Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2006-200730804 nr. C

30 804
Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2007)

C
VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIËN1

Vastgesteld 30 november 2006

Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel gaf de commissie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie hebben met veel belangstelling en waardering kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Zij zijn ingenomen met de aangekondigde lastenverlichtingen voor de burgers en het bedrijfsleven in 2007. Met de Raad van State twijfelen de leden van de CDA-fractie eraan of een aantal van de thans in het Belastingplan 2007 opgenomen voorstellen niet beter in afzonderlijke wetsvoorstellen hadden kunnen zijn opgenomen. Deze leden stellen prijs op beantwoording van de volgende naar aanleiding van het Belastingplan 2007 gerezen vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij stemmen van harte in met de voorgestelde lastenverlichting voor gezinnen, zoals zij zich hebben verzet tegen de lastenverlichting voor grote bedrijven (Werken aan Winst). Gaarne vragen zij de regering hun een overzicht te geven van de lastenontwikkeling voor gezinnen en bedrijven in de periode 2002 t/m 2007.

De leden van de VVD-fractie hebben over het algemeen met instemming kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Het Belastingplan dient geplaatst te worden in het kabinetsbeleid om de financiële en sociaal-economische positie van Nederland te versterken. De internationale concurrentiepositie van ons land stond de afgelopen jaren onder druk. Met het Belastingplan en de Wet Werken aan winst wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de verbetering van het fiscale vestigingsklimaat. Er worden ook maatregelen genomen die alle huishoudens ten goede kunnen komen. Genoemd worden onder andere de verlaging van de WW-premie, de verlaging van de belastingtarieven en de verhoging van de heffingskorting, de arbeidskorting en de aanvullende combinatiekorting. Dit sluit aan op de maatregelen die in 2006 al zijn genomen, waardoor de koopkracht van de meeste huishoudens is verbeterd.

De leden van de VVD-fractie sluiten zich aan bij de kritiek van de Raad van State en enkele fracties van de Tweede Kamer dat het Belastingplan wederom en in weerwil van eerdere toezeggingen een aantal inhoudelijk niet bij een Belastingplan passende maatregelen bevat. De motivering van de regering daarvoor overtuigt die leden niet. Derhalve doen zij weer een beroep op de regering om belastingplannen slechts voor budgettaire maatregelen te gebruiken.

Zoals bij de behandeling van het wetsontwerp Werken aan winst reeds is gesteld door diverse partijen, zo memoreren de leden van de D66-fractie, is er bij het Belastingplan 2007 meer gelegenheid om ook vragen te stellen die het totale kader bevatten en die niet direct tot beleid voor 2007 behoeven te leiden. Juist bij deze situatie waarin een nieuw kabinet de Begroting 2008 zal dienen voor te bereiden, is het zinvol daarover enkele gedachten te wijden.

In de verstreken maanden is zeer uitvoerig stil gestaan bij het vraagstuk van de hypotheekrente, zo vervolgen deze leden. Dit kabinet en in het bijzonder ook deze minister in vorige kabinetten, is degene geweest die de hypotheekrente als zodanig ongemoeid heeft gelaten maar daarentegen wel de constructies er om heen heeft aangepakt. Te denken valt dan aan het verbod de hypotheekrente op het tweede huis af te trekken, het gegeven dat de hypotheekrente aftrek beperkt wordt tot dertig jaar en dat bij verkoop de mogelijke winst eerst gebruikt moet worden bij de aankoop van een nieuwe woning alvorens aftrekt kan plaats vinden. In dat verband lijkt het logisch om ook het volgende te overwegen. De hypotheekrente kan worden afgetrokken gedurende dertig jaar indien er regelmatige aflossing plaats vindt op basis van een annuïteitenhypotheek. Dit betekent dat allerlei belastingconstructies worden tegengegaan terwijl wel de maximale aftrek blijft bestaan in de periode dat men dat het meest nodig heeft, te weten bij de start van het beroepsmatig leven. Het effect op de huizenmarkt zal gering zijn. De kosten voor de burger niet meer dan nu omdat op dit moment dertigjarige hypotheekconstructies worden afgesloten met levensverzekeringen die na dertig jaar het bedrag uitkeren van de aankoop van het huis. In de geschetste situatie wordt gespaard via aflossing. Kan de minister meedelen welk effect dit op de schatkist zal hebben? Zou bijvoorbeeld de opbrengst voldoende kunnen zijn om afschaffing van de overdrachtsbelasting te overwegen?

De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP constateren dat het Belastingplan 2007 van een bescheiden allure is en voornamelijk zaken bevat, die vrijwel alle als fiscale verbeteringen kunnen worden aangemerkt. In continuïteit met het Belastingplan 2006 wordt nu verder gewerkt aan maatregelen die alle huishoudens ten goede kunnen komen. Deze fracties waarderen dit positief. Slechts op enkele onderdelen wensen zij nadere verduidelijking van onderdelen van de voorgestelde wetsaanpassingen.

2. Tijdelijke tariefverlaging box 2

De leden van de VVD-fractie delen ook de kritiek van de Raad van State en enkele fracties van de Tweede Kamer dat de oplossing die de regering voor het jaar 2007 heeft gekozen ter compensatie voor de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet voor directeur/grootaandeelhouders. Hoewel de maatregel macro-economisch gezien blijkbaar sluitend is, is er micro-economisch een boel op af te dingen. De Raad van State heeft die punten genoemd. De leden van de VVD-fractie vinden het jammer dat het kabinet zich die kritiek niet heeft aangetrokken en een alternatieve regeling heeft voorgesteld. Positief oordelen de leden van de VVD-fractie over het feit dat voor de directeur-grootaandeelhouder gedacht wordt om de B.V. niet langer als inhoudingsplichtige aan te merken.

3. Regeling dienstverlening aan huis

Wat betreft de regeling Dienstverlening aan huis vragen de leden van de PvdA-fractie of zij deze ook mogen beschouwen als een aanzet om het soort werkzaamheden, dat onder de vrijstelling van de verplichting tot inhouding van loonbelasting en premies valt, uit te breiden. Om welke werkzaamheden naast schoonmaakwerk gaat het precies, zo vragen zij. Ook informeren deze leden naar de verhouding van deze regeling met de feitelijke belastingvrijstelling aan de voet die door heffingskortingen is ontstaan. Zij begrijpen heel goed dat de regeling geen belastingvrijstelling is, maar slechts een vrijstelling van de verplichting tot inhouding van loonbelasting/premies, die niet per definitie leidt tot een vrijstelling van inkomstenbelasting. In de praktijk echter, zo merken deze leden op, zou het heel wel zo kunnen zijn dat velen die gebruikmaken van de voorliggende regeling op jaarbasis verdiensten hebben die per saldo tot een nihil-heffing in de inkomstenbelasting leiden. Dat roept de vraag op of hier in de uitvoering een combinatie mogelijk is die de onduidelijkheid voor de opdrachtgever en de dienstverlener terzake van wat nu eigenlijk «wit» en wat «zwart» is aanmerkelijk zou kunnen verminderen. Bij deze vraag ware ook de opvatting van de RWI dat het nuttig zou kunnen zijn na te denken over de omschrijving van een «belastingvrij gebied» te betrekken.

Kan er al iets meer worden meegedeeld op welke wijze de introductiecampagne van de belastingdienst en SZW plaats vindt inzake de regeling dienstverlening aan huis, zo vragen de leden van de fractie van D66 aansluitend.

De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP kunnen instemmen met de regeling dienstverlening aan huis. Dit is stellig een van de meest substantiële veranderingen ingevolge dit Belastingplan. Zij stellen wel enkele vragen. Er is bij deze regeling geen inhoudings- en ook geen meldplicht voor de opdrachtgever. Is hij echter wel verplicht een administratie bij te houden ter controle in voorkomende gevallen door de Belastingdienst? Is zeker dat vanaf het begin van de introductie van de regeling duidelijk is welke activiteiten er wel en welke er niet onder kunnen vallen? Anders gevraagd: hoe wordt voorkomen dat de fiscale rechter in tal van zaken van op zichzelf geringe importantie telkens uitsluitsel moet geven?

De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP accepteren voor dit moment dat opdrachtgevers gevrijwaard worden van het betalen van loonbelasting en sociale premies. In de toekomst moet blijken of, en zo ja in welke mate, het niet verzekerd zijn als werknemer leidt tot onwenselijke effecten. Kan het voorkomen dat de kring van onverzekerde werknemers wordt uitgebreid, omdat thans verzekerde werknemers overstappen naar deze dienstverlenende activiteiten? Is zeker gesteld dat deze regeling de toets van kritiek van EU-regelingen en conventies van de ILO kan doorstaan?

4. Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP waarderen de voorgestelde startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid. Zij constateren dat de mate van arbeidsongeschiktheid geen rol speelt bij de toekenning van de faciliteit. De in aanmerking komende groep is beleidsmatig en juridisch duidelijk afgebakend. Wat gebeurt er in de situatie dat iemand in aanmerking komt voor de aftrekpost en dus in principe voor een periode van drie jaar weet waarop hij financieel mag rekenen, maar binnen die termijn door een herkeuring als niet meer arbeidsongeschikt geldt? Zal dat kunnen betekenen dat dan tevens zijn stimulans om startende ondernemer te worden wordt gefnuikt?

5. Afdrachtvermindering zeevaart

Is het waar, zo vragen de leden van de fractie van D66, dat naast de afdrachtvermindering voor de zeevaart ook een afdrachtvermindering in de maak is voor ontwikkelingswerk en onderwijs. Hoe krijgt die precies gestalte?

6. Milieu en mobiliteit

De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP waarderen het positief dat in dit Belastingplan de fiscale behandeling van aardgas als motorbrandstof wordt verduidelijkt. Waarom is gekozen voor een neutrale aanpak, namelijk een tariefniveau dat nauwelijks zal leiden tot uit milieuoogpunt wenselijke gedragseffecten? Waarom is de keuze zo dat het wel voor bussen, bestelauto’s en taxi’s, maar minder voor gewone auto’s aantrekkelijk is om van diesel over te stappen op CNG?

7. BPM teruggaaf bij uitvoer

De leden van de VVD-fractie zijn het eens met de voorgestelde maatregelen terzake van de BPM. Zij hopen dat de BPM met de aanpassingen EU-proof is. Overigens horen ook die maatregelen naar de mening van die leden niet thuis in het Belastingplan. De leden waarderen het dat het kabinet bij nota van wijziging een aantal kritiekpunten heeft opgelost. Verder waarderen de leden het dat de mogelijkheden om auto’s over de grens te verkopen vergroot worden.

8. Artiesten- en beroepsportersregeling

De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGPhebben begrip voor de voorgestelde vereenvoudiging van genoemde regeling. Zij wijzen op het feit dat in toenemende mate beroepssporters afkomstig uit ontwikkelingslanden professioneel actief zijn in Nederland. Kan worden duidelijk gemaakt of deze vereenvoudiging al dan niet gunstig is voor de inning van belastingen in deze landen?

9. Verlaging tarief successie- en schenkingsrecht

Ten aanzien van het successie- en schenkingsrecht stellen de leden van de PvdA-fractie in algemene zin de vraag of het hoge tarief van 68% niet wat erg veel van het goede is. Zij kunnen zich dan ook goed indenken dat het kabinet aanvankelijk voorgesteld heeft dit tarief naar 63% te brengen. Minder goed begrijpen deze leden waarom het kabinet ermee heeft ingestemd dat de Tweede Kamer deze wenselijke verlaging weer heeft geschrapt om de eveneens sympathieke verhoging van de vrijstelling voor (klein)kinderen te dekken. Ware niet een combinatie van beide maatregelen mogelijk geweest, zo vragen deze leden, en wat zou daarvan het gevolg zijn geweest in termen van belastingderving.

De leden van de VVD-fractie waarderen het signaal van het kabinet dat het tarief van het successierecht te hoog is. Een maximaal tarief van 68% over een erfrechtelijke verkrijging of een schenking is niet te rechtvaardigen. Immers over genoemde verkrijging of schenking is onder andere al inkomstenbelasting betaald. Terecht noemden de leden van de VVD-fractie van de Tweede Kamer het tarief van 68% een schriktarief. Zoals ongetwijfeld bekend, zijn de leden van de VVD-fractie gekant tegen een dergelijk buitenproportionele heffing aan schenkings- en successierecht. In dat licht is het jammer, zo oordelen ook de leden van de VVD-fractie, dat de door het kabinet mede als signaal voorgestelde tariefsverlaging door een amendement van de Tweede Kamer is teruggedraaid. Verder spijt het hen dat het kabinet nog steeds geen aanzet heeft gegeven tot een integrale herziening van de Successiewet.

Bij de behandeling van het belastingplan 2001 heeft de fractie van D66 gesteld dat kapitaalvlucht naar het buitenland meer plaats vindt vanwege de successiebelasting dan vanwege de vermogensbelasting. Deelt de minister die waarneming? Kan er een staatje worden overlegd hoe de successie belasting is geregeld in de EU-landen?

10. Arrest Charles en Charles Tijmens

De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP onderkennen de noodzaak van aanpassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 aan Europese jurisprudentie ter zake van het heffen van BTW op bedrijfsvermogen van een ondernemer dat wordt gebruikt voor «bijzondere doeleinden». In de toelichting wordt het op te lossen probleem helder verduidelijkt aan de hand van de casus van een vakantiewoning. Een aanpassing van het hier geldende belastbaar feit is noodzakelijk. Deze leden veronderstellen dat het daarbij om veel meer zal (kunnen) gaan dat het geval van de vakantiewoning. Zijn daarover gegevens beschikbaar? Welke feiten zullen, naar de verwachting van de regering, vooral gaan vallen onder deze aanpassing? Immers, het verdient aanbeveling de belastingbetalende burger tijdig te informeren over een nieuwe of meer uitgebreide BTW-plicht die hij tegemoet moet zien. Om welke goederen of diensten zal het naar verwachting vooral gaan?

Het kabinet heeft zich als doel gesteld om de administratieve lastenverlichting voor het bedrijfsleven een flinke impuls te geven. Kan bij benadering worden aangegeven wat de administratieve lastenverzwaring voor het bedrijfsleven is bij de regeling die is voorgenomen inzake het arrest Charles en Charles-Tijmens, zo vragen de leden van de D66-fractie.

Aansluitend zien de leden van de VVD-fractie graag een reactie tegemoet op de artikelen «Consumptief verbruik via de zaak en Btw» van Prof. dr. B.G. van Zadelhoff in Weekblad Fiscaal Recht 6694 van 16 november 2006 en «Btw en onzakelijk gebruik of privé-gebruik» van Prof. dr. H.W.M. van Kesteren en mr. J.B.O. Bijl.

11. Werkgeversbijdrage in de kinderopvang

De voorstellen met betrekking tot de werkgeversbijdrage in de kinderopvang betekenen voor ouders dat zij slechts met één partij – de Belastingdienst/ Toeslagen – te maken hebben voor het verkrijgen van financiële tegemoetkomingen, aldus de leden van deCDA-fractie. Dat betekent voor hen een vermindering van de administratieve lasten. Ook voor de werkgevers die momenteel hun werknemers een bijdrage verstrekken voor de kosten van kinderopvang, houdt het voorstel een beperking van de administratieve lasten in.

Terzake van de invoering van een verplichte werkgeversbijdrage in de kosten van kinderopvang is het de leden van de PvdA-fractie enigszins vreemd te moede. Zij menen dat de regering er op het punt van de financiering van de kinderopvang een beetje een troep van gemaakt heeft, met als gevolg een ongehoorde bureaucratische belasting van ouders en werkgevers, veel onduidelijkheid over wie wat betaalt en hoe men aan de bijdragen moet komen waar men recht op heeft, en per slot minder in plaats van meer gebruik van kinderopvang. Tegen deze achtergrond zouden de leden van de PvdA de voorgestelde verplichte werkgeversbijdrage gerust een flinke verbetering willen noemen. Door de vormgeving van de heffing als opslag op de sectorale WW- en andere premies, alsook van de uitkering in combinatie met de Rijksbijdrage door de Belastingdienst, ontstaat inderdaad een vereenvoudiging, vooral voor de ouders. Het is de aan het woord zijnde leden ook duidelijk dat met het van kracht worden van deze verplichting de bij CAO en individueel arbeidscontract aangegane verplichtingen voor de werkgever komen te vervallen, terwijl de rechthebbende ouder zich voor de bijdrage niet meer tot de werkgever maar direct tot de Belastingdienst kan wenden.

De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP hadden er de voorkeur aan gegeven dat met betrekking tot de wettelijke regeling in de kosten van de kinderopvang niet voor een andere wetgevingsprocedure was gekozen. Een zelfstandige procedure zou het principiële karakter van dit voorstel stellig meer recht hebben gedaan. Deze leden wensen daarom nu dat enkele aspecten een nadere rechtvaardiging of verduidelijking krijgen.

Allereerst wensen zij een meer precieze aanduiding van de rechtsgrond en politieke legitimatie van de onderhavige regeling. Zij wijzen er op dat het hier allereerst om een particuliere zaak gaat, namelijk het gemeenschappelijk belang van werkgever en werknemer, dat de werknemer in staat wordt gesteld ongehinderd zijn arbeidskracht ter beschikking te stellen aan de werkgever. Er is op zich geen reden om de wetgevende overheid in deze civielrechtelijke relatie een rol te geven, zo menen deze leden. Er moeten dus redenen van zeer dringende aard zijn om ter zake met wettelijke voorschriften te komen. Immers, wanneer de overheid hier mag interveniëren dan mag zij dat kennelijk ook in tal van andere onderdelen van genoemde civielrechtelijke relatie. Waaruit bestaat dan nog juridisch de bescherming van de vrijheid van ondernemen cq de interne arbeidrechtelijke vrijheid van de relatie werkgever-werknemer? Erkent de regering dat niet elke maatschappelijk gewenste aanspraak van werknemers bij onvoldoende honorering een rechtvaardiging oplevert voor ingrijpen van de wetgever? Waarom wordt dat hier nu wel voorgesteld?

Vervolgens vragen deze leden waarom de systematiek zo gekozen is dat alle werkgevers de kosten van de financiële tegemoetkoming moeten dragen, ook wanneer in een concreet geval een onderneming niemand in dienst heeft die in aanmerking wil komen voor een bijdrage in de kosten van de kinderopvang. Erkent de regering dat in deze systematiek sprake is van een van overheidswege wetgevend opgelegde solidariteit van werkgevers? Wat is daarvoor de rechtvaardiging? Is uitsluitend om pragmatische redenen gekozen voor uitvoering door de Belastingdienst/Toeslagen? Is het niet vreemd om deze dienst een taak te geven bij het financieel faciliteren van werknemers met geld van werkgevers? Past dat nog bij de kerntaken van deze dienst? Is overigens zeker dat deze dienst klaar is om per 1 januari as de uitvoering ter hand te nemen?

12. Uitvoering

De leden van de PvdA-fractie hebben terzake van de uitvoering nog de volgende vragen:

– Is aan ouders en werkgevers voldoende duidelijk gemaakt welke veranderingen per 1 januari zullen optreden en hoe zij (anders) moeten handelen vanaf die datum? De leden van de PvdA-fractie hebben in dit opzicht kennisgenomen van de brief van de minister van Financiën van 17 november inzake de voorlichting, maar hen bereiken ook signalen dat de Belastingdienst hier veelal nog «niet thuis» geeft.

– Vervallen de verplichte cao- en andere contractuele bijdragen van werkgevers aan kinderopvang per 1 januari van rechtswege, of is hiervoor een wijziging van alle contracten nodig ?

– Vervalt tegelijk de verplichting tot verstrekking van een eventueel bij CAO of anderszins overeengekomen werkgeversbijdrage boven het in de wet vastgelegde maximumtarief (bovenmaximale bijdragen?), of blijft deze gewoon bestaan uit hoofde van het contract.

– Wat betekent de voorgestelde verandering op 1 januari voor het handelen van werkgevers in dezen ? Hebben zij na die datum nog behoefte aan de ondersteuning van de door veel werkgevers ingeschakelde Intermediairs Kinderopvang, of niet ?

– Mag verwacht worden dat ouders vanaf 1 januari snel over de gecombineerde rijks- en werkgeversbijdrage via de Belastingdienst kunnen beschikken en hoe ?

Graag ontvangen de leden van de PvdA-fractie op deze vragen een zodanig antwoord dat zij ervan overtuigd kunnen zijn dat de invoering van een verplichte werkgeversbijdrage per 1 januari 2007 voor de betrokken ouders en werkgevers als een verlichting zal komen.

13. Diversen

Gaat de regering aan de motie-Slob over indirect overheidsingrijpen uitvoering geven, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Zo ja, wat wordt dan verstaan onder indirect overheidsingrijpen? Waar leidt de minister uit af dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om bij de invoering van art. 3.64, vierde lid, onderdeel a, Wet IB 2001 onder het begrip overheidsingrijpen ook indirect overheidsingrijpen te verstaan?

De leden van de VVD-fractie memoreren dat de gebruikelijk-loonregeling DGA in het leven is geroepen om DGA’s te verhinderen door een nihil-inkomen (a) de heffing van vermogensbelasting te verijdelen en (b) oneigenlijk gebruik van inkomensafhankelijke (subsidie-)regelingen onmogelijk te maken. Nadien heeft het ministerie van Financiën twee argumenten toegevoerd, namelijk (c) door een nihilsalaris ontgaat de DGA de premies volksverzekeringen en (d) door een nihilsalaris verschuift de belastingheffing in de tijd. De leden van de VVD-fractie voeren de volgende tegenargumenten aan. De vermogensbelasting is inmiddels afgeschaft. Oneigenlijk gebruik van (subsidie-)regelingen en het ontgaan van de premies volksverzekeringen kan (grotendeels) voorkomen worden door een salaris gelijk aan het maximum van de tweede schijf verplicht te stellen, tenzij de vennootschap structureel te weinig winst maakt om een dergelijk salaris uit te keren. Met het doorschuiven van de belastingheffing in de tijd wordt een onderneming sterker en dat is goed voor de economie. Bovendien wordt de mindere opbrengst aan inkomstenbelasting grotendeels gecompenseerd door een hogere opbrengst aan vennootschapsbelasting. Graag ontvingen zij een reactie van de minister daarop.

Wanneer iemand zijn onderneming uit de B.V. overhevelt naar een eenmanszaak, zo vervolgen deze leden, heeft hij de plicht om zijn B.V. te liquideren. Een eventuele pensioenverplichting van de B.V. moet dan worden afgestort bij een verzekeraar dan wel worden ondergebracht bij een nieuw opgerichte B.V. Dit laatste komt vreemd voor als de oude B.V. daar ook voor gebruikt kon worden. Het voorstel van de leden van de VVD-fractie is te bepalen dat de oude B.V. in stand mag blijven als pensioen-B.V.

Ten slotte vernemen de leden van de VVD-fractie graag de visie van de minister op het commentaar van de redactie van Vakstudie Nieuws zoals verwoord in Vakstudie Nieuws van 9 november 2006, pagina’s 11, 26, en 56 en 57.

II. ARTIKELEN

Art. II

Klopt het dat in het geval de aanmerkelijkbelanghouder een (fiscale) partner heeft het bedrag van € 250 000 belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang waarvoor een verlaagd tarief van 22% geldt, kan worden verdubbeld? Indien dit het geval is, zo vragen de leden van de CDA-fractie, is dit effect dan voorzien.

Art. IV

Het uit de loonbelasting halen van de directeur-grootaandeelhouder is wettechnisch gecompliceerd omdat verschillende regelingen uit de Wet LB 1964 van toepassing moeten worden verklaard, zo vervolgen deze leden. Waarom is niet gekozen voor het alternatief om de jaartabel in te voeren voor jaarbeloningen (de tabel van art. 20a Wet LB 1964) en de mogelijkheid te openen jaaraangifte loonbelasting te doen?

Art. IVa

De voorgestelde wijzigingen in de deelnemingsvrijstelling zijn voor de praktijk van groot belang, vooral met betrekking tot de positie van tussenhoudstermaatschappijen. Bedrijven die ook buiten Nederland actief zijn, hebben vaak een internationale groepsstructuur bestaande uit een regionale houdstermaatschappij (per continent) die op haar beurt landenholdings houdt, waaronder dan de werkmaatschappijen hangen. Ter illustratie van een aantal vragen die de nieuwe regels in de praktijk oproepen, aldus de leden van de CDA-fractie, volgt hier een voorbeeld. Een vaak voorkomende structuur bestaat uit een tussenhoudster in land A (TH), die landenholdings bezit in landen B en C. Landenholding B (BH) houdt lokale werkmaatschappijen met actieve bezittingen van (stel) 400. BH heeft groepsvorderingen op deze werkmaatschappijen van (stel) 500. Landenholding C (CH) houdt lokale werkmaatschappijen met actieve bezittingen ad 800. CH heeft groepsvorderingen op deze werkmaatschappijen ad 600. Onderling hebben de werkmaatschappijen in land C vorderingen op elkaar ad 100. TH heeft ten slotte ook een passieve (laagbelaste) financieringsdochter (FD) met groepsvorderingen van 500.

De bezittingentoets leidt tot de conclusie dat TH 1 700 vrije beleggingen zou hebben en 1 200 operationele activa. De 1 700 vrije beleggingen bestaan voor 1 100 uit groepsvorderingen verstrekt door BH en CH aan hun werkmaatschappijen.

Is de strekking van de nieuwe regeling inderdaad dat aan dergelijke groepsvorderingen dezelfde betekenis wordt toegekend als aan de groepsvorderingen van de passieve laagbelaste FD?

Indien ook de groepsvorderingen van BH en CH vrije beleggingen zijn, is TH een laagbelaste beleggingsdeelneming en zullen de operationele (reeds hoogbelaste) winsten uit landen B en C nogmaals belast zijn in Nederland bij dooruitdeling door TH.

Is deze uitkomst beoogd? Zo ja, hoe kan deze uitkomst worden gerechtvaardigd?

In het Belastingplan 2007 wordt een nieuwe volzin toegevoegd aan het elfde lid van art. 13, kennelijk met als strekking een mogelijkheid te bieden dat groepsvorderingen niet altijd een vrije belegging vormen. Deze mogelijkheid geldt alleen als de belastingplichtige aannemelijk maakt dat «een lichaam» bezittingen heeft die niet grotendeels bestaan uit vrije beleggingen of die actieve financieringswerkzaamheden verricht. Toegesneden op deze casus, lijkt het juist dat zowel TH, als BH en CH het hier bedoelde lichaam kunnen zijn. Geen van deze lichamen verricht echter actieve financieringswerkzaamheden (zij verschaffen kapitaal en leningen aan hun respectievelijke dochters voor zover daaraan behoefte bestaat). Elk van deze lichamen heeft nagenoeg (onmiddellijk) geen andere bezittingen dan aandelen in en groepsvorderingen op dochters. Dit roept de vraag op of het niet de bedoeling is dat de middellijke bezittingen (inclusief vorderingen) eveneens in aanmerking worden genomen voor de toepassing van de tweede volzin?

Indien BH en CH een deel van hun groepsvorderingen omzetten in aandelenkapitaal zodat het resterende deel minder dan 50% van hun bezittingen uitmaakt, kunnen (met toepassing van een middellijke toets) de resterende groepsvorderingen dan als operationele activa worden aangemerkt? Of dienen deze buiten aanmerking te blijven, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Aan de hand van welke criteria wordt vastgesteld of groepsvorderingen geen vrije belegging vormen voor landenholdings als BH en CH? Speelt daarbij een rol of de schuldeiser en de schuldenaar in een fiscale eenheid met elkaar zijn verbonden? Is relevant of de betaalde en ontvangen rente op de groepsvorderingen onder hetzelfde fiscale regime vallen? Is relevant of de rente bij de schuldeiser belast is (welke belasting naar Nederlandse maatstaven redelijk is)?

In bovenstaand voorbeeld (en met toepassing van een middellijke toets) zou BH niet en CH wel de mogelijkheid hebben om aannemelijk te maken dat de groepsvorderingen geen vrije beleggingen zijn. Beiden verrichten echter dezelfde functie, namelijk die van een landenholding die zijn werkmaatschappijen financiert met eigen en vreemd vermogen.

Indien het redelijk is dat een lokale houdstermaatschappij de mogelijkheid heeft om groepsvorderingen als een «actieve» bezitting aan te merken, waarom zou dat dan alleen redelijk zijn als die groepsvorderingen samen met de andere – vrije – beleggingen minder dan 50% uitmaken van de totale (onmiddellijke en middellijke) bezittingen van dat lichaam? Wat is de ratio van dit onderscheid, zo vragen deze leden.

Art. VIII

De behandeling van wetsvoorstel 30 061 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de aanpak van constructies met betrekking tot (on)roerende zaken alsmede in verband met een aanpassing op enkele onderdelen is ernstig vertraagd geraakt, zo merken de leden van de CDA-fractie op. Hierdoor zijn ook noodzakelijke technische aanpassingen van de Wet OB 1968 onnodig vertraagd geraakt. Eén van de doelstellingen van het Belastingplan 2007 is de Wet OB 1968 meer in overeenstemming te brengen met het Gemeenschapsrecht. Andere, en verder strekkende, technische aanpassingen van de Wet OB 1968 (zoals de aanpassing van 11, eerste lid, onderdeel g, Wet OB) zijn wél overgebracht naar het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden vragen waarom de technische aanpassingen van de artikelen 2a, onderdeel c, Wet OB 1968 en 18, eerste lid, onderdeel a, Wet OB 1968 niet uit wetsvoorstel 30 061 zijn gehaald en zijn opgenomen in het onderhavige wetsvoorstel?

In 2000 is de Gaswet tot stand gekomen. Ingevolge de later in werking getreden bepalingen van die wet moet er bij de levering van gas een onderscheid worden gemaakt tussen de levering als zodanig en het transport van het gas naar de afnemer. Door dit onderscheid zou het transport van gas bestemd voor de tuinbouw niet langer onder het verlaagde tarief kunnen vallen. Deze wijziging is niet beoogd, zo blijkt uit de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 30 061. Hieruit volgt dat een technische aanpassing is vereist van de bij de Wet OB 1968 behorende tabel I, onderdeel b om ook in de toekomst het transport van gas bestemd voor de tuinbouw weer wettelijk onder het verlaagde BTW-tarief te laten vallen. Waarom is de aanpassing van tabel I, onderdeel b Wet OB 1968 niet uit het wetsvoorstel 30 061 gehaald en meegenomen in het onderhavige wetsvoorstel, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Het voorgestelde art. 4, tweede lid, onderdeel a, Wet OB 1968 voorziet in een wetsfictie op basis waarvan als belastbare dienst wordt aangemerkt het voor privé-doeleinden van de ondernemer, van zijn personeel of dat voor andere dan bedrijfsdoeleinden gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed, indien met betrekking tot dat goed aftrek van voorbelasting is ontstaan. Uit het arrest van het HvJ EG van 11 september 2003, nr. C-155/01 (Cookies World), V-N 2003/48.18 kan worden afgeleid dat het begrip «tot een bedrijf behorend goed» mede gehuurde goederen omvat (zie hierover de opinie van prof. dr. H.W.M. van Kesteren en mr. J.B.O. Bijl, BTW en onzakelijk gebruik of privé-gebruik, NTFR 2006/1591). Dit roept bij de leden van de CDA-fractie de volgende vragen op:

Omvat het begrip «tot het bedrijf behorend goed» zowel a)goederen waarvan de ondernemer (belastingplichtige) de eigenaar is als b)goederen die de ondernemer huurt?

Indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, betekent dit dan dat een correctie op het privé-gebruik van een door de ondernemer gehuurde zaak niet mogelijk is en dat aftrek terzake van de door de ondernemer gehuurde zaak dan ook niet mogelijk is?

Indien onder een tot het bedrijf behorend goed ook gehuurde goederen kunnen worden verstaan, kunnen dergelijke gehuurde goederen dan ook worden geëtiketteerd?

Hoe verhoudt een eventuele blokkering van het recht op aftrek zich met het arrest van het HvJ EG van 14 juli 2005, nr. C-434/03 (Charles-Tijmens), BNB 2005/284?

In zijn arrest van 14 juli 2005, nr. C-434/03 (Charles-Tijmens), BNB 2005/284 heeft het HvJ EG zich niet expliciet uitgelaten over de mogelijkheid van het etiketteren van door een ondernemer ingekochte diensten. In de MvT, Kamerstukken II, 2006–2007, 30 804, nr. 3, p. 60, wordt gesteld dat extern (van derden) ingekochte diensten niet onder de werking van het voorgestelde artikel 4, tweede lid, onderdeel b, (fictieve diensten) vallen (zie ook Kamerstukken II, 2006–2007, 30 804, nr. 8, p. 31 e.v.). Dit lijkt te impliceren dat diensten aldus niet voor etikettering in aanmerking komen. Immers, indien dit niet het geval was geweest, had de Minister niet de bovenstaande constatering hoeven te doen. Hij had dan kunnen volstaan met de opmerking dat de BTW op diensten niet geheel voor aftrek in aanmerking komt, indien sprake is van gedeeltelijk privé-gebruik van deze diensten. Dit brengt de leden van de CDA-fractie tot de volgende vragen:

Is het voor de BTW mogelijk etikettering toe te passen op alle diensten?

Moet hierbij een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de zogenoemde «kostbare diensten», zijnde diensten waarop kan worden afgeschreven (TK 2004–2005, 30 061, nr. 3, p. 17) en anderzijds overige diensten? En zo ja, hoe dient dan de aftrek bij de overige diensten plaats te vinden?

Als kostbare diensten kunnen worden geëetiketteerd, kan de aftrek van BTW die drukt op de overige diensten dan via de herzieningsregels (herrekening) in het jaar van gebruik van deze diensten worden gecorrigeerd?

Bij nota van wijziging is een voorstel opgenomen dat strekt tot toevoeging van een vijfde lid aan art. 11 Wet OB. In de toelichting op de nota van wijziging is opgemerkt dat het hier gaat om een technische aanpassing die verband houdt met de nieuwe belastbare feiten in de artikelen 3, derde lid en 4, tweede lid, Wet OB 1968. Zonder deze aanpassing van art. 11 zou aan het 90% criterium dat geldt voor de optie belaste levering en de optie belaste verhuur van onroerende goederen door belastingplichtigen door meer (bij wetsfictie belast) privé-gebruik kunnen worden beïnvloed. Volgens de nota van wijziging wordt gevreesd dat dit constructies in de hand zou werken.

De tekst van het voorgestelde art. 11, vijfde lid is echter zo ruim opgesteld, aldus de leden van de CDA-fractie, dat het alle bij wijze van wetsfictie belastbare prestaties van art. 3, derde lid omvat. In art. 3, derde lid is echter ook de «integratieheffing» (voorheen ook wel de «3–1-h» heffing) opgenomen. De integratieheffing is géén nieuw belastbaar feit. Het doel van de integratieheffing is om het beschikken voor bedrijfsdoeleinden over in het eigen bedrijf vervaardigde goederen in gevallen waarin, indien de goederen van een ondernemer zouden zijn betrokken, de op die goederen drukkende belasting niet of niet geheel voor aftrek in aanmerking zou komen, in de heffing te betrekken. Het artikel beoogt derhalve concurrentieverstoring te voorkomen. Het voorgestelde art. 11, vijfde lid gaat thans verder dan noodzakelijk is. Het leidt bovendien tot situaties die niet door de wetgever kunnen zijn bedoeld.

Onder de huidige werking van de (ongewijzigde) Wet OB 1968 kan een ondernemer de BTW die aan hem in rekening wordt gebracht terzake van de bouw van een onroerend goed in aftrek brengen, indien bij eerste ingebruikname van het onroerende goed een belaste integratieheffing plaats zal vinden. De BTW op de (ver)bouwkosten is dan immers toerekenbaar aan een (bij wetsfictie) belaste levering (de integratieheffing). Aldus wordt voorkomen dat op het desbetreffende goed tweemaal omzetbelasting drukt. Door de ruime werking van het voorgestelde art. 11, vijfde lid zal bijvoorbeeld voor de belaste levering van een onroerende zaak niet meer kunnen worden geopteerd, indien bij de koper van het goed bij eerste ingebruikname een integratieheffing in de zin van het voorgestelde art. 3, derde lid, onderdeel b, Wet OB 1968 plaats zal vinden. Dit doet zich bijvoorbeeld voor indien een ondernemer, die niet nagenoeg volledig aftrekgerechtigd is, een pand dat zich bij de verkoper nog in de herzieningstermijn bevindt, koopt en het vervolgens ingrijpend verbouwt (of doet verbouwen). Het gevolg is dan dat de verkoper de herzienings-BTW die hij alsnog wordt verschuldigd, in de prijs van het te verbouwen pand doorberekent aan de koper. Op die wijze treedt dan alsnog cumulatie van belasting op. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EG dient de heffing van BTW neutraal te verlopen. Gelet op de toelichting op de nota van wijziging is het hiervoor aangehaalde effect niet bedoeld.

Waarom is in de tekst van het voorgestelde art. 11, vijfde lid, Wet OB 1968 geen specifieke uitzondering gemaakt voor de integratieheffing (art. 3, derde lid, onderdeel b), zodat eventuele cumulatie van belasting wordt voorkomen? Een dergelijke specifieke uitzondering is wel opgenomen in het voorgestelde art. 16a Wet OB.

Een vergelijkbaar probleem doet zich voor, zo vervolgen deze leden, bij handelingen met beperkte rechten zoals erfpacht, die door de fictie van art. 3, tweede lid, Wet OB 1968 als verhuur worden aangemerkt. Als een integratieheffing volgt op de optie belaste verhuur, kan door de «overkill» van art. 11, vijfde lid, Wet OB 1968 niet meer worden geopteerd voor belaste verhuur. Dit zal ook gevolgen hebben voor de heffing van overdrachtsbelasting. Dat de optie voor belaste levering of huur niet mogelijk is in situaties van een daaropvolgende integratieheffing is niet noodzakelijk en niet gewenst. Vergelijk Prof. dr. B.G. van Zadelhoff, Consumptief verbruik via de zaak en BTW, WFR 2006/6694. Er bestaat geen gevaar voor gemis aan belastinginkomsten. Prof. Zadelhoff betoogt dat het voorgestelde vijfde lid van art. 11 Wet OB 1968 moet vervallen dan wel moet worden beperkt tot de fictief belaste diensten. Graag vernemen de leden van de CDA-fractie hierover de mening van de minister.

Waarom sluit art. 11, vijfde lid, Wet OB 1968 de optie belaste verhuur uit in situaties van een daaropvolgende integratieheffing?

Waarom is in de tekst van het voorgestelde art. 11, vijfde lid, Wet OB 1968 geen specifieke uitzondering gemaakt voor de integratieheffing (art. 3, derde lid, onderdeel b), zodat eventuele cumulatie van belasting wordt voorkomen? Een dergelijke specifieke uitzondering is wel opgenomen in het voorgestelde art. 16a Wet OB.

Het is onduidelijk hoe de door het HvJ EG ontwikkelde vermogensetiketteringsleer, waar onderhavig wetsvoorstel rekening mee beoogt te houden, zich verhoudt tot het voorgestelde art. 11, vijfde lid, Wet OB 1968. Er zijn twee mogelijke zienswijzen ten aanzien van de methode om vast te stellen of aan het 90% criterium voor belaste levering of verhuur is voldaan. De eerste zienswijze is dat slechts rekening moet worden gehouden met de verhouding van het zakelijke belaste gebruik ten opzichte van het zakelijke vrijgestelde gebruik van een goed van het gedeelte van het goed dat zakelijk gebruikt wordt. De tweede zienswijze is dat rekening moet worden gehouden met de verhouding van het zakelijke belaste gebruik ten opzichte van het zakelijke vrijgestelde gebruik van het gehele goed (inclusief het gedeelte dat voor privé-doeleinden wordt gebruikt).

Welke van de bovenstaande zienswijzen ten aanzien van de methode om vast te stellen of aan het 90% criterium voor belaste levering of verhuur is voldaan, is juist, zo vragen deze leden.

Kan een optie belaste levering als bedoeld in art. 11, eerste lid, onderdeel a, ten tweede Wet OB 1968, worden toegepast indien de koper de onroerende zaak geheel als ondernemingsvermogen voor de BTW etiketteert, terwijl hij de onroerende zaak voor 61% voor belaste prestaties gebruikt, voor 9 procent voor vrijgestelde prestaties gebruikt en voor 30% voor privé-gebruik aanwendt?

Kan een optie belaste levering als bedoeld in art. 11, eerste lid, onderdeel a, ten tweede Wet OB 1968, worden toegepast, indien de koper de onroerende zaak voor 70% als ondernemingsvermogen voor de BTW etiketteert, voor 30% als privé-vermogen etiketteert, terwijl hij de onroerende zaak voor 61% voor belaste prestaties gebruikt, voor 9% voor vrijgestelde prestaties gebruikt en voor 30% voor privé-gebruik aanwendt?

De maatstaf van heffing van de (bij wetsfictie) belastbare feiten van de voorgestelde art. 4, tweede lid, onderdelen a en b, Wet OB 1968 («interne diensten») wordt op grond van het voorgestelde art. 8, zevende lid, Wet OB 1968 gevormd door de door de ondernemer voor het verrichten van de (bij wijze van wetsfictie) belaste diensten gemaakte uitgaven, zo vervolgen de leden van de CDA-fractie. Op grond van het arrest van het HvJ EG van 14 september 2006, nr. C-72/05 (Wollny), V-N 2006/50.13 kan bij de berekening van de gemaakte uitgaven met betrekking tot het privé-gebruik en dergelijke van onroerende goederen en roerende investeringsgoederen worden aangesloten bij de voor die goederen geldende herzieningstermijnen van tien jaar, respectievelijk vijf jaar. In de memorie van toelichting is aangegeven dat in Nederland deze systematiek zal worden gevolgd (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 804, nr. 3, p. 25).

Betekent dit dat indien de herzieningstermijn van een onroerende zaak of een roerend investeringsgoed is afgelopen, de maatstaf van heffing voor het privé-gebruik van het betreffende goed op nihil wordt gesteld? Indien dit niet het geval is: door welke uitgaven wordt de maatstaf van heffing na het verstrijken van de herzieningstermijn dan gevormd?

Worden de in het voorgestelde art. 8, zevende lid, Wet OB 1968 bedoelde uitgaven mede gevormd door (kosten van) diensten zoals reparatie- en onderhoudsdiensten?

Hoe verhoudt zich dit met het arrest van het HvJ EG van 8 maart 2001, nr. C-415/98 (Bakcsi), V-N 2001/18.30?

Uit het voorgestelde art. 16a Wet OB 1968 volgt dat terzake van prestaties als bedoeld in art. 3, derde lid, onderdelen a en c (interne leveringen) en als bedoeld in art. 4, tweede lid (interne diensten) de belasting niet wordt verschuldigd indien «het prestaties betreft als bedoeld in het op artikel 16, eerste lid, gebaseerde koninklijk besluit» (i.e. het Besluit Uitsluiting Aftrek omzetbelasting 1968, «BUA»).

Gaat het in art. 16a Wet OB 1968 om handelingen terzake waarvan op grond van het BUA daadwerkelijk de aftrek is gecorrigeerd, of dient een fictieve heffing ook te worden toegepast indien het weliswaar handelingen betreft die in het BUA worden genoemd, maar het BUA de facto niet is toegepast (omdat het privé-gebruik zich bijvoorbeeld niet in het jaar van aanschaf heeft voorgedaan), zo vragen de leden van de CDA-fractie vervolgens.

In de nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt dat terzake van het begrip «geringe waarde» van het voorgestelde art. 3, achtste lid, Wet OB 1968 wordt gedacht aan een bedrag van €15. Dit bedrag zou zijn ontleend aan art. 8, derde lid, Wet OB 1968.

Waar is de analogie met art. 8, derde lid, Wet OB 1968 op gebaseerd?

Waarom wordt geen (analogische) aansluiting gezocht bij de BUA grens van € 227?

Waarom wordt geen aansluiting gezocht bij de grens van € 45 van Richtlijn 2006/79/EG van de Raad van 5 oktober 2006 inzake de belastingvrijstellingen die van toepassing zijn bij invoer van uit derde landen afkomstige kleine zendingen goederen zonder commercieel karakter (Pb EG 17 oktober 2006, nr. L 286 blz. 1518)?

Het is onduidelijk hoe de «geringe waarde» in de zin van het voorgestelde art. 3, achtste lid, Wet OB 1968 moet worden vastgesteld, aldus de leden van de CDA-fractie. Moet een ondernemer die balpennen weggeeft als geschenken van geringe waarde als geringe waarde in de zin van het voorgestelde art. 3, achtste lid, Wet OB 1968 de waarde van één enkele balpen hanteren of moet een ondernemer die balpennen weggeeft de waarde van alle weggegeven balpennen in één jaar samen hanteren?

Wat betekent het antwoord op de voorgaande vragen voor ondernemers die gratis kranten op treinstations plegen weg te geven en bij wijze van promotie af en toe andere artikelen (balpennen, paraplu’s) verstrekken?

Op grond van het voorgestelde (gewijzigde) art. 15, tweede lid, onderdeel b, Wet OB 1968 is onder meer aftrekbaar de belasting op goederen en diensten «die worden gebruikt voor handelingen die overeenkomstig de artikelen 14, eerste lid» onder g, en i, en 15 van de Zesde richtlijn zijn vrijgesteld. Deze richtlijnbepalingen zijn nauwelijks leesbaar. Bovendien is een aantal van deze richtlijnbepalingen omgezet in de nationale wet (zie bijvoorbeeld in Tabel II Wet OB 1968), waarbij er tot overmaat van ramp enige ruimte tussen de formuleringen in Tabel II en die van de (corresponderende leden van) art. 15 Zesde richtlijn is gelaten (zie mr. M.E. van Hilten in WFR 2006/1287). Door deze wetgevingssystematiek ontstaat voor ondernemers een situatie waarin zij niet of met zeer veel moeite hun rechten kunnen vaststellen.

Waarom is er bij deze wetgevingsoperatie om de Wet meer richtlijnconform te maken, niet voor gekozen om Tabel II uit te breiden met de prestaties vermeld in art. 14, eerste lid, onderdeel g en i en in art. 15 Zesde richtlijn (en de reeds in Tabel II opgenomen prestaties werkelijk richtlijn conform te maken), zodat ondernemers hun rechten en verplichtingen op een eenvoudiger wijze uit de Wet OB 1968 kunnen afleiden, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Het BUA is een omstreden regeling, getuige de procedures die nog onder de rechter zijn. In de voorgestelde wetgeving wordt het BUA gehandhaafd, naast de introductie van een tweede correctiemogelijkheid (art. 3, derde lid en art. 4, tweede lid). De reden die voor de handhaving van het BUA is aangedragen, is de uitvoerbaarheid van de huidige regelgeving en het feit dat het bedrijfsleven tijd nodig heeft om zich op de nieuwe regels in te stellen. Anders dan in de nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt door de minister, kan het handhaven van het BUA voor ondernemers wel degelijk betekenen dat zij twee correctiesystemen moeten hanteren. Dit komt doordat er verschillende regels gelden voor a) het privé-gebruik en de onttrekking van zakelijk ingekochte goederen en diensten door de zelfstandige ondernemer zelf en b) het privé-gebruik van deze zelfde goederen en diensten door zijn personeel. Het moeten hanteren van twee correctiesystemen doet zich bijvoorbeeld voor in de (denkbare) situatie waarin een ondernemer zowel terzake van eigen privé-gebruik een correctie dient te maken (via de systematiek van art. 3, derde lid 3 / 4, tweede lid) als voor het privé-gebruik door personeelsleden een correctie dient te maken (via de systematiek van het BUA). Dit leidt tot zwaardere administratieve lasten voor ondernemers. Ook het VNO-NCW heeft op dit risico gewezen.

Hoe verhoudt zich het feit dat de zelfstandige ondernemer twee correctiesystemen voor privé-gebruik moet administreren met de genoemde voorkoming van verzwaring van administratieve lasten?

Is het, gezien het feit dat het maar de vraag is of het BUA een richtlijnconforme regeling is, en gezien het feit dat handhaving van het BUA tot lastenverzwaring voor ondernemers leidt, niet beter om het BUA te laten vervallen en daarmee volledig aan te sluiten bij de systematiek van de Zesde richtlijn, zo willen deze leden weten.

In de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 804, nr. 3, blz. 27) is opgemerkt: «Vermeldenswaard is in dit geval nog wel dat met de nieuwe, meer richtlijnconforme opzet van artikel 15, eerste lid, van de Wet OB – gericht op de uitbreiding van het recht op aftrek van voorbelasting wat betreft goederen/diensten bestemd voor bijzondere doeleinden – tevens wordt bereikt dat het niet langer mogelijk is om de voorbelasting af te trekken ter zake van handelingen die weliswaar «in het kader van de onderneming» (de huidige formulering van artikel 15, eerste lid) worden verricht, maar die buiten het toepassingsbereik van de BTW plaatsvinden en dus geen recht op vooraftrek zouden mogen geven. Volgens de Hoge Raad (arrest van 9 juli 2004, nr. 38 026, V-N 2006.35.21) is de verkoop van aandelen weliswaar een handeling in het kader van de onderneming, maar is de verkoop van aandelen niet aan te merken als een economische activiteit (de verkoop van aandelen is volgens de Hoge Raad dus geen belastbare – belaste of vrijgestelde – dienst). Het lijkt er derhalve op, zo merken deze leden op, dat als gevolg van de wetswijziging het arrest van de Hoge Raad wordt achterhaald.

Betekent de wijziging van art. 15, eerste lid, slotzin (aftrek voor zover gebruik voor belaste handelingen, in plaats van «gebezigd in het kader van de onderneming») dat de aftrek is uitgesloten van BTW die ter zake van advieskosten en dergelijke inzake de aan- en verkoop van deelnemingen in rekening wordt gebracht?

Art. XIII

Op blz. 49 van het verslag van een wetgevingsoverleg (nr. 37) heeft de minister toegezegd dat nader zal worden gekeken naar de overgangsregeling met betrekking tot bonussen alsmede naar de gevolgen als werkgevers volgens de CAO nog een bijdrage boven de maximumuurprijs geven en andere extra’s. Kan de minister hier nader over berichten, zo vragen de leden van de CDA-fractie tot besluit.

Vertrouwende dat deze vragen tijdig zullen worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

Essers

De griffier van de commissie,

Janssen


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Schuyer (D66), Ketting (VVD), Terpstra (CDA), Van Driel (PvdA), Doek (CDA), Van Middelkoop (CU), Biermans (VVD), plv. voorzitter, Essers (CDA), voorzitter, Kox (SP), Leijnse (PvdA) en Minderman (GL).

Plv. leden: Schouw (D66), Kalsbeek-Schimmelpenninck van der Oije (VVD), Van Leeuwen (CDA), Bemelmans-Videc (CDA), Van den Berg (SG), Hoekzema (VVD), Klink (CDA), Rabbinge (PvdA) en Thissen (GL).