gezinnen en bedrijven. Onderstaande tabel laat de lastenontwikkeling zien vanaf het kabinet Balkenende I.

Lastenontwikkeling 2003–2007 (stand MN 2007)

 20032004200520062007
bedrijven0,21,0– 0,20,0– 0,5
gezinnen3,60,91,5– 3,3– 0,5
Totaal3,81,81,3– 3,3– 1,0

De leden van de fractie van D66 vragen naar de budgettaire effecten van de introductie van een verplicht annuïtair aflossingsschema voor hypotheekschulden. In de Actualisatie varianten fiscale behandeling eigenwoningbezit1 zijn diverse varianten doorgerekend met een aflossingsschema. In deze varianten wordt een fictief aflossingsschema gehanteerd. Uitgangspunt daarbij is dat de rente over het deel van de oorspronkelijke schuld dat binnen het aflossingsschema past aftrekbaar is in box 1. Het deel van de schuld waarvan de rente niet meer aftrekbaar is, verhuist naar box 3. De opbrengst van de variant die een annuïtair aflossingsschema voorschrijft, bedroeg structureel (na 30 jaar) € 3,1 miljard. Hierbij is ervan uitgegaan dat de annuïteit vanaf het jaar van invoering voor alle hypotheken wordt toegepast. Bij tussentijdse wijzigingen (zoals een verhuizing) zal de annuïteit met betrekking tot de oude hypotheek doorlopen en zal voor een eventueel extra hypotheekbedrag een nieuwe annuïteit gaan gelden. Aangezien bij een annuïteitenhypotheek het rentebestanddeel in het vaste maandbedrag in de beginjaren relatief hoog is en in de eindjaren laag, is de opbrengst van deze variant gedurende de eerste jaren beperkt en loopt daarna flink op. De door de leden van de fractie van D66 bedoelde variant vormt in zekere mate een versobering ten opzichte van bovenstaande variant. Ik begrijp deze variant aldus dat uitsluitend hypotheekrente aftrek wordt toegestaan indien er verplicht wordt afgelost via een annuïtair schema. Hierdoor is de opbrengst met€ 3,5 miljard iets hoger, aangezien er geen hypotheekschuld meer verhuist naar box 3.1 In onderstaande tabel zijn de langjarige budgettaire effecten weergegeven van zowel de variant uit de Actualisatie varianten fiscale behandeling eigenwoningbezit als de door de leden van de fractie van D66 bedoelde variant.

Opbrengst varianten annuïteitenhypotheek in € mld

 Na 5 jaarNa 10 jaarNa 15 jaarNa 20 jaar Na 25 jaarNa 30 jaar
Actualisatie0,20,50,91,52,23,1
D660,30,61,11,72,53,5

De leden van de fractie van D66 vragen of de door hen bedoelde variant voldoende oplevert om de overdrachtsbelasting af te schaffen. De overdrachtsbelasting levert in 2007 circa € 4,7 miljard op; hiervan heeft € 3,3 miljard betrekking op eigen woningen. Door invoering van een annuïtair aflossingsschema zou derhalve alleen een zeer geleidelijke afschaffing van de overdrachtsbelasting kunnen worden gedekt.

2. Tijdelijke tariefverlaging box 2

Ik betreur het dat de leden van de fractie van de VVD het jammer vinden dat het kabinet geen alternatieve regeling voor de tariefverlaging in box 2 heeft voorgesteld.

3. Regeling dienstverlening aan huis

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de regeling dienstverlening aan huis mag worden beschouwd als een aanzet om het soort werkzaamheden dat onder de vrijstelling van de verplichting tot inhouding van loonbelasting en premies valt, uit te breiden. Voorts vragen zij welke werkzaamheden naast schoonmaakwerk binnen de regeling vallen.

De regeling dienstverlening aan huis ziet op een breed scala aan activiteiten in of om de woning van de opdrachtgever die men in beginsel zelf pleegt te verrichten en met enige regelmaat terugkeren. Naast werkzaamheden van puur huishoudelijke aard worden hieronder ook verstaan activiteiten als het oppassen op de kinderen, het uitlaten van de hond, het onderhouden van de tuin en kleine onderhoudswerkzaamheden aan de woning. Ook het verrichten van persoonlijke chauffeursdiensten en het verrichten van allerhande klusjes, zoals het doen van boodschappen of het ophalen van medicijnen, vallen hieronder. Daarnaast valt ook het verlenen van zorg, al dan niet via een persoonsgebonden budget (PGB) of alphahulpverlening onder de regeling. Gezien het brede scala aan activiteiten dat onder de regeling dienstverlening aan huis kan vallen, is op voorhand niet duidelijk welke uitbreiding van activiteiten gewenst zou kunnen zijn.

Ook vragen de leden van de fractie van de PvdA naar de verhouding van de regeling dienstverlening aan huis met de feitelijke belastingvrijstelling aan de voet die door de heffingskortingen bestaat.

De dienstverlener in de regeling dienstverlening aan huis moet zijn inkomsten aangeven in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Deze inkomsten zijn belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Net als elke andere belastingplichtige in de inkomstenbelasting heeft ook de hiervoor genoemde dienstverlener recht op de op hem van toepassing zijnde heffingskortingen. Hierdoor kan zich de situatie voordoen dat na vermindering van de verschuldigde belasting met de bedragen van de heffingskortingen over deze inkomsten per saldo geen belasting hoeft te worden betaald. Over het algemeen zal betrokkene echter al (gedeeltelijk) gebruikmaken van de algemene heffingskorting omdat hij bijvoorbeeld inkomsten uit vroegere dienstbetrekking heeft of – ingeval hij geen inkomsten heeft – de partner van betrokkene voldoende belasting betaalt en hij derhalve in aanmerking komt voor uitbetaling van de algemene heffingskorting.

Voor het door deze leden genoemde onderscheid tussen wit en zwart werk is slechts van belang in hoeverre de genoten inkomsten al dan niet terecht niet in de heffing worden betrokken. In de introductiecampagne van de regeling dienstverlening aan huis zal duidelijk worden gemaakt wat de fiscale verplichtingen zijn van de opdrachtgever (geen verplichtingen) en dienstverlener (net als bij andere inkomsten: verplichting tot aangeven van de inkomsten, tenzij geen aangiftebiljet is uitgereikt en de inkomsten zodanig laag zijn dat geen belasting is verschuldigd). Gelet op de normale verplichtingen tot het aangeven van genoten inkomsten kan er geen misverstand over bestaan dat werken binnen de regeling dienstverlening aan huis, ondanks het ontbreken van fiscale verplichtingen voor de opdrachtgever, geen zwartwerken betreft; van zwartwerken is uitsluitend sprake indien de inkomsten ten onrechte niet worden aangegeven. Dat er onder omstandigheden geen aangifte hoeft te worden gedaan en dat het doen van aangifte onder omstandigheden niet hoeft te resulteren in een te betalen aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen doet hier niet aan af.

De leden van de fractie van de VVD vragen om een reactie op het commentaar van de redactie in Vakstudie Nieuws 2006/55.2 over de regeling dienstverlening aan huis.

De redactie van Vakstudie Nieuws vraagt zich af of de rechtvaardiging van het kabinet voor het verschil in behandeling van opdrachtgevers die iemand diensten ten behoeve van zijn huishouden laat verrichten en andere opdrachtgevers niet zou moeten leiden tot een ruimere inzet van de vrijstelling.

Het kabinet heeft aangegeven dat zo al sprake zou zijn van gelijke gevallen bij een opdrachtgever die iemand diensten ten behoeve van zijn huishouden laat verrichten en een opdrachtgever die andere diensten laat verrichten, de rechtvaardiging voor het verschil in behandeling hieruit bestaat dat er bij diensten ten behoeve van het huishouden sprake is van een reële keuze tussen zelf doen en uitbesteden, terwijl dat bij andere diensten in het algemeen niet het geval is. Het laten vervallen van de inhoudingsplicht is bedoeld om in de eerstgenoemde situatie te stimuleren dat deze werkzaamheden worden uitbesteed, terwijl een dergelijke stimulans in de als tweede genoemde situatie niet aan de orde is. Nu de vrijstelling reeds kan worden toegepast in situaties waarin dit wenselijk is, ziet het kabinet in zoverre geen reden voor een (nog) ruimere inzet van deze vrijstelling. In hoeverre in de toekomst voorstellen worden gedaan voor een verdere uitbreiding is – zoals ook in antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de PvdA is aangegeven – echter aan het volgende kabinet.

Daarnaast stelt de redactie vragen bij de veronderstelling dat er sprake is van een dienstbetrekking als iemand tegen betaling zijn hond door iemand anders laat uitlaten.

De regeling dienstverlening aan huis is alleen van toepassing als sprake is van een dienstbetrekking. Of dat het geval is hangt af van de feiten en omstandigheden, ook in de situatie dat iemand zijn hond door iemand anders laat uitlaten. De regeling dienstverlening aan huis speelt bij die beoordeling geen rol.

De leden van de fractie van D66 informeren naar de stand van zaken rond de introductiecampagne van de Belastingdienst en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de regeling dienstverlening aan huis. De voorbereidingen hiervoor zijn in gang gezet en in de loop van 2007 zal de regeling op een adequate wijze onder de aandacht worden gebracht van het publiek.

De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP vragen of de opdrachtgever binnen de regeling dienstverlening aan huis verplicht is een administratie bij te houden voor de Belastingdienst.

Aan opdrachtgevers binnen de regeling dienstverlening aan huis worden geen administratieve of financiële lasten opgelegd. Met het ontbreken van een inhoudings- en meldplicht ontbreekt ook de met de loon- en premieheffing samenhangende administratieplicht.

Voorts vragen de leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP of vanaf het begin van de introductie van de regeling duidelijk is welke activiteiten wel en niet onder de regeling vallen en hoe wordt voorkomen dat de fiscale rechter in tal van zaken van op zichzelf geringe importantie telkens uitsluitsel moet geven.

In de toelichting op de regeling dienstverlening aan huis is aangegeven welke activiteiten binnen de regeling vallen. Ook in de gezamenlijke introductiecampagne van de Belastingdienst en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal ruim aandacht zijn voor de activiteiten waarop de regeling kan worden toegepast. De gang naar de rechter zal hierdoor in beginsel niet nodig zijn.

Ook vragen de leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP of het kan voorkomen dat de kring van onverzekerde werknemers wordt uitgebreid, omdat thans verzekerde werknemers overstappen naar deze dienstverlenende activiteiten.

De regeling dienstverlening aan huis komt in de plaats van de regeling voor huishoudelijk personeel van particulieren. Het bereik van de voorgestelde regeling is ruimer dan die bestaande regeling. Ook dienstverleners die drie dagen per week voor dezelfde opdrachtgever werkzaam zijn, zullen immers onder de nieuwe regeling vallen. Ook geldt de regeling dienstverlening aan huis voor een breed scala aan vormen van persoonlijke dienstverlening.

De regeling stimuleert de vraag naar persoonlijke dienstverlening. Naar verwachting zullen vooral op dit moment niet werkzame personen werk als persoonlijk dienstverlener gaan verrichten. Het effect op de totale populatie verzekerde werknemers is naar verwachting verwaarloosbaar.

Overigens zij nog opgemerkt dat de dienstverlener verzekerd blijft indien hij in een gezamenlijke verklaring van hemzelf en de opdrachtgever meldt dat zijn arbeidsverhouding als dienstbetrekking moet worden beschouwd.

Daarnaast vragen de leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP of de regeling is getoetst aan de EU-regelingen en conventies van de ILO.

Wat betreft de toets aan het Europese en internationale socialezekerheidsrecht kan het volgende worden opgemerkt. Uit de jurisprudentie1 volgt dat een nationale regeling die werkzaamheden die in de regel minder dan vijftien uur per week worden uitgeoefend geheel of gedeeltelijk uitsluit van verplichte sociale verzekeringsrechten geen discriminatie oplevert wanneer de betrokken wettelijke regeling noodzakelijk is ter verwezenlijking van een doelstelling van sociaal beleid. Dit is het geval wanneer de uitsluiting van deze dienstverbanden van de verplichte verzekering beantwoordt aan een structureel beginsel van een op bijdragebetaling berustend socialezekerheidsstelsel, het enige middel is om aan een maatschappelijke vraag naar deze dienstverbanden te beantwoorden en bedoeld is om een toename van het aantal illegale banen en van het aantal ontduikingen van de sociale wetgeving te voorkomen.

Hoewel de in dit wetsvoorstel geïntroduceerde regeling dienstverlening aan huis de grens hoger legt en als gevolg daarvan meer mensen uitgesloten kunnen worden van de kring van verzekerden voor de verplichte sociale verzekeringen (ook al zal het effect zoals hiervóór reeds is aangegeven naar verwachting verwaarloosbaar zijn), afhankelijk van het succes van deze regeling, verandert dit niets aan de aard van de regeling. Met deze regeling wordt immers ook een doelstelling van sociaal beleid – te weten arbeidsmarktbeleid – nagestreefd.

De regeling voldoet eveneens aan de ILO – minimumnormverdragen. Deze verdragen, die de leden van de ILO een zorgplicht opleggen en werknemers beogen te beschermen tegen het risico van onder andere arbeidsongeschiktheid en ziekte, geven de ruimte om een deel van de werkende beroepsbevolking uit te sluiten. In dit verband zij bijvoorbeeld gewezen op artikel 4 van het ILO-Verdrag nr.121 betreffende de prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten en artikel 5 van het ILO-Verdrag nr. 130 betreffende geneeskundige verzorging en uitkeringen bij ziekte. In die artikelen kunnen bepaalde categorieën werknemers zonodig worden uitgesloten van de bescherming die deze verdragen bieden tot maximaal «10 procent van het totaal der loontrekkenden». Deze regeling blijft in combinatie met andere bestaande beperkingen in de kring van de werknemersverzekeringen aan de kant van de socialeverzekeringswetten ruimschoots onder dat percentage.

4. Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

Het is verheugend dat de leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP de voorgestelde startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid waarderen. Belangrijkste voorwaarde voor deze faciliteit is dat de ondernemer in het kalenderjaar recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De ondernemer weet dat zolang hij recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, hij in de startfase een aftrekpost van € 12 000, € 8000 en € 4000 voor het eerste, tweede, respectievelijk derde jaar zou kunnen ontvangen. Indien de ondernemer in een volgend kalenderjaar door een herkeuring geen recht meer heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering – de leden van deze fracties vragen daarnaar – komt hij derhalve niet langer in aanmerking voor deze faciliteit. Daarvoor bestaat dan ook geen reden meer.

5. Afdrachtvermindering zeevaart

De leden van de fractie van D66 vragen of naast de afdrachtvermindering zeevaart ook een afdrachtvermindering voor ontwikkelingswerk en onderwijs in voorbereiding is. Er bestaat thans een drietal afdrachtverminderingen: de afdrachtvermindering onderwijs, de afdrachtvermindering zeevaart en de S&O-afdrachtvermindering (speur & ontwikkeling). Deze afdrachtverminderingen zijn opgenomen in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Het kabinet is niet voornemens nieuwe afdrachtverminderingen te introduceren.

6. Milieu en mobiliteit

De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP vragen naar aanleiding van de aanpassing van de energiebelasting bij aanwending van aardgas voor transportdoeleinden waarom is gekozen voor een neutrale aanpak namelijk een tariefniveau dat volgens deze leden nauwelijks zal leiden tot uit milieuoogpunt wenselijke gedragseffecten. Met de invoering van een vast tarief voor aardgas dat wordt aangewend als motorbrandstof, wordt nagestreefd de problemen die bij de toepassing van het huidige schijventarief ten aanzien van aardgas als motorbrandstof bestaan, weg te nemen. Gezien het feit dat de belasting ten aanzien van de overige motorbrandstoffen (benzine, diesel of LPG) wordt geheven via een vast tarief per liter respectievelijk kilogram, is het logisch om ook ten aanzien van aardgas aangewend als motorbrandstof te heffen via een vast tarief. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de wens van de sector om duidelijkheid te geven over de fiscale behandeling van aardgas als motorbrandstof en wordt de fiscale belemmering ten aanzien van het gebruik van aardgas voor transportdoeleinden weggenomen.

Voorts vragen deze leden waarom de tariefstelling zo is dat het wel voor bussen, bestelauto’s en taxi’s, maar minder voor gewone auto’s aantrekkelijk is om van diesel over te stappen op CNG (Compressed Natural Gas). De situatie dat het voor bussen, bestelauto’s en taxi’s veelal aantrekkelijker is om van diesel naar aardgas over te stappen dan voor personenauto’s, hangt niet samen met de keuze van het tarief, maar met het gemiddelde aantal kilometers dat met deze vervoermiddelen wordt gereden. De aanschafkosten van een vervoermiddel dat rijdt op aardgas liggen hoger dan die van een vergelijkbaar voertuig met dieselmotor. De brandstofkosten per kilometer (inclusief belasting) liggen daarentegen lager. Doordat met bussen, bestelauto’s en taxi’s gemiddeld meer kilometers worden gereden dan met personenauto’s, zal het -los van andere overwegingen die bij deze keuze een rol spelen- in veel gevallen aantrekkelijk zijn voor de eigenaren van deze voertuigen om van diesel over te stappen naar aardgas.

7. BPM teruggaaf bij uitvoer

Het doet mij genoegen dat de leden van de fractie van de VVD het eens zijn met de maatregelen ter zake van de BPM en dat deze leden op enkele onderdelen van hun waardering blijk geven. Dat de aanpassingen van de BPM EU-proof zijn, deze leden hopen daarop, is wel mijn verwachting. Naar aanleiding van de mening van deze leden dat deze maatregelen niet thuis horen in een belastingplan, wil ik wijzen op de onbevredigende gevolgen die, gegeven de zeer recentelijk kenbaar geworden rechterlijke opvatting die de aanleiding is voor deze aanpassingen, zouden voortvloeien uit het uitblijven van reparatiewetgeving.

8. Artiesten- en beroepssportersregeling

De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP vragen naar de gevolgen van de voorgestelde wijzigingen voor beroepssporters woonachtig in een ontwikkelingsland. Met betrekking tot de gevolgen is er een aantal mogelijkheden ter zake van de belastingheffing in dat land.

Indien Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting (hierna: belastingverdrag) heeft gesloten met het ontwikkelingsland, ziet Nederland (met de nieuwe voorstellen) af van het verdragsrechtelijk toegewezen heffingsrecht. Dit houdt in dat Nederland niet meer heft over inkomsten die de inwoner van dat verdragsland in Nederland verwerft met de sportbeoefening. Dit heeft de volgende gevolgen voor de belastingheffing in het woonland van de beroepssporter:

1. indien sprake is van een belastingverdrag waarin het woonland de «verrekeningsmethode» toepast over de in Nederland verworven inkomsten van de beroepssporter, mag het woonland deze inkomsten tot het wereldinkomen rekenen van de beroepssporter. Het heffingsrecht over het Nederlandse deel van het inkomen van de beroepssporter is in dit geval toegewezen aan het woonland . Aangezien in Nederland geen belasting wordt geheven, hoeft het ontwikkelingsland geen verrekening te geven van Nederlandse belasting.

2. indien sprake is van een belastingverdrag waarin het woonland de «vrijstellingsmethode» toepast over de in Nederland verworven inkomsten van de beroepssporter, dient het woonland van de beroepssporter dit inkomen vrij te stellen. Het woonland kan dan geen belasting heffen over dit inkomen. Overigens is met een zeer beperkt aantal ontwikkelingslanden een dergelijke methode opgenomen. Nederland zal deze landen aanbieden een «verrekeningsmethode» voor deze inkomsten in de belastingverdragen op te nemen.

Indien Nederland geen belastingverdrag heeft gesloten met het ontwikkelingsland, heeft Nederland in de voorgestelde nieuwe wetgeving nationaal nog steeds het heffingsrecht. In deze gevallen wijzigt de bestaande situatie niet. Eén en ander houdt in dat Nederland belasting heft over het in Nederland verworven inkomen door de in het niet-verdragsland wonende beroepssporter. Afhankelijk van de nationale wetgeving in het ontwikkelingsland, kan dit inkomensbestanddeel al dan niet worden belast in dat land. Indien dit het geval is, kan de nationale wetgeving van dat land een regeling bevatten die de dan ontstane dubbele belasting beperkt of wegneemt.

9. Verlaging tarief successie- en schenkingsrecht

Het doet mij genoegen dat de leden van de fractie van de PvdA het wenselijk vinden dat het hoogste tarief van het successie- en schenkingsrecht wordt verlaagd. Als gevolg van een amendement van het Tweede Kamerlid Van Oudenallen is de aanvankelijk voorgestelde tariefverlaging ingezet als dekking voor een verhoging van de (klein)kindervrijstellingen. In antwoord op de vraag van deze leden merk ik op dat een combinatie van beide maatregelen een extra belastingderving van € 2 miljoen had betekend.

Naar aanleiding van de stelling van de leden van de fractie van D66 met betrekking tot de kapitaalvlucht naar het buitenland merk ik het volgende op. Jaarlijks emigreren tienduizenden mensen uit Nederland. Volgens de laatste cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat in de eerste negen maanden van 2006 bijna 100 duizend mensen zijn geëmigreerd (Persbericht 06-104 van 10 november 2006). De beslissing om te emigreren zal bij ieder van hen zijn gebaseerd op een persoonlijke afweging van verschillende factoren. Uit een onderzoek van april 2005 in Demos, een uitgave van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut, blijkt dat Nederlanders vooral emigreren omdat zij de bevolkingsdichtheid hier te groot vinden (te weinig rust en stilte) en omdat hen de mentaliteit in ons land niet aanstaat.

De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet inzicht kan geven in de wijze waarop de successiebelasting in andere landen van de EU is geregeld. Naar aanleiding daarvan merk ik op dat bij de behandeling van het Belastingplan 2006 in de Eerste Kamer, op verzoek van de leden van de fractie van D66, een inventarisatie van de successiewetgeving in andere landen van de Europese Unie is toegezegd. Het desbetreffende onderzoek is nog niet afgerond. Zodra de onderzoeksgegevens bekend zijn, zal uw Kamer daarover zo spoedig mogelijk worden geïnformeerd.

10. Arrest Charles en Charles-Tijmens

Het verheugt mij dat de leden van de fracties van de Christen Unie en de SGP de noodzaak onderschrijven van de aanpassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 aan Europese jurisprudentie ter zake van het heffen van omzetbelasting over het gebruik voor «bijzondere doeleinden» van goederen die behoren tot het bedrijfsvermogen van een ondernemer. Deze leden vragen welke feiten naar verwachting van de regering vooral gaan vallen onder deze aanpassing.

Deze leden veronderstellen terecht dat het bij het gebruik voor «bijzondere doeleinden» gaat om veel meer dan de in de memorie van toelichting bedoelde vakantiewoning die bedrijfsmatig en privé wordt gebruikt door de ondernemer. Het gaat namelijk in essentie om het gebruik voor «bijzondere doeleinden» van elk willekeurig goed dat behoort tot het bedrijfsvermogen van de ondernemer. Zo komt het in de praktijk veel voor dat bedrijfspanden gedeeltelijk voor «bijzondere doeleinden» (als woning) en gedeeltelijk voor bedrijfsdoeleinden door de ondernemer worden gebruikt, bijvoorbeeld een woning met een praktijkruimte of een woning met een werkkamer. Ook kan worden gedacht aan een jacht dat door een ondernemer als bedrijfsgoed wordt aangeschaft en gedeeltelijk zakelijk en gedeeltelijk privé door hem wordt gebruikt. Een ander voorbeeld is het gebruik van roerende goederen, zoals auto’s, computers en dergelijke, die behoren tot het bedrijfsvermogen van de ondernemer en die zowel voor «bijzondere doeleinden» als voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt. Om overigens een mogelijk misverstand te voorkomen, zij opgemerkt dat het in het wetsvoorstel niet gaat om particulieren die met hun goederen in de OB-heffing worden «getrokken», maar dat het gaat om OB-ondernemers die goederen tot hun bedrijfsvermogen rekenen en die goederen ook voor «bijzondere doeleinden» gebruiken.

Naar aanleiding van een vraag van de leden van de fractie van D66 merk ik op dat als gevolg van de regeling die is voorgenomen inzake het arrest Charles en Charles-Tijmens een toename van de administratieve lasten wordt verwacht van € 0,01 mln.

De leden van de fractie van de VVD zien graag een reactie tegemoet op de artikelen «Consumptief verbruik via de zaak en BTW» van prof. dr. B.G. van Zadelhoff in het Weekblad Fiscaal Recht 6694, van 16 november 2006 en «BTW en onzakelijk gebruik of privé-gebruik» van prof. Dr. H.W.M. van Kesteren en mr. J.B.O. Bijl. In die artikelen wordt stilgestaan bij de verschillende aspecten van de voorgestelde wijzigingen in de Wet op de omzetbelasting 1968. Op die aspecten en met name de aspecten die nieuwe gezichtspunten bevatten wordt ingegaan in het artikelsgewijze deel van deze nota.

11. Werkgeversbijdrage in de kinderopvang

De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP vragen ten aanzien van een aantal aspecten van de voorgestelde regeling van de werkgeversbijdrage voor kinderopvang een nadere argumentatie.

Kern van het voorstel is dat de werkgeversbijdrage wordt vervangen door een overheidsbijdrage. Als gevolg van de gekozen systematiek is er geen sprake van overheidsinmenging in de relatie tussen werkgevers en werknemers; de maatregel reguleert immers geen onderlinge aanspraken en plichten tussen werknemers en werkgevers, maar aanspraken respectievelijk plichten jegens de overheid.

Een financieel toegankelijke kinderopvang is van een zodanig belang voor een goede werking van de arbeidsmarkt dat de regering het gerechtvaardigd acht de werkgeversbijdrage wettelijk te regelen nu gebleken is dat een arbeidsvoorwaardelijke regeling er niet toe heeft geleid dat voldoende werknemers aanspraak kunnen maken op een toereikende tegemoetkoming van de werkgever. De regering ziet hierin geen aanleiding afstand te nemen van het ook in de huidige Wet kinderopvang neergelegde uitgangspunt dat werkgevers een derde deel van de kosten van kinderopvang vergoeden. Zij zijn immers een van de partijen die de voordelen genieten van de mogelijkheden die de kinderopvang ouders biedt om de zorg voor kinderen te combineren met betaalde arbeid.

De keuze voor de in het voorstel opgenomen systematiek vindt zijn grond in de overweging dat hiermee de kosten voor kinderopvang voor alle werkgevers dezelfde zijn, ongeacht de samenstelling van het personeelsbestand. In de huidige situatie wordt een werkgever waarvan de werknemers behoefte hebben aan kinderopvang met hogere kosten geconfronteerd in vergelijking met een werkgever waarvan de werknemers daaraan in mindere mate behoefte hebben. Op de wijze zoals voorgesteld, voorziet het voorstel in een spreiding van de kosten van kinderopvang op een wijze die vergelijkbaar is met die van sectorale fondsen, waaraan eveneens alle werkgevers bijdragen, ongeacht de mate waarin hun werknemers gebruik maken van kinderopvang.

Het ligt voor de hand om, waar de overheid de verstrekking van een vergoeding voor de kosten van kinderopvang van de werkgevers overneemt, de uitvoering daarvan in samenhang met de huidige kinderopvangtoeslag te laten plaatsvinden.

12. Uitvoering

De leden van de fractie van de PvdA achten de voorgestelde verplichte werkgeversbijdrage voor de kosten van kinderopvang een flinke verbetering ten opzichte van de huidige financieringssystematiek. Met het oog op het daadwerkelijk op 1 januari 2007 gerealiseerd zijn van een verlichting voor ouders en werkgevers stellen zij een aantal vragen over de uitvoering.

Vanuit zowel het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als vanuit de Belastingdienst/Toeslagen wordt voorzien in uitgebreide voorlichting aan ouders en werkgevers. De ouders die nu kinderopvangtoeslag ontvangen, krijgen automatisch het hogere bedrag uitbetaald. Daar hoeven ze verder niets voor te doen. In de leeswijzer die is meegestuurd met de voorschotbeschikking 2007 wordt erop gewezen dat de toeslag in 2007 door de verplichte werkgeversbijdrage waarschijnlijk hoger uitvalt. Ook de website van de Belastingdienst besteedt aandacht aan het onderwerp en de BelastingTelefoon geeft ook antwoord op dit soort vragen. Werkgevers hebben onlangs informatie ontvangen via de periodieke nieuwsbrief die ze van de Belastingdienst ontvangen. Vooral ten behoeve van de ouders die nu nog geen kinderopvangtoeslag ontvangen, maar daarop vanaf 1 januari 2007 wel aanspraak kunnen maken, wordt bovendien vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een uitgebreide publiekscampagne gehouden, waaronder radiospots. Met het oog op de gevolgen van het voorstel voor bestaande afspraken is de nodige informatie verstrekt aan werkgevers- en werknemersorganisaties en aan vakbladen.

Het voorstel bevat een overgangsbepaling voor bestaande afspraken over een werkgeversbijdrage. Deze houdt in dat werkgevers en sectorfondsen niet aan een overeengekomen bijdrage in de kosten van kinderopvang zijn gehouden voor zover daarin al wordt voorzien door de verhoging van de kinderopvangtoeslag die de overheid vanaf 1 januari 2007 zal verstrekken. Hiervoor behoeven de bestaande collectieve of individuele overeenkomsten dus niet te worden aangepast.

Deze overgangsbepaling laat bestaande gunstiger arbeidsvoorwaardelijke regelingen onverlet. Zolang deze niet zijn aangepast, zijn werkgevers daaraan gehouden; zij dienen hun werknemers de overeengekomen aanvulling te geven op de bijdrage die zij van de overheid ontvangen.

Het huidige beeld is dat de meeste intermediairs – in de verwachting dat werkgevers en sectorfondsen daaraan in het geheel niet of nog slechts in zeer beperkte mate behoefte hebben – hun activiteiten op het vlak van de werkgeversbijdragen in de loop van het eerste half jaar van 2007 zullen beëindigen.

Omdat voor de vaste, inkomensonafhankelijke toeslag geen bijzondere voorwaarden gelden kan de Belastingdienst/Toeslagen het recht daarop vaststellen op grond van de gegevens waarover zij al beschikt ten behoeve van de huidige, inkomensafhankelijke kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen is erop voorbereid bij aanvaarding van het voorstel deze verhoging reeds in december uit te keren in het kader van de bevoorschotting voor januari 2007.

13. Diversen

De leden van de fractie van het CDA vragen waaruit ik afleid dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om bij de invoering van artikel 3.64, vierde lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) onder het begrip overheidsingrijpen ook indirect overheidsingrijpen te verstaan.

Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001 werd toegelicht dat het nieuwe artikel 3.64, vierde lid, tot doel had het bestaande uitvoeringsbeleid te codificeren. Dat uitvoeringsbeleid was neergelegd in het voor de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geldende besluit van 25 augustus 1992, nr. DB92/3157 (BNB 1992/313). In dat besluit luidde de omschrijving «overheidsingrijpen dat uiteindelijk tot beëindiging van de uitoefening van de onderneming op de oorspronkelijke plaats leidt».

In de Wet IB 2001 is deze omschrijving geconcretiseerd in het begrip overheidsingrijpen van artikel 3.64, vierde lid. Overheidsingrijpen in dat artikel betreft «onteigening» en wat daaronder mede kan worden begrepen, alsmede bij algemene maatregel van bestuur aangewezen communautaire of nationale regelgeving die leidt tot een herstructurering van een bedrijfstak.

De Hoge Raad heeft nadien een uitbreiding gegeven aan de uitleg van het eerdergenoemde uitvoeringsbesluit. In zijn arrest van 17 september 2004, BNB 2004/411, heeft de Hoge Raad namelijk beslist dat onder overheidsingrijpen in de zin van voormeld besluit moet worden begrepen «een overheidsingrijpen dat belet aanpassingen in de bedrijfsvoering door te voeren zonder welke op termijn de hiervoor bedoelde beëindiging onafwendbaar is». Omdat dit arrest dateert van na de codificatie, heeft het geen betekenis voor de toepassing van het huidige artikel 3.64 van de Wet IB 2001.

Ook vragen deze leden of aan de motie Slob inzake indirect overheidsingrijpen1 uitvoering zal worden gegeven en zo ja, wat dan wordt verstaan onder indirect overheidsingrijpen.

In mijn brief van 27 oktober aan de Tweede Kamer2 heb ik gereageerd op de ingediende moties en amendementen. Over de motie Slob is het volgende opgemerkt: «... De wettelijke formulering die toen tot stand is gekomen biedt niet de ruimte om daaronder ook het door de heer Slob bedoelde indirecte overheidsingrijpen te begrijpen. De enige manier om dit te realiseren zou wetswijziging zijn. Uiteraard is daar altijd discussie over mogelijk, maar daarbij zouden ook andere aspecten, zoals budgettaire en staatssteunaspecten, in ogenschouw moeten worden genomen. Ik ben bereid om hier welwillend naar te kijken en zou de heer Slob willen verzoeken de motie aan te houden. « De motie Slob over indirect overheidsingrijpen is vervolgens aangenomen. Dat betekent dat ik of mijn ambtsopvolger zal bezien of het mogelijk is hieraan uitvoering te geven.

De leden van de fractie van de VVD vragen om een reactie op hun argumenten tegen de gebruikelijkloonregeling. Deze leden geven aan dat de gebruikelijkloonregeling destijds in het leven is geroepen om te verhinderen dat DGA’s door een nihilinkomen de heffing van vermogensbelasting verijdelen en oneigenlijk gebruik maken van inkomensafhankelijke (subsidie)regelingen. Naar de mening van deze leden zijn nader nog als argumenten van de gebruikelijkloonregeling aangevoerd dat moet worden voorkomen dat de DGA door een nihilsalaris de premies volksverzekeringen ontgaat en dat door een nihilsalaris de belastingheffing in de tijd verschuift. Deze leden voeren een aantal tegenargumenten aan. De vermogensbelasting is afgeschaft. Oneigenlijk gebruik van (subsidie)regelingen en het ontgaan van premie volksverzekeringen kan (grotendeels) voorkomen worden door het fictieve loon verplicht gelijk te stellen aan het maximum van de tweede schijf, tenzij de vennootschap structureel te weinig winst maakt om een dergelijk salaris uit te keren. Met het doorschuiven van de belastingheffing in de tijd wordt een onderneming sterker, wat goed is voor de economie. Bovendien, zo voeren deze leden aan, wordt de mindere opbrengst aan inkomstenbelasting grotendeels gecompenseerd door een hogere opbrengst aan vennootschapsbelasting. Naar aanleiding van deze tegenargumenten merk ik het volgende op. Indien het gebruikelijke loon gelijkgesteld wordt aan het maximum van de tweede schijf, opent dit voor DGA’s weer de mogelijkheid om af te zien van het opnemen van een salaris dat past bij hun werk en dat in zakelijke verhoudingen zou zijn bedongen. Door aftrekposten, zoals negatieve inkomsten uit eigen woning en uitgaven voor inkomensvoorzieningen, kan het fiscale inkomen van DGA’s zo laag worden dat zij toch oneigenlijk gebruik van inkomensafhankelijke regelingen kunnen maken en dat de grondslag voor de premie volksverzekeringen wordt uitgehold. Een onderneming wordt niet per definitie sterker door het doorschuiven van belasting in de tijd. De financieringsbehoefte en rendementsverwachtingen kunnen tussen bedrijven sterk verschillen. De derving in de inkomstenbelasting wordt inderdaad gedeeltelijk gecompenseerd door een hogere opbrengst aan vennootschapsbelasting. Niettemin blijft sprake van een substantieel verlies aan belastingopbrengsten vanwege het verschil in belastingtarieven tussen box 1 van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting. Weliswaar rust op de (ingehouden) extra winst een (latente) claim in box 2, maar dat doet niet af aan de directe belastingderving. De gebruikelijkloonregeling is recentelijk bij de Evaluatie Belastingherziening 2001 bezien. In dit kader is besloten dat het wenselijk is de gebruikelijkloonregeling te handhaven.1

De leden van de fractie van de VVD merken op dat wanneer iemand zijn onderneming uit de BV geruisloos wil overhevelen naar een eenmanszaak, hij zijn BV moet liquideren. Een eventuele pensioenverplichting van de BV moet dan worden afgestort bij een verzekeraar dan wel worden ondergebracht bij een nieuw opgerichte BV Dit laatste komt deze leden vreemd voor als de oude BV daar ook voor gebruikt kan worden. Zij stellen voor te bepalen dat de oude BV in stand mag blijven als pensioen-BV.

In de Wet IB 1964 ontbrak een regeling voor geruisloze terugkeer uit de BV. In de Wet IB 2001 is wel de mogelijkheid geschapen om zonder heffing van vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting de door de vennootschap gedreven onderneming over te brengen naar de IB-winstsfeer, waarbij de onderneming door de voormalige aandeelhouder(s) wordt voortgezet. Uitgangspunt daarbij is dat de belastingclaims op stille en fiscale reserves en op ingehouden winst worden doorgeschoven naar de voortgezette onderneming. Als vereiste geldt onder meer dat de vennootschap een (materiële) onderneming drijft en dat de vennootschap wordt ontbonden (de zogenoemde liquidatie-eis). De liquidatie-eis is een fundamenteel onderdeel van de huidige regeling. Met de liquidatie van de vennootschap wordt zekergesteld dat alle bestaande belastingclaims adequaat worden afgewikkeld, eventuele verliezen kunnen vervolgens volledig meegaan richting de IB-winstsfeer.

Het laten vervallen van deze eis in het geval waarin het pensioen in de oude BV is ondergebracht, zal naar verwachting leiden tot een substantiële toename in de complexiteit van de desbetreffende regelgeving. Er zal immers op detailniveau aangegeven moeten worden onder welke omstandigheden liquidatie achterwege kan blijven en in hoeverre bepaalde vermogensbestanddelen (ter dekking van de pensioenverplichting) in de vennootschap achter kunnen blijven. Naar verwachting is het een zeer beperkte groep die hiermee gebaat zou kunnen zijn. In de praktijk wordt van de regeling voor geruisloze terugkeer uit de BV maar weinig gebruik gemaakt. Daarnaast is het in de praktijk niet ongebruikelijk om het pensioen bewust niet in de werkmaatschappij onder te brengen maar in een aparte vennootschap (holdingstructuur).

Voorts kan nog worden gewezen op het wetsvoorstel tot vaststelling van titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek dat bij uw Kamer in behandeling is. Dit wetsvoorstel bevat onder meer de mogelijkheid tot omzetting van een BV in een openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid (hierna: OVR) waarbij de BV van rechtswege verdwijnt en de onderneming overgaat naar de sfeer van de inkomstenbelasting. In de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel is aangegeven dat de begeleidende aanpassingen van de belastingwetgeving in een separaat wetsvoorstel zullen worden ingediend. Uitgangspunt daarbij is dat de beoogde effecten van de civielrechtelijke regeling niet worden doorkruist door fiscale regelgeving. In verband met de omzetting van een BV in een OVR bestaat behoefte aan een doorschuiffaciliteit waarin de bestaande BV volledig verdwijnt en waarin bestaande claims volledig worden afgewikkeld. De lijn die in de voorgestelde wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek wordt gevolgd, spoort in dit opzicht met de bestaande regeling voor de geruisloze terugkeer.

De leden van de fractie van de VVD vernemen graag een reactie op een aantal onderdelen van het commentaar van de redactie in Vakstudie Nieuws 2006/55.2.

Met betrekking tot de buitengewone uitgavenregeling constateert de redactie van Vakstudie Nieuws dat op grond van de wettekst van artikel 6.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zoals deze per 1 januari 2006 van kracht is, de no-claim teruggaaf geen invloed heeft op de hoogte van de buitengewone uitgaven. De redactie stelt dat dit met de voorgestelde wijziging anders is. Volgens de redactie zou een eventuele no-claim teruggaaf gesaldeerd moeten worden met de aftrekbare standaardpremie. Het is voor de redactie onduidelijk of dit voorzien is.

Zowel op basis van de huidige wettekst als op basis van de voorgestelde wettekst is het zo dat binnen de buitengewone uitgaven (vanaf 2006) slechts rekening wordt gehouden met de gemiddelde premie Zvw inclusief een gemiddelde no-claimteruggaaf (de zogeheten standaardpremie) in plaats van de werkelijk betaalde premie Zvw en werkelijke no-claimteruggaaf. De werkelijke no-claim teruggaaf behoeft niet te worden gesaldeerd met de aftrekbare standaardpremie, omdat deze reeds is vergolden in de standaardpremie. Met andere woorden: er wordt slechts rekening gehouden met de standaardpremie en dat blijft zo.

Op het commentaar van de redactie in Vakstudie Nieuws 2006/55.2 met betrekking tot de regeling dienstverlening aan huis en de deelnemingsvrijstelling wordt elders in deze nota ingegaan.

Artikelen

Artikel II

De leden van de fractie van het CDA vragen of het klopt dat de met de tijdelijke tariefverlaging van box 2 geboden compensatie kan worden verdubbeld indien de aanmerkelijkbelanghouder een (fiscale) partner heeft. Het is inderdaad juist dat de voorgestelde tariefmaatregel dit effect kan hebben. Bij de vormgeving van de maatregel is dit effect onderkend. In verband met het tijdelijke karakter van de maatregel is nadrukkelijk rekening gehouden met de informatiserings- en uitvoeringsaspecten en is afgezien van een verdere verfijning van de maatregel.

Artikel IV

De leden van de fractie van het CDA merken op dat het uit de loonbelasting halen van de directeur-grootaandeelhouder wetstechnisch gecompliceerd is omdat verschillende regelingen uit de Wet op de loonbelasting 1964 van toepassing moeten worden verklaard. Zij vragen waarom niet is gekozen voor het alternatief om de jaartabel in te voeren voor jaarloonbetalingen (de tabel van artikel 20a van de Wet op de loonbelasting 1964) en de mogelijkheid te openen jaaraangifte loonbelasting te doen.

Ik kan hierop antwoorden dat het niet mogelijk is om met een systeem van jaaraangiften tegemoet te komen aan de motie Verhagen/Rutte.1 Het huidige geautomatiseerde heffingssysteem van de loonbelasting is gebouwd op aangiften per maand of per vier weken. De introductie van een jaaraangifte is zodanig ingrijpend dat een heel nieuw heffingssysteem gebouwd moet worden. Daaraan kan pas worden begonnen nadat het huidige SUB-systeem afgebouwd en stabiel is (naar verwachting rond 1 januari 2008). Aangezien deze nieuwbouw samenvalt met enkele andere grote Belastingdienstprojecten als Toeslagen en complexiteitsreductie moet vervolgens nog gerekend worden met een invoeringstermijn van enkele jaren.

Een alternatief is mogelijk in de vorm van een handmatig verwerkingsproces van jaaraangiften. Dat is echter alleen theoretisch. Het aantal vennootschappen tot wie uitsluitend directeuren-grootaandeelhouders in dienstbetrekking staan bedraagt naar verwachting ten minste 100 000 (circa 20% van het totale aantal inhoudingsplichtigen). Een handmatig verwerkingsproces van de jaaraangifte betekent dat alle samenhangende processen (zoals het bewaken van de tijdige binnenkomst, het opleggen van aanslagen, beboeting en het verlenen van verminderingen) eveneens «handmatig» moeten worden uitgevoerd. Een jaarlijks terugkerend arbeidsintensief handmatig proces valt niet goed te rijmen met dit tijdperk van digitalisering. Bovendien zijn werkprocessen van deze omvang nauwelijks handmatig uit te voeren en te beheersen.

Daarnaast moet worden bedacht dat bij een jaaraangifte de verplichting tot het doen van aangifte pas geldt nadat het jaar voorbij is. Dit zou betekenen dat de loonbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van deze directeuren-grootaandeelhouders telkens pas na afloop van het jaar wordt betaald. Een dergelijk structureel uitstel van betaling is niet te rechtvaardigen ten opzichte van ondernemers die voorlopige aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet betalen die al in het lopende kalenderjaar worden opgelegd. In het eerste jaar van invoering van de jaaraangifte voor inhoudingsplichtigen zonder andere werknemers dan directeuren-grootaandeelhouders zou bovendien een aanzienlijke budgettaire derving ontstaan die kan oplopen tot € 1,6 miljard.

Artikel IVa

De leden van de fractie van het CDA stellen aan de hand van een casuspositie een aantal vragen over het gewijzigde artikel 13, elfde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969).

De casuspositie kan als volgt worden samengevat. Er is sprake van een tussenhoudster in land A (TH) die landenholdings bezit in landen B en C. Landenholding B (BH) houdt lokale werkmaatschappijen met actieve bezittingen van 400. BH heeft groepsvorderingen op deze werkmaatschappijen van 500. Landenholding C (CH) houdt lokale werkmaatschappijen met actieve bezittingen van 800. CH heeft groepsvorderingen op deze werkmaatschappijen van 600. De werkmaatschappijen in land C hebben een vordering op elkaar van 100. TH heeft ten slotte ook een passieve laagbelaste financieringsdochter (FD) met groepsvorderingen van 500.

Voor de toepassing van de bezittingentoets zal op het niveau van TH een toerekeningsbalans dienen te worden gemaakt. De groepsvorderingen van de FD van 500, zullen daarbij in ieder geval als vrije belegging worden aangemerkt. De groepsvorderingen van BH zullen ingevolge het elfde lid eveneens als vrije belegging worden aangemerkt, omdat deze meer bedragen dan de helft van de bezittingen van BH. Overigens lijkt het onwaarschijnlijk dat de groepsvorderingen die aan een werkmaatschappij zijn verstrekt, meer bedragen dan de waarde in het economische verkeer van de activa van deze werkmaatschappij. De groepsvorderingen van CH zullen niet als vrije belegging worden aangemerkt, omdat de bezittingen van CH niet voor meer dan de helft bestaan uit vrije beleggingen. Ten aanzien van deze groepsvorderingen moet op grond van de hoofdregel van het tiende lid worden vastgesteld of deze als vrije belegging worden beschouwd. Hetzelfde geldt voor de groepsvordering die de werkmaatschappijen in land C onderling op elkaar hebben.

Er kan dus niet op voorhand worden gezegd of de bezittingen van TH voor meer dan de helft als vrije belegging worden aangemerkt. Zo dit al het geval zou zijn, dan zou vervolgens nog moeten worden vastgesteld of TH als laagbelast moet worden aangemerkt. De uitkomst van deze casus hangt dus sterk af van de feiten en omstandigheden van het concrete geval.

Ik kan bevestigen dat voor de toets van de tweede volzin of de bezittingen voor meer dan de helft bestaan uit vrije beleggingen (inclusief de groepsvorderingen), de bezittingen zowel middellijk als onmiddellijk in aanmerking moeten worden genomen. De bezittingen van de werkmaatschappijen tellen daarbij dus mee. De wettekst zal bij een volgende gelegenheid op dit punt nog worden verduidelijkt.

De leden van de fractie van het CDA vragen wat de uitwerking zou zijn indien een deel van de groepsvorderingen van BH en CH worden omgezet in aandelenkapitaal, waardoor het resterende deel minder bedraagt dan 50%. Deze vragen of de groepsvorderingen dan als operationele activa kunnen worden aangemerkt.

In dat geval moet per vordering zelfstandig worden bepaald of deze als vrije belegging wordt aangehouden of niet.

De leden van de fractie van het CDA vragen vervolgens aan de hand van welke criteria wordt vastgesteld of de groepsvorderingen een vrije belegging vormen.

De plaats die de groepsvorderingen in het vermogen innemen, is hier de bepalende factor. De fiscale behandeling van de vordering in het andere land is daarbij in beginsel niet relevant.

Ten slotte vragen de leden van de fractie van het CDA wat de ratio is van het onderscheid tussen vennootschappen waarvan de bezittingen (middellijk en onmiddellijk) voor meer respectievelijk minder dan 50% bestaan uit vrije beleggingen.

Ingeval de bezittingen voor meer dan 50% bestaan uit vrije beleggingen (inclusief alle groepsvorderingen) overheerst bij die vennootschap het «passieve» karakter. Het beleggen en financieren kan in zo’n geval worden beschouwd als de hoofdactiviteit van de vennootschap. Wel heeft de belastingplichtige in dat geval nog de mogelijkheid aannemelijk te maken dat sprake is van een actieve financieringsmaatschappij.

In het commentaar van de redactie in Vakstudie Nieuws 2006/55.2, waarop door de leden van de fractie van de VVD een reactie wordt gevraagd, worden vraagtekens geplaatst bij de interpretatie van de tweede volzin van artikel 13, elfde lid, van de Wet Vpb 1969.

De betekenis van de tweede volzin kan als volgt worden verduidelijkt. In de eerste volzin is bepaald dat groepsvorderingen als vrije belegging worden aangemerkt. In de tweede volzin is bepaald dat dit alleen geldt indien de bezittingen van het lichaam dat de vordering houdt, voor meer dan de helft bestaan uit vrije beleggingen. Ter beantwoording van de vraag of dit het geval is, dienen alle groepsvorderingen als vrije belegging te worden meegeteld. Als de op deze wijze opgevatte vrije beleggingen meer dan de helft van de bezittingen vormen, worden de groepsvorderingen ook werkelijk als vrije belegging aangemerkt, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het lichaam dat de vorderingen houdt een actieve financieringsmaatschappij is. Als de eerste volzin niet van toepassing is, omdat de bezittingen van het lichaam dat de vordering houdt niet voor meer dan de helft bestaan uit vrije beleggingen, moet per groepsvordering zelfstandig worden bepaald of deze als vrije belegging dient te worden aangemerkt.

In Vakstudie Nieuws wordt voorts geconstateerd dat het elfde lid van artikel 13 ook geldt in de situatie dat de deelneming zelf groepsvorderingen houdt. Dit kan worden bevestigd.

Artikel VIII

De leden van de CDA-fractie merken op dat de behandeling van het wetsvoorstel 30 061 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de aanpak van constructies met betrekking tot (on)roerende zaken ernstig is vertraagd geraakt. Zij merken daarbij op dat de technische aanpassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) met betrekking tot de vrijstelling voor thuiszorg uit dat wetsvoorstel is overgebracht naar het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden vragen zich af waarom dat ook niet met andere aanpassingen uit dat wetsvoorstel is gebeurd. Zij wijzen daarbij op de technische aanpassingen van de artikelen 2a, onderdeel c, en 18, eerste lid, onderdeel a, en van tabel I, onderdeel b, van de Wet OB.

De behandeling van het hiervoor genoemde wetsvoorstel in verband met de aanpak van constructies is inderdaad vertraagd. Bij brief van 20 oktober 2006 is aan de voorzitter van de Tweede Kamer gevraagd de verdere behandeling ervan uit te stellen, dit in verband met het recente arrest van het Hof van Justitie in de zaak C-255/02 (Halifax plc) en het na dit arrest nog te verwachten arrest van de Hoge Raad over de feitelijke toepassing van het leerstuk van misbruik van recht in de omzetbelasting in relatie tot de bestrijding van OB-constructies. De vertraging van genoemd wetsvoorstel leidde ertoe dat de wijziging met betrekking tot de actualisatie van de OB-vrijstelling voor de thuiszorg ook zou worden uitgesteld. Omdat die actualisatie nog verder moet worden aangepast aan de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) en vervolgens samen met de Wmo per 1 januari 2007 in werking moet treden, is besloten de desbetreffende bepaling uit genoemd wetsvoorstel te halen en in verder geactualiseerde vorm over te brengen naar het onderhavige voorstel. Het karakter van de andere technische aanpassingen in voornoemd wetsvoorstel is niet van een zodanig spoedeisende aard dat inwerkingtreding per 1 januari 2007 vereist is.

Het voorgestelde artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de Wet OB voorziet in een bepaling op basis waarvan als een belastbare dienst wordt aangemerkt «het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor privé-doeleinden van de ondernemer of van zijn personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden, wanneer voor dit goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan». Deze nieuwe bepaling is geheel gebaseerd op artikel 6, lid 2, onder a, van de Zesde Richtlijn. De leden van de CDA-fractie vragen in dit verband of het begrip «tot het bedrijf behorend goed» zowel goederen omvat waarvan de ondernemer de eigenaar is als goederen die de ondernemer huurt. In dit verband zij opgemerkt dat alleen sprake is van een «tot het bedrijf behorend goed» wanneer de ondernemer de eigenaar is van dat goed. Uit het arrest van het Hof van Justitie in de zaak C-155/01 (Cookies World) kan niet worden afgeleid dat het begrip «tot het bedrijf behorend goed» mede door het bedrijf gehuurde goederen omvat. In die zaak, die mede betrekking had op de Oostenrijkse nationale regelgeving, kwam die vraag als zodanig immers niet aan de orde. Wel luidde een van de overwegingen van het Hof van Justitie in die zaak dat artikel 6, lid 2, onder a, van de Zesde Richtlijn geen toepassing vond omdat er geen sprake was van gebruik van een goed voor andere dan bedrijfsdoeleinden. Het Hof van Justitie heeft daarbij niet het feit aangegrepen dat het hier een gehuurde zaak betrof in plaats van een aangekochte om de toepassing van artikel 6, lid 2, onderdeel a, van de Zesde Richtlijn af te wijzen. In het artikel van prof. dr. H.W.M. van Kesteren en mr. J.B.O. Bijl, BTW en onzakelijk gebruik of privégebruik, NTFR 2006/1591, wordt dit terecht geconstateerd. Daaruit kan evenwel niet worden afgeleid dat wanneer overigens aan alle voorwaarden zou zijn voldaan, genoemde bepaling tevens toepassing zou kunnen vinden voor het privé-gebruik van gehuurde goederen. In dit verband zij nog opgemerkt dat de door het Hof gekozen formulering die zich, zoals gezegd, toespitst op de uitleg van het begrip «andere dan bedrijfsdoeleinden», mogelijk ook verband houdt met het feit dat dit begrip in de Oostenrijkse nationale regelgeving nogal afwijkend was geformuleerd van artikel 6, lid 2, onderdeel a, van de Zesde Richtlijn.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de CDA-fractie hierover wordt opgemerkt dat het niet van toepassing zijn van het voorgestelde artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de Wet OB met betrekking tot door het bedrijf gehuurde goederen, betekent dat de correctie met betrekking tot het privé-gebruik van deze goederen plaatsvindt door een beperking van de aftrek van de voorbelasting met betrekking tot het door de ondernemer gehuurde goed, en niet door een belastingheffing over het privé-gebruik. Deze blokkering van het recht op aftrek, deze leden vragen daarnaar, geeft geen onjuiste verhouding met het arrest van het Hof van Justitie in de zaak C-434/03 (Charles en Charles-Tijmens), omdat dat arrest juist betrekking heeft op de situatie waarin wél belasting moet worden geheven ter zake van het privégebruik van tot de onderneming (als eigenaar) behorende goederen en er dus ter zake wel recht op aftrek van de voorbelasting voor die goederen bestaat.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de CDA-fractie of het mogelijk is diensten te etiketteren, wordt opgemerkt dat die mogelijkheid er voor de omzetbelasting niet is. Wat dat betreft wordt er ook geen onderscheid gemaakt tussen zogenoemde kostbare diensten als zijnde de diensten waarop kan worden afgeschreven en de overige diensten.

De leden van deze fractie gaan vervolgens in op het bij nota van wijziging ingevoegde nieuwe vijfde lid van artikel 11 van de Wet OB. Het gaat hier om een aanpassing van de regelingen inzake de zogenoemde opties voor belaste levering en voor belaste verhuur (daaronder begrepen handelingen met beperkte rechten- zoals erfpacht – die kwalificeren als verhuur). Gesteld wordt dat het niet meetellen van de belastbare feiten van de artikelen 3, derde lid, en 4, tweede lid, tot ongewenste cumulatie leidt (bij de zogenoemde integratieheffing) dan wel niet noodzakelijk is (privé-gebruik). Daaraan wordt de vraag gekoppeld of het vijfde lid niet beter kan vervallen of kan worden ingeperkt.

Daarover zij opgemerkt dat met het niet meetellen van de – deels nieuwe – belastbare feiten, wordt beoogd te voorkomen dat de 90%-grens (die optie mogelijk maakt) eenvoudig kan worden overschreden, soms ook door incidentele en manipuleerbare omstandigheden. In zoverre daarmee iets wordt geregeld wat geen effect heeft (zoals in het WFR lijkt te worden gesteld), zou het nieuwe vijfde lid hooguit iets regelen wat overbodig is. Met name op het punt van de integratieheffing ben ik er echter van overtuigd dat daar zeker niet iets overbodigs wordt geregeld. Ik doel hier op het feit – waar ik noch in de vraagstelling van deze leden noch in de gememoreerde literatuur iets over lees – dat bij de vestiging, overdracht, enz. van een recht waaraan een onroerende zaak is onderworpen -bijvoorbeeld een recht van erfpacht – beneden de waarde van dat recht in het economisch verkeer, de optie voor belaste verhuur wordt (casu quo kan worden) gebruikt in constructiesituaties. Hierbij heb ik het oog op situaties waarin met behulp van (tussengeschoven) gelieerde rechtspersonen een heel lage heffingsmaatstaf wordt gecreëerd voor die integratieheffing (met als resultaat slechts een geringe heffing waartegenover dan wél een volledig recht op aftrek zou bestaan). Een aanpassing van het voorgestelde vijfde lid acht ik dan ook ongewenst. Mocht niettemin blijken dat er situaties zijn waarin het niet reëel is de bepaling toe te passen, dan ben ik bereid te bezien of daar een in de praktijk hanteerbare oplossing voor kan worden gevonden.

Met betrekking tot de door deze leden aangeroerde relatie tussen de vermogensetiketteringsleer en het 90%-criterium, en de voorbeelden die zij daarbij geven, zij het volgende opgemerkt. In het eerste voorbeeld is sprake van een situatie waarin het goed voor 100% tot het bedrijfsvermogen wordt gerekend. Gelet op het feit dat – zoals hiervoor is aangegeven- het privé-gebruik niet meetelt voor de toepassing van het 90%-criterium, leidt de verhouding 61% belast gebruik en 9% vrijgesteld gebruik ertoe dat niet aan het 90%-criterium wordt voldaan. Hetzelfde geldt in de tweede situatie. De mate waarin een goed tot het bedrijfsvermogen is gerekend, is dus niet van belang.

De leden van de CDA-fractie stellen ook de maatstaf van heffing van de (bij wetsfictie) belastbare feiten van het voorgestelde artikel 4, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet OB aan de orde. In artikel 8, zevende lid, van de Wet OB is aangegeven dat de maatstaf van heffing voor deze belastbare feiten wordt gesteld op de door de ondernemer voor het verrichten van de dienst gemaakte uitgaven. Bij ministeriële regeling zullen daarvoor nadere regels worden opgenomen in de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Daarbij zullen wat betreft de diensten bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a, alleen die uitgaven in aanmerking worden genomen waarvoor de ondernemer de ter zake betaalde omzetbelasting geheel of gedeeltelijk in aftrek heeft kunnen brengen. Het gaat daarbij globaal gesproken om uitgaven die de ondernemer heeft gedaan voor de verwerving, voor het onderhoud of de reparatie van het goed waarmee de dienst wordt verricht, en voor het privé-gebruik als zodanig van het goed. De uitgaven voor de verwerving van een goed worden voor de toerekening aan het privé-gebruik administratief gespreid over een zekere periode, waarbij wordt uitgegaan voor onroerende investeringsgoederen van een periode van 10 jaar en voor roerende investeringsgoederen van een periode van 5 jaar. Voor de overige goederen zal een periode gelden van 1 jaar. Zo wordt, zoals deze leden ook aangeven, aangesloten bij de voor die goederen geldende herzieningstermijnen voor de omzetbelasting van 10, respectievelijk 5 en 1 jaar. De aansluiting bij de herzieningstermijn betekent niet, deze leden vragen daarnaar, dat na afloop van de herzieningstermijn van een onroerende zaak of een roerend investeringsgoed, bij voortduring van het gebruik van dit goed voor privé-doeleinden, de daaraan toe te rekenen uitgaven op nihil worden gesteld. Weliswaar zal het element in de maatstaf van heffing dat betrekking heeft op de uitgaven voor de verwerving van het gebruikte goed na afloop van de herzieningstermijn terugvallen naar nihil, maar dat zal niet het geval zijn voor de uitgaven voor onderhoud en reparatie van het goed en die voor het gebruik van het goed zelf. Deze uitgaven vormen derhalve na het verstrijken van de herzieningsperiode de maatstaf van heffing. Gemeend wordt, dit in reactie op de vraag hierover van deze leden, dat de hiervoor geschetste aanpak in lijn is met hetgeen door het Hof van Justitie is overwogen bij het arrest in de zaak C-415/98 (Laszlo Bakcsi).

De leden van de CDA-fractie memoreren het voorgestelde artikel 16a van de Wet OB, waaruit volgt dat de nieuwe heffingssystematiek voor – kort gezegd- privé-gebruik «om niet» achterwege blijft «indien het prestaties betreft als bedoeld in het op artikel 16, eerste lid, gebaseerde koninklijk besluit» (i.e. het Besluit aftrek omzetbelasting 1968, oftewel het zogenoemde Bua). Zij vragen zich af hoe de geciteerde wettekst moet worden uitgelegd. Blijft de nieuwe heffingssystematiek alleen achterwege indien op basis van het Bua feitelijk is gecorrigeerd of moet die wettekst zo worden uitgelegd dat de nieuwe heffingssystematiek ook achterwege blijft indien zich situaties voordoen waarin het Bua feitelijk niet tot correctie leidt. Deze leden noemen in de eerste plaats hier de situatie waarin het Bua niet is toe te passen omdat het privé-gebruik zich bijvoorbeeld niet in het jaar van aanschaf heeft voorgedaan, maar pas in het jaar daarna. Een tweede situatie is die welke wordt aangeduid in het artikel «Btw en onzakelijk gebruik of privé-gebruik» in NTFR 2006/1591 (waar deze leden hun vraagstelling klaarblijkelijk aan ontlenen), namelijk de situatie waarin het Bua niet tot correctie leidt omdat de Bua-grens van € 227 niet wordt overschreden. In de derde plaats is de situatie denkbaar die wordt beschreven in de nota van wijziging en die ziet op het van Bua-correctie uitgezonderde besloten busvervoer, de fiets voor woon-werkverkeer en outplacement (Kamerstukken II 2006/07, 30 804, nr. 9, blz. 16).

Dienaangaande roep ik deze leden graag de ratio van onderhavig artikel 16a in herinnering (zie ook het zojuist aangeduide Kamerstuk): bedoeld is dat de huidige heffingssystematiek van het Bua ook voor Bua-prestaties «om niet» blijft gelden, zodat er geen cesuur ontstaat tussen prestaties «om niet» enerzijds en prestaties «niet om niet» anderzijds. Anders gezegd, beoogd is geen verandering aan te brengen in de huidige behandelingswijze van Bua-prestaties. Dit impliceert dat de nieuwe heffingssystematiek niet alleen achterwege blijft wanneer de facto wordt gecorrigeerd, maar ook in de hiervoor beschreven drie situaties. Hieraan zij overigens nog toegevoegd dat de nieuwe heffingssystematiek in zoverre uiteraard wel aan de orde zal komen indien mocht blijken dat onderdelen van het Bua nietig zijn. Daarover hebben verschillende belastingplichtigen het oordeel van de rechter gevraagd.

De leden van de CDA-fractie stellen dat het bedrag van € 15 dat in de nota naar aanleiding van het verslag – blz. 37 – is genoemd in relatie tot het begrip «geringe waarde» (van artikel 3, achtste lid), zou zijn ontleend aan artikel 8, derde lid, van de Wet OB. Zij vragen waar de analogie met dat artikel op is gebaseerd.

Dit moet op een misverstand berusten. Die analogie betreft namelijk niet de hoogte van het bedrag maar de in aanmerking te nemen waarde – waarde in het economische verkeer, verkoopwaarde, aankoopprijs, kostprijs, enz. – bij de beoordeling van de vraag of de €15-grens wordt bereikt. Voor die beoordeling is aangesloten bij de terzake in artikel 8, derde lid (nieuw), geldende maatstaf van heffing. Het gaat hier dan ook om «een bedrag van € 15 als [.....] aankoopprijs of kostprijs, de omzetbelasting niet daaronder begrepen».

Er is hier overigens – deze leden vragen daar naar – geen (analogische) aansluiting gezocht bij de Bua-grens van € 227 en evenmin bij de grens van € 45 voor invoer van kleine zendingen uit derde landen (artikel 1, lid 2, onder c, van Richtlijn 2006/79/EG van de Raad van 5 oktober 2006 (PbEG L 286/15), omdat die grenzen anders van karakter zijn. Bij de Bua-grens gaat het om de optelsom van de aanschaffingskosten/kostprijs van alle ten behoeve van eenzelfde personeelslid of relatie in één boekjaar verrichte prestaties. Ook bij de kleine-zendingengrens gaat het in beginsel om een optelsom van meerdere tot één zending behorende goederen. Bij het bedrag van € 15 gaat het echter om één onttrekking van een goed (in het voorbeeld van deze leden een balpen, een gratis krant of een paraplu) en gaat het erom te bepalen wanneer dat aan een bedrijf onttrokken goed een geringe waarde heeft (het gaat dus niet om de waarde van alle weggegeven balpennen per jaar). Gelet op dat andere karakter is het verschil in grootte van het bedrag gerechtvaardigd. Bovendien is de €15-grens niet meer dan een handreiking naar de uitvoeringspraktijk bij de vraag of sprake is van een goed van geringe waarde, en kan ook niet meer dan dat zijn omdat de Zesde Richtlijn zelf daarvoor geen expliciete grens bevat.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom er bij deze wetgevingsoperatie om de Wet OB meer richtlijnconform te maken niet voor gekozen is om de bij de Wet OB behorende tabel II uit te breiden met de prestaties vermeld in de artikelen 14, lid 1, onder g, en i, en 15 van de Zesde Richtlijn (en de reeds in tabel II opgenomen prestaties werkelijk richtlijnconform te maken), zodat ondernemers hun rechten en verplichtingen op een eenvoudiger wijze uit de Wet OB kunnen afleiden. Deze leden merken op dat genoemde richtlijnbepalingen nauwelijks leesbaar zijn en dat in een aantal gevallen er ruimte zit in de formuleringen van de richtlijn en van tabel II van de Wet OB.

Naar aanleiding hiervan wordt opgemerkt dat hier is gekozen voor de beste van twee kwaden. De artikelen 14, lid 1, onder g, en i, en 15 van de Zesde Richtlijn bevatten inderdaad een groot aantal – niet altijd even helder geformuleerde – vrijstellingen van divers karakter. Binnen de systematiek van de Nederlandse omzetbelasting gaat dat om regelingen die op diverse manieren zijn uitgewerkt en soms zijn opgenomen in andere regelingen, zoals de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994; ook daarbij gaat het derhalve om een complex geheel. Om de bepalingen met betrekking tot het aftrekrecht toch zo volledig, correct en eenvoudig mogelijk te implementeren in artikel 15 van de Wet OB is uiteindelijk gekozen voor een redactie waarbij in artikel 15, tweede lid, onderdeel b, rechtstreeks wordt verwezen naar bepalingen van de Zesde Richtlijn. In dit verband wordt nog opgemerkt, dat ook elders in de Wet OB rechtstreekse verwijzingen naar de Zesde Richtlijn zijn opgenomen, zoals in de artikelen 1a, eerste lid, onderdelen a en d, en 5a, eerste en tweede lid.

De leden van de CDA-fractie merken terecht op dat in de voorgestelde wetgeving het Bua wordt gehandhaafd, naast de introductie van een tweede correctiemogelijkheid (artikel 3, derde lid, en artikel 4, tweede lid, oftewel de nieuwe heffingssystematiek voor, kort gezegd, privé-gebruik van de ondernemer en van zijn personeel). Dat in de nota naar aanleiding van het verslag zou zijn gesteld dat ondernemers geen twee naast elkaar staande correctiesystemen hoeven te hanteren – deze leden wijzen hier op – moet op een misverstand berusten. Naar ik aanneem doelen deze leden op de zinsnede op bladzijde 33 van de nota, waarin wordt gesteld:«Aldus ontstaat er voor de Bua-prestaties na 1 januari 2007 niet de situatie van twee regimes naast elkaar». Deze zin heeft echter louter betrekking op (artikel 16a van) de nota van wijziging waarin is geregeld dat ook voor de prestaties «om niet» – in tegenstelling tot het oorspronkelijke voorstel – het Bua-regime blijft gelden, en niet de nieuwe heffingssystematiek. Voor privé-gebruik door het personeel geldt aldus één regime, zoals de aangehaalde zin ook aangeeft, namelijk het Bua-regime, ongeacht of het gaat om prestaties om niet of om prestaties tegen een vergoeding.

Dit neemt niet weg dat een ondernemer, naast het Bua-regime voor zijn personeel, ook met het nieuwe regime kan worden geconfronteerd, bijvoorbeeld met betrekking tot eigen privé-gebruik. Het hanteren van twee regimes naast elkaar (enerzijds dus voor het privé-gebruik van zijn personeel, anderzijds voor zijn eigen privé-gebruik), is echter in essentie geen nieuwe situatie (met bijbehorende administratieve lasten), zoals deze leden lijken te suggereren. Ook voor het arrest Charles-Tijmens had de ondernemer in bepaalde situaties al te maken met twee regimes; enerzijds het Bua (voor zijn personeel), anderzijds artikel 15 van de Wet OB (aftrekrecht eigen privé-gebruik). Waar het wetsvoorstel verandering in aanbrengt – daartoe gedwongen door het arrest Charles-Tijmens – is de andere wijze van belasten van het eigen privé-gebruik van de ondernemer. Voor de administratieve lasten van die verandering zij hier verwezen naar bladzijde 11 van de nota van wijziging.

In verband met het vorenstaande vragen deze leden of het niet beter is om het Bua te laten vervallen en daarmee volledig aan te sluiten bij de systematiek van de richtlijn. Daarover zij opgemerkt dat de twee argumenten die daartoe worden aangedragen, mij niet aanspreken. Wat het tweede argument betreft (de vermeende lastenverzwaring van het handhaven van het Bua), is hiervoor al aangegeven dat die lastenverzwaring niet zit in het handhaven van het Bua maar in het gegeven dat er een – door jurisprudentie afgedwongen – andere systematiek moest worden geïntroduceerd met betrekking tot het privé-gebruik van de ondernemer zelf. Het afschaffen van het Bua brengt daar geen verandering in en zou wellicht zelfs tot een verdere administratieve lastenverzwaring leiden aangezien dan ook voor het privé-gebruik van het personeel de nieuwe systematiek gaat gelden. Wat het tweede argument betreft (het feit dat het maar de vraag is of het Bua richtlijnconform is), zij opgemerkt dat dat op zich voor mij geen aansprekend argument is om het Bua – met zijn nadelen, maar ook zo met zijn voordelen – te schrappen. Te meer niet omdat ook het bedrijfsleven heeft aangegeven dat het Bua voor hen belangrijke elementen bevat. Te wijzen valt hier bijvoorbeeld op de grens van € 227 waar beneden correctie achterwege blijft.

Het is juist, deze leden vragen daarnaar, dat de wijziging van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, slotzinsnede (prestaties die «worden gebruikt voor belaste handelingen» in de plaats van prestaties die «worden gebezigd in het kader van zijn onderneming») betekent dat de in rekening gebrachte BTW voor advieskosten en dergelijke inzake aan-/verkoop van deelnemingen, in beginsel niet aftrekbaar is. De richtlijnconforme aanpassing van die slotzinsnede noodzaakt tot die conclusie.

Artikel XIII

De leden van de fractie van het CDA vragen nadere informatie over de toezegging zoals gedaan tijdens het wetgevingsoverleg op 23 oktober 2006 dat nader zal worden gekeken naar de overgangsregeling met betrekking tot bonussen alsmede naar de gevolgen als werkgevers volgens de CAO nog een bijdrage boven de maximumuurprijs geven en andere extra’s.

Aan deze toezegging is gevolg gegeven in mijn brief van 25 oktober 2006 aan de Tweede Kamer.1 Zoals daar is vermeld levert het vervallen van de vrijstelling voor vergoedingen van kinderopvangkosten geen problemen op als het gaat om nabetalingen van vergoedingen waarop de werknemer reeds in 2006 recht had. Neemt een werkgever echter in 2007 het initiatief om kinderopvangkosten te vergoeden, ongeacht of hij dit doet in de vorm van een bonus, dan is die vergoeding belast.

Met betrekking tot werkgevers die volgens de CAO nog een bijdrage verstrekken voor kosten van kinderopvang merk ik op dat deze bijdrage tot het loon van de werknemer wordt gerekend.

De Minister van Financiën,

G. Zalm


XNoot
1

Kamerstukken 2005/06, 29 210, nr. 103.

XNoot
1

Overigens zullen de maandlasten door deze variant stijgen aangezien een deel van de hypotheken momenteel aflossingsvrij is. De mate van afwenteling tussen een goedkoper huis of het accepteren van hogere maandlasten is niet bekend. Het is mogelijk dat deze hogere lasten betaald worden uit box 3 vermogen waardoor het genoemde effect lager zal zijn.

XNoot
1

HvJ C-444/93 Megner en Scheffel en Centrale Raad van Beroep 29 april 1996, RSV 1996/247.

XNoot
1

Kamerstukken II 2006/07, 30 804, nr. 29.

XNoot
2

Kamerstukken II 2006/07, 30 804, nr. 34, blz. 8.

XNoot
1

Rapport «Breder, lager, eenvoudiger? Een evaluatie van de belastingherziening 2001», Kamerstukken II 2005/06, 30 375, nr. 2, blz. 91–92, alsmede Verslag van een schriftelijk overleg, Kamerstukken II 2005/06, 30 375, nr. 4, blz. 35–37.

XNoot
1

Kamerstukken II 2006/07, 30 800, nr. 13.

XNoot
1

Kamerstukken II 2006/07, 30 804, nr. 31, blz. 2/3.

Naar boven