Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Eerste Kamer der Staten-Generaal2006-200730655 nr. C

30 655
Invoering van de Pensioenwet (Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet)

C
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 24 november 2006

De regering heeft met belangstelling kennis genomen van de vragen van de leden van de fracties van CDA, VVD en PvdA naar aanleiding van het wetsvoorstel Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet.

Advies Raad van State

De leden van de CDA-fractie verwijzen naar de opmerking die de Raad van State in zijn advies over het onderhavige wetsvoorstel heeft gemaakt, dat op het moment van uitbrengen van het advies de tekst van de Pensioenwet nog niet definitief was, en dat het om die reden niet goed mogelijk was om ten volle te overzien in hoeverre het voorliggende wetsvoorstel toereikend en sluitend is. In dit verband vragen de leden van de CDA-fractie of er met de «stofkam» door de wet gegaan is, zodat er geen onjuistheden meer zijn. Na ontvangst van het advies van de Raad van State heeft de regering het wetsvoorstel aangepast naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad, en van die gelegenheid gebruik gemaakt nog enkele technische verbeteringen aan te brengen. Deze verbeteringen zijn beschreven in paragraaf 7 van het nader rapport. De regering kan voorts bevestigen dat in het onderhavige wetsvoorstel op zorgvuldige wijze de wijzigingen zijn verwerkt die na ommekomst van het advies van de Raad van State nog op het wetsvoorstel voor de Pensioenwet zijn aangebracht via nota’s van wijziging en amendementen.

Informatie aan gewezen deelnemers en gewezen partners (artikel 37 Pensioenwet)

In artikel 37 van de Pensioenwet is bepaald dat de gewezen deelnemers ten minste eens in de 5 jaar periodieke informatie over hun pensioenaanspraken krijgen. Voor personen die vóór de inwerkingtreding van de Pensioenwet al gewezen deelnemer waren, geldt deze verplichting alleen als zij zich zelf melden. Dit is geregeld in artikel 22, vijfde en zesde lid van het wetsvoorstel. De leden van de CDA-fractie vragen, hoe deze gewezen deelnemers en gewezen partners van deze mogelijkheid op de hoogte zullen worden gesteld. De regeling met betrekking tot het informeren van «bestaande slapers» is een praktische oplossing voor het probleem dat pensioenuitvoerders niet altijd over de adressen beschikken van slapers. Onder de PSW is het aanhouden van een adressenbestand van gewezen deelnemers immers niet nodig, omdat de PSW geen informatieverplichtingen bevat jegens gewezen deelnemers. Het is een goede zaak indien het pensioenveld bekendheid geeft aan de mogelijkheid die de Pensioenwet en het onderhavige wetsvoorstel bieden aan«bestaande» gewezen deelnemers, om periodieke informatie te gaan ontvangen van de pensioenuitvoerder. Daarbij kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van de website van de Stichting Pensioenkijker. Voorts zouden ook pensioenuitvoerders mensen erop kunnen attenderen dat zij, indien zij nog aanspraken hebben staan bij andere pensioenuitvoerders, van deze mogelijkheid gebruik kunnen maken.

Toeslagfondsen

De leden van de CDA-fractie merken op dat voor een toeslagfonds dat wordt aangehouden bij een verzekeraar, het jaar 2007 kan worden benut om zo nodig de juridische vormgeving aan te passen, zodat de depotgelden uitsluitend voor toeslagverlening kunnen worden aangewend. Is er ook voor toeslagfondsen die binnen de onderneming of binnen een pensioenfonds worden aangehouden voorzien in een overgangstermijn, zo vragen deze leden.

Aangezien toeslagen onder het begrip «pensioen» vallen, behoren fondsen, die gelden beheren ten behoeve van toeslagverlening, ondergebracht te worden bij een pensioenfonds of een verzekeraar. Toeslagfondsen die binnen een pensioenfonds worden aangehouden voldoen al aan de eis van externe onderbrenging. Het uitgangspunt van de Pensioenwet, dat onder «pensioen» ook toeslagen vallen, is van zodanig gewicht, dat uitstel van inwerkingtreding van deze norm niet in de rede ligt. Dat betekent dat als een werkgever op de balans reserveert ten behoeve van toeslagverlening, deze situatie vanaf 1 januari 2007 niet aan het vereiste van artikel 22 Pensioenwet voldoet. Ook toeslagfondsen, die los van een pensioenuitvoerder staan, en die bijvoorbeeld zijn vormgegeven in een stichting, voldoen met ingang van 1 januari 2007 niet aan de wettelijke eisen. Betrokkenen zullen dus een adequate actie moeten inzetten om deze situatie op korte termijn aan te passen. De toezichthouder ziet erop toe, dat een dergelijke actie niet uitblijft. Zou de nieuwe norm pas per 1 januari 2008 in werking treden, dan zou de toezichthouder gedurende het hele jaar 2007 geen actie kunnen ondernemen. Dit acht de regering ongewenst.

Onbedoeld onvoorwaardelijke toeslagen

Tijdens de behandeling van de Pensioenwet in de Tweede Kamer is in de nota naar aanleiding van het verslag aangegeven dat de door het Verbond van Verzekeraars eerder gesignaleerde problemen met betrekking tot de onbedoelde onvoorwaardelijke toezeggingen zijn opgelost. Tevens geeft de minister aan dat het niet de bedoeling is dat de werking van nieuwe normen zich uitstrekt tot het verleden. Volgens het Verbond is het echter twijfelachtig of op grond van artikel 44 de nieuwe financieringsregels niet van toepassing zijn op de onbedoelde onvoorwaardelijke indexatietoezeggingen die in het kader van reeds opgebouwde aanspraken zijn gedaan. De leden van de fracties van het CDA, de PvdA en de VVD vragen of duidelijk kan worden aangeven dat de nieuwe financieringsregels niet van toepassing zijn op de onbedoeld onvoorwaardelijke indexatietoezeggingen die in het kader van reeds opgebouwde aanspraken zijn gedaan.

Met «onbedoeld onvoorwaardelijke toeslagen» wordt gedoeld op de situatie, zoals die thans wel voorkomt bij rechtstreeks verzekerde regelingen, waarin een werkgever in het pensioenreglement een onvoorwaardelijke toeslag toezegt aan deelnemers, welke toezegging evenwel voorwaardelijk is bedoeld. De voorwaardelijkheid komt niet tot uitdrukking in het pensioenreglement, maar in het verzekeringscontract tussen werkgever en verzekeraar. In de Pensioenwet is een dergelijke constructie niet meer toegestaan. Is de toeslagverlening voorwaardelijk, dan dient die voorwaardelijkheid tot uitdrukking te komen in de pensioenovereenkomst, de uitvoeringsovereenkomst, het pensioenreglement, en alle overige informatie die de pensioenuitvoerder aan betrokkenen zendt. Dit vloeit voort uit artikel 86, tweede lid, van de Pensioenwet (consistentie tussen gewekte verwachtingen, financiering en het realiseren van voorwaardelijke toeslagen), en uit artikel 33 Pensioenwet, op grond waarvan de pensioenuitvoerder verantwoordelijk is voor het pensioenreglement, en de daarin vervatte toezeggingen dus zal moeten nakomen. In het onderhavige wetsvoorstel is erin voorzien dat deze nieuwe bepalingen alleen voor de toekomst werken. Daartoe is in artikel 21, tweede lid, expliciet geregeld dat de pensioenuitvoerder niet de verantwoordelijkheid draagt voor de inhoud van het pensioenreglement voordat artikel 33 van de Pensioenwet in werking treedt, en in artikel 44, eerste lid, is in een gelijksoortige regeling voorzien voor de informatieverstrekking door de pensioenuitvoerder: daarin is namelijk bepaald dat artikel 86, tweede lid, Pensioenwet niet van toepassing is op informatieverstrekking die heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van dat artikel. Met deze bepalingen is zekergesteld, dat de nieuwe normen zich niet tevens tot het verleden gaan uitstrekken. Voor alle duidelijkheid zij erop gewezen, dat pensioenuitvoerders in hun communicatie op grond van de artikelen 35 tot en met 42 Pensioenwet de eventuele voorwaardelijkheid van de toeslagverlening uiteraard expliciet tot uitdrukking moeten laten komen, óók als het om (gewezen) deelnemers, of pensioengerechtigden gaat, aan wie in het verleden een «onbedoeld onvoorwaardelijke toeslag» is gecommuniceerd. Daarmee wordt niet de inhoud van de toezegging omtrent toeslag gewijzigd, maar wordt voor de toekomst helder gemaakt wat die toezegging nu eigenlijk precies inhoudt – en altijd ingehouden heeft, maar onhelder gecommuniceerd is – namelijk een voorwaardelijke toeslagverlening.

Keuzerecht van artikel 55 Pensioenwet

De leden van de CDA-fractie stellen enkele vragen over de in artikel 55 Pensioenwet geregelde uitruil van ouderdomspensioen in partnerpensioen. Op grond van het eerste lid kan de deelnemer zijn ouderdomspensioen of een deel van het ouderdomspensioen inruilen. De hoogte van het partnerpensioen is daarbij in dit artikellid gemaximeerd op 70% van het ouderdomspensioen. Als gevolg van deze – via amendement nr. 85 in de tekst aangebrachte – maximering van het partnerpensioen, kan, zo merken de leden van de CDA-fractie op, er derhalve geen sprake van zijn dat de deelnemer zijn gehele ouderdomspensioen uitruilt. Deze constatering is juist voor wat betreft de wettelijke uitruilmogelijkheid die pensioenuitvoerders op grond van dit artikel moeten aanbieden. Voor de goede orde zij er in dit verband op gewezen, dat de artikelen 54 en 55 keuzemogelijkheden bevatten die in ieder geval door de pensioenuitvoerder moeten worden geboden, maar dat sociale partners ook verdergaande ruilmogelijkheden kunnen afspreken. Zo is een uitruil van ouderdomspensioen in een partnerpensioen van 100% dus mogelijk (op grond van artikel 56, eerste lid, onderdeel d), indien sociale partners die mogelijkheid in de pensioenregeling hebben opgenomen.

Voorts vraagt de CDA-fractie naar de mogelijkheid om na het eerste overlijden een pensioen uit te keren aan de langstlevende partner van 70% (of 75% – gezien de fiscale hoog/laag verhouding). Is uitruil op deze wijze mogelijk binnen de wet, zo vragen deze leden. De regering begrijpt dat de CDA-fractie hier doelt op de situatie waarin de ouderdomspensioengerechtigde zijn partner overleeft. De pensioenregeling kan zodanig zijn vormgegeven, dat in dat geval het ouderdomspensioen van 100% naar 70% wordt verminderd. Indien sociale partners ervoor kiezen de regeling op die wijze vorm te geven, staat de wet daaraan niet in de weg.

Keuzemogelijkheid van artikel 38a Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb)

Met artikel 38a Wvb wordt de regeling zoals die in artikel 56 Pensioenwet is opgenomen ook in de Wvb doorgevoerd. Deze artikelen zien op de keuzemogelijkheden, voorzover die niet al in de artikelen 54 en 55 Pensioenwet, respectievelijk 37 en 38 Wvb zijn geregeld. Eén van die andere keuzemogelijkheden, die sociale partners, respectievelijk de beroepspensioenvereniging, in de pensioenregeling kunnen opnemen, is het vervroegen, of juist uitstellen, van de ingangsdatum van het ouderdomspensioen. De leden van de fractie van het CDA vragen naar aanleiding van het voorbeeld in de toelichting bij artikel 38a van de Wvb ten aanzien van uitstel van de pensioeningangsdatum, of in die situatie de vrouw een extra kapitaal krijgt ten nadele van het kapitaal van de man. Voorts vragen deze leden of pensioenuitvoerders bij het bepalen van uitstelfactoren rekening mogen houden met calculerend gedrag.

Door het verbod op onderscheid tussen mannen en vrouwen, en het vereiste van collectieve actuariële neutraliteit, is calculerend gedrag in het hier gegeven voorbeeld van het uitstellen van de pensioendatum niet mogelijk. Immers, de periodieke pensioenuitkering is voor mannen en vrouwen na uitstel exact gelijk. Weliswaar moet er voor vrouwen (voor wie in verband met de hogere gemiddelde levensduur al een hoger kapitaal moet worden gereserveerd dan voor mannen) bij uitstel meer extra kapitaal worden gereserveerd dan voor mannen, en gaat dit dus ook «ten koste» van dit extra kapitaal voor mannen, maar het niveau van de daarmee in te kopen periodieke uitkering blijft voor beiden hetzelfde. De uitruiltabel in het kader van uitstel dient namelijk zo te zijn opgesteld, dat bij een gelijk uitstel, mannen en vrouwen dezelfde periodieke uitkering ontvangen. Daarbij geldt als aanvullende eis dat de tabel zo moet zijn opgesteld dat er op het niveau van het collectief geen uitruilwinst voor de pensioenuitvoerder ontstaat. De pensioenuitvoerder maakt vooraf een inschatting hoeveel mannen en vrouwen gebruik zullen gaan maken van de uitstelmogelijkheid. Op basis daarvan stelt hij vast hoe de uitruilfactoren gaan luiden.

Artikel 49d Wvb (waardeoverdracht aan een andere instelling)

De leden van de CDA-fractie constateren dat bij waardeoverdracht naar overige buitenlandse instellingen (andere dan in een van de Europese gemeenschappen) geen recht op waardeoverdracht geldt, maar een bevoegdheid. Zij vragen op welke wijze de toezichthouder betrokken blijft.

De betrokkenheid van de toezichthouder ligt daarin dat waardeoverdracht naar een dergelijke buitenlandse instelling buiten de EU alleen mogelijk is indien aan de toezichthouder voldoende aangetoond is dat er aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Voorwaarden waaraan in ieder geval moet worden voldaan voordat er sprake kan zijn van waardeoverdracht aan een dergelijke buitenlandse instelling zijn: er moet een vorm van overheidstoezicht zijn, de vermogens van de pensioeninstelling en de werkgever moeten gescheiden zijn en er mogen geen ruimere afkoopmogelijkheden zijn dan op basis van de Pensioenwet zijn toegestaan.

Vrijwillige voortzetting zzp-ers naar 10 jaar

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd hoe de stand van zaken momenteel is ten aanzien van de fiscale behandeling van de mogelijkheid in het voorliggende wetsvoorstel om de vrijwillige voortzetting te verlengen naar maximaal tien jaar. De fiscale regelgeving met betrekking tot vrijwillige voortzetting is vastgelegd in een fiscaal uitvoeringsbesluit (Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965). Nadat de Tweede Kamer het amendement-De Vries Vendrik (Kamerstukken II 2006/07 30 413, nr. 75) had aangenomen, is de Minister van Financiën ervan op de hoogte gesteld dat in de toelichting bij dit amendement was opgenomen dat aanname volgens de indieners van het amendement impliceert dat het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 dienovereenkomstig wordt aangepast. De minister van Financiën heeft inmiddels laten weten vooralsnog niet over te gaan tot aanpassing van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 op dit punt. Hierbij is in de eerste plaats van belang dat het amendement (of de toelichting op dat amendement) niet aangeeft op welke wijze de budgettaire consequenties van de aanpassing van dit fiscale uitvoeringsbesluit gedekt zouden moeten worden. Daarnaast kleven er juridische haken en ogen aan de beperking van deze uitbreiding van de fiscale mogelijkheden tot uitsluitend belastingplichtigen die winst uit onderneming genieten in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001. Wél is binnen de regering de afspraak gemaakt dat het in de toelichting op het amendement opgenomen verzoek in de komende periode nader zal worden uitgezocht en in ieder geval ook zal worden meegenomen in het kader van het thans lopende onderzoek naar de mogelijkheden voor de opbouw van pensioen voor zelfstandigen, dat uiterlijk 1 april 2007 naar de Tweede Kamer wordt gezonden.

Overigens wil de regering daarnaast nog opmerken dat in de memorie van antwoord aan uw Kamer (Kamerstukken I 2006/07, 30 413, nr. C) abusievelijk is opgenomen dat, indien de pensioenregeling deze mogelijkheid zou bieden, niet alleen personen die winst uit onderneming genieten, maar ook de directeur-grootaandeelhouders maximaal tien jaar de pensioenregeling vrijwillig zouden kunnen voortzetten. Daarvan is echter geen sprake. Voorwaarde voor de verlengde vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling van maximaal tien jaar is in dit wetsvoorstel immers dat gedurende deze periode winst uit onderneming wordt genoten als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en dat is bij directeur-grootaandeelhouders niet het geval.

Pension fund governance

De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat fondsen volop bezig zijn met de pension fund governance. Deze leden stellen een vraag over de beoogde inwerkingtredingsdatum van het betreffende Pensioenwetartikel (artikel 31a Pensioenwet). Inmiddels heeft, zo geven deze leden aan, De Nederlandsche Bank (DNB) aangegeven dat zij pas gaat optreden na 1 juli 2007. Alhoewel alle fondsen druk bezig zijn, ligt het niet in de lijn van de verwachting dat zij op die datum allemaal klaar zullen zijn. De leden van deze fractie vragen welke datum voor pensioenfondsen gaat gelden, en of fondsen nog het hele jaar 2007 hebben om een verantwoordingsorgaan in te richten. Zijn pensioenfondsen, zo vragen deze leden ten slotte in dit verband, uiterlijk per 1-1-2008 verplicht uitvoering te geven aan artikel 31a Pensioenwet?

De regering heeft er voor gekozen de bepaling inzake de principes voor goed pensioenfondsbestuur per 1 januari 2007 te laten ingaan vanwege het belang dat de partijen eraan hechten. Deze termijn sluit aan bij de wettelijke verankering van de medezeggenschap en bij de wens van de convenantspartijen. Het voordeel van de ingangsdatum op 1 januari 2007 is dat de toezichthouder dan in de loop van het jaar werk kan maken van het toezicht op de implementatie van de principes. Zonder wettelijke grondslag is dat niet mogelijk.

Op deze manier wordt gewaarborgd dat fondsen serieus aan de slag gaan met de uitwerking van de principes. DNB heeft ook zelf aangegeven dat zij een vinger aan de pols houdt en dat zij in ieder geval halverwege 2007 gaat kijken hoe ver fondsen gevorderd zijn. De toezichthouder kan op grond van het wetsvoorstel een fonds geen boete opleggen, maar eventueel wel een «last onder dwangsom». Het ligt in de rede dat DNB dit alleen zal doen als een fonds nog niets heeft ondernomen.

Directeur-grootaandeelhouder

Bij de CDA-fractie leven nog enkele vragen met betrekking tot de situatie van de directeur-grootaandeelhouder. Een dga valt niet onder de Pensioenwet. Een dga met een pensioenvoorziening op 31-12-2006 zal vóór 01-01-2008 een keuze moeten maken of hij al dan niet onder de Pensioenwet wenst te vallen (art. 8 IPW, zoals gewijzigd met de nota van wijziging). Een element dat hierbij een rol speelt is het faillissement. Herhaaldelijk heeft de regering aangegeven dat de Pensioenwet geen wijziging brengt voor wat betreft de positie van de dga bij faillissement. (zie o.a. TK, vergaderjaar 2006–2007, 30 655, nr. 7 pagina 14). Is dat correct, zo vragen de leden van deze fractie. Zij wijzen in dit verband op het afkoopverbod van artikel 59 van de Pensioenwet. Is het niet zo dat het pensioen van een dga bij een faillissement beter beschermd is, als op de pensioenregeling de Pensioenwet van toepassing is en dan met name door het civielrechtelijke afkoopverbod van art. 59 Pensioenwet? Zo ja, betekent dit dan niet dat de positie van de DGA bij faillissement wel gewijzigd is? Deze leden willen graag een reactie van de minister op deze vragen.

Bij een faillissement van de directeur-grootaandeelhouder, of diens vennootschap, kan de vraag rijzen of de eventuele pensioenvoorziening van de directeur-grootaandeelhouder nu wel of niet in het faillissement valt. Voor het antwoord op deze vraag is in de eerste plaats van belang of het pensioen «in eigen beheer» wordt gehouden, d.w.z. op de balans van de onderneming staat. Het pensioen is in dat geval – uiteraard – niet beschermd tegen een faillissement van de vennootschap. De vraag die de leden van de CDA-fractie stellen ziet op dga-pensioenen die niet in eigen beheer worden gehouden, maar bij een verzekeraar zijn ondergebracht. Op die verzekeringspolis kan onder de PSW namelijk, al naar gelang de voorkeur van de directeur-grootaandeelhouders zelf, de PSW van toepassing worden verklaard, of niet. De toepasselijkheid van de PSW betekent, dat afkoop niet mogelijk is, omdat de PSW afkoop verbiedt.

In artikel 986, vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald wanneer beperking of uitsluiting van het recht op afkoop kan worden tegengeworpen aan de curator van de verzekeringnemer. Het gaat hier om verzekeringen waarvan de premies fiscaal gefacilieerd zijn omdat de verzekering (wettelijk of contractueel) een afkoopverbod kent. De PSW en de Pensioenwet kennen een wettelijk afkoopverbod. Indien PSW en Pensioenwet niet van toepassing zijn, kan een zelfde bescherming derhalve worden bereikt indien in de verzekeringsovereenkomst een afkoopverbod wordt opgenomen.

Daarnaast geldt op grond van artikel 22a van de Faillissementswet dat afkoop niet is toegestaan, indien dat tot een onredelijk nadeel zou leiden voor de begunstigde, in dit geval de directeur-grootaandeelhouder zelf, of de andere begunstigden (partner en kinderen). Onder de Pensioenwet bestaat voor de directeur-grootaandeelhouder – uiteraard – nog steeds de mogelijkheid om zijn pensioen bij een verzekeraar onder te brengen, maar dat pensioen kan dan – afgezien van de overgangsgevallen als bedoeld in artikel 8 IPW – niet het stempel «Pensioenwet» krijgen. Dit hoeft evenwel niet te betekenen dat de pensioenvoorziening, in geval van faillissement, in de failliete boedel valt. De hiervoor genoemde artikelen uit het BW en de Faillissementswet blijven daarvoor relevant.

Amendement 61 van de Pensioenwet (advies aan de deelnemer bij premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid)

Via amendement 61 is begeleiding van de deelnemer door middel van het verstrekken van advies en informatie in de Pensioenwet opgenomen. Het amendement inzake DC regelingen met beleggingsvrijheid heeft de verwijzing naar WFD en «van overeenkomstige toepassing». Kan de minister aangeven of de pensioenuitvoerder een ruime adviesrol moet vervullen, of kan deze rol bij een adviseur worden neergelegd, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Op grond van artikel 47 van de Pensioenwet is de pensioenuitvoerder verantwoordelijk voor het geven van advies in het kader van de zorgplicht bij premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid. Dat neemt niet weg dat een pensioenuitvoerder op basis van de in de Pensioenwet en de daarbij behorende lagere regelgeving opgenomen regels deze taak mag uitbesteden. Immers, er is geen sprake van de in artikel 12 van de concept-amvb Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb bedoelde werkzaamheden die niet mogen worden uitbesteed, zoals werkzaamheden waarvan uitbesteding de verantwoordelijkheid van de pensioenuitvoerder ondermijnt of die een belemmering vormen voor een adequaat toezicht. Als tot uitbesteding wordt overgegaan moet wel een uitbestedingsovereenkomst worden aangegaan met de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed (zie artikel 13 van de concept-amvb Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb).

Unie van Beroepspensioenfondsen (UvB)

Volgens de minister is de problematiek van de beroepspensioenfondsen in het kader van indexatie opgelost. Volgens de brief van de Unie van 10 november jl. echter nog niet. De leden van de CDA-fractie vragen een inhoudelijke reactie op deze brief.

In de toelichting op de concept-amvb Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb wordt duidelijk gemaakt dat een beroepspensioenfonds alleen in gevallen van mogelijk oneigenlijk gebruik een gedifferentieerd toeslagenbeleid mag toepassen. De reden daarvoor is gelegen in een belangrijk verschil tussen beroepspensioenfondsen en andere pensioenfondsen, namelijk dat een beroepsgenoot veel makkelijker de overstap kan maken van beroepsgenoot in loondienst naar zelfstandig beroepsgenoot en daarmee de overstap naar een rijker fonds. Dit kan ertoe leiden dat bij beroepspensioenfondsen eerder sprake kan zijn van oneigenlijk gebruik van waardeoverdracht. Om dat te voorkomen heeft de regering de beroepspensioenfondsen de mogelijkheid gegeven in die gevallen een gedifferentieerd toeslagenbeleid te voeren.

De UvB wil nu dat een beroepspensioenfonds een veel ruimere bevoegdheid krijgt voor het toepassen van een gedifferentieerd toeslagenbeleid. Die ruimere bevoegdheid strekt ertoe pensioenfondsen de mogelijkheid te geven om de hoogte van de toeslag te relateren aan de mate waarin is meebetaald aan de opgebouwde reserves.

Het is in dit verband belangrijk om te beseffen dat de door de UvB geschetste situatie zich ook bij andere pensioenfondsen voor kan doen. Wanneer iemand zijn pensioenaanspraken overdraagt aan een pensioenfonds dat na een periode van herstel een inhaalindexatie toekent, dan heeft de nieuwe deelnemer wel het voordeel van de hogere indexatie zonder dat hij heeft meebetaald aan het voorafgaande herstelplan. Eveneens geldt dat nieuwe deelnemers niet hebben meebetaald aan de bestaande buffers, maar er wel van profiteren. In feite is één en ander het gevolg van het wezenskenmerk van een pensioenfonds, namelijk solidariteit, waardoor er niet altijd een één op één relatie is tussen wat men betaalt en wat men uiteindelijk krijgt. Ook de doorsneepremie is daar een voorbeeld van.

Daar komt bij dat, nu de meeste deelnemers een middelloonregeling hebben, het toeslagenbeleid en daarmee samenhangend de financiële positie van een fonds één van de belangrijkste overwegingen vormt om wel of niet tot waardeoverdracht te besluiten. Het door de Tweede Kamer geïntroduceerde indexatielabel heeft tot doel om deze keuze voor deelnemers te vergemakkelijken.

Het voorstel van de UvB zou er toe leiden dat pensioenfondsen de mogelijkheid krijgen om de hoogte van de toeslag te relateren aan de mate waarin is meebetaald aan de opgebouwde reserves en buffers, en dat zou de prikkel tot waardeoverdracht geheel wegnemen. De regering acht dit ongewenst, en ziet, zoals gezegd, geen reden om dit specifiek voor beroepspensioenfondsen wel toe te staan.

Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid

De leden van de CDA-fractie hebben met verwijzing naar het besluit van de directeur-generaal van de belastingdienst van 11 oktober 2006, nr. CPP2006/1977M, Stcrt. 2006, 203, de regering gevraagd om aan te geven waarom de premies in een pensioenregeling, die voorziet in een recht op premievrije voortzetting van de pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid, alleen voor rekening van een pensioenverzekeraar kunnen komen en niet eventueel ook voor rekening van een pensioenfonds. Vervolgens hebben deze leden gevraagd of dit betekent dat een wegens arbeidsongeschiktheid vrijgestelde regeling bij een pensioenfonds wél moet worden aangepast aan de gewijzigde fiscale regelgeving en of dit betekent dat een pensioengerechtigde bij een pensioenfonds dus slechter af is dan een pensioengerechtigde bij een verzekeraar. De leden van de CDA-fractie hebben in dit verband opgemerkt dat zij van mening zijn dat alle arbeidsongeschikte deelnemers gelijk behandeld moeten worden en hebben om een reactie van de regering ten aanzien van dit punt gevraagd.

Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL) en Wet aanvullend overgangsrecht fiscale behandeling pensioen is uitvoerig over dit onderwerp gesproken. Tijdens de behandeling van de laatstgenoemde wet in de Eerste kamer (Kamerstukken I 2005/06, 30 330, nr. 13) is door de Staatssecretaris van Financiën toegezegd dat het bewilligende beleid dat ten aanzien van premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid bij de introductie van het Witteveenkader is toegepast, onder de voorwaarde van strikte handhaving ook ten aanzien van de Wet VPL toegepast zal worden. Deze toezegging heeft geresulteerd in het door de leden van de CDA-fractie aangehaalde fiscale beleidsbesluit van 11 oktober jongstleden, waarmee het Besluit van 9 januari 2004, nr. CPP2003/1821M is ingetrokken.

Als gevolg van de bovengenoemde toezegging, is in het nieuwe beleidsbesluit van 11 oktober jongstleden aangegeven dat het besluit – afgezien van de uitbreiding van de werking tot de Wet VPL – geen inhoudelijke wijzigingen bevat ten opzichte van beleidsbesluit van 9 januari 2004. Beide besluiten hebben betrekking op de situatie waarin het recht op een voortgezette pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid civielrechtelijk definitief is geworden op het moment dat de premievrijstelling is ingegaan. De omvang van de voortgezette pensioenopbouw staat op dat moment in beginsel vast en kan niet meer zonder instemming van alle betrokken partijen worden aangepast.

Deze situatie doet zich met name bij verzekeraars voor, indien de polisvoorwaarden van het verzekerde risico – de premievrijstelling van voortgezette pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid – niet meer zonder instemming van alle betrokken partijen gewijzigd kunnen worden nadat dit risico is ingetreden. De verzekeringsovereenkomst is dan met andere woorden civielrechtelijk definitief geworden.

Bij pensioenfondsen is deze situatie wezenlijk anders. Werkgevers hebben in beginsel een contract van onbepaalde duur met een pensioenfonds. Hoewel ook in dit geval de arbeidsrelatie tussen de werkgever en de vanwege arbeidsongeschiktheid ontslagen ex-werknemer wordt verbroken, blijft voor wat betreft de pensioenregeling de mogelijkheid tot wijziging daarvan bestaan, omdat die bevoegdheid toekomt aan de sociale partners. Zelfs wanneer de werkgever geen binding met het pensioenfonds meer zou hebben, bijvoorbeeld na faillissement, kan de premie voor de pensioenopbouw van arbeidsongeschikten bovendien nog steeds door de collectiviteit opgebracht blijven worden. Daarom kan de voortgezette pensioenopbouw voor arbeidsongeschikten in geval van pensioenfondsen door middel van een doorsneepremie jaarlijks afgefinancierd blijven worden, vergelijkbaar met de situatie voor de actieve deelnemers. De constructie, waarbij het recht op premievrije pensioenopbouw wegens arbeidsongeschiktheid is geformuleerd als een recht op voortzetting van de betaling van vóóraf vaststaande premiebedragen voor pensioenopbouw voor rekening van de pensioenuitvoerder, is bij pensioenfondsen dus niet noodzakelijk en wordt om die reden ook in veel mindere mate toegepast dan in geval van verzekerde regelingen.

Het feit dat de toekomstige pensioenopbouw van arbeidsongeschikte ex-werknemers in een pensioenfonds op dezelfde wijze vormgegeven kan worden als van de actieve deelnemers, betekent tevens dat aanpassing van deze regeling voor arbeidsongeschikten – in tegenstelling tot de meeste verzekerde regelingen – niet op aanzienlijke bezwaren voor de uitvoeringspraktijk zal stuiten. Als dergelijke bezwaren niet aanwezig zijn, was het voormalige beleidsbesluit van 9 januari 2004, nr. CPP2003/1821M niet van toepassing en dat geldt voor het huidige beleidsbesluit van 11 oktober 2006, nr. CPP2006/1977M nog steeds.

De hoofdregel was en is dus dat bij wijziging van de fiscale regels ook bestaande pensioenregelingen moeten worden aangepast; ook als de voortgezette pensioenopbouw voor arbeidsongeschikten al is ingegaan. Voor de goede orde benadrukt de regering daarbij dat deze uitleg in overeenstemming is met de toezeggingen die de staatssecretaris van Financiën tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanvullend overgangsrecht fiscale behandeling pensioen aan uw Kamer heeft gedaan. De regering heeft toen aangegeven strikt te willen vasthouden aan het bewilligende beleid dat ook is toegepast bij de introductie van het Witteveenkader en heeft toegezegd een nieuw beleidsbesluit uit te brengen dat in lijn is met het beleidsbesluit van 9 januari 2004, dat invulling gaf aan dat bewilligende beleid. Aangezien het toenmalige beleid niet anders was dan de uitleg die de regering nu geeft – aanpassing aan het huidige fiscale kader kan alleen achterwege blijven indien de premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid ingevolge de verzekeringsovereenkomst civielrechtelijk definitief is geworden op het moment dat de premievrijstelling ingaat en daarom op aanzienlijke bezwaren voor de uitvoeringspraktijk stuit – is sprake van een consistente beleidslijn.

Deze beleidslijn houdt overigens ook in dat indien pensioenfondsen aan kunnen tonen dat een wijziging van de inhoud van hun (pre)pensioenregeling voor arbeidsongeschikten – behoudens ingeval de betrokken arbeidsongeschikte daar zelf mee zou instemmen – voor hen onmogelijk is op grond van de pensioentoezegging die in het verleden aan arbeidsongeschikte deelnemers is gedaan, het beleidsbesluit van 11 oktober jongstleden bij wijze van uitzondering op de eerder genoemde hoofdregel, ook op die specifieke pensioenfondsen van toepassing kan worden verklaard.

Gelet op het bovenstaande is er geen reden voor een gelijke behandeling van alle arbeidsongeschikte deelnemers, bij alle verzekeraars en alle pensioenfondsen. In de eerste plaats zijn er – zoals hierboven is uiteengezet – fundamentele verschillen tussen de situatie waarin de voortgezette pensioenopbouw van arbeidsongeschikten door middel van een door hen vóóraf betaalde risicopremie ten behoeve van premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid is verzekerd enerzijds en de situatie waarin de voortgezette pensioenopbouw van arbeidsongeschikten door middel van een opslag in de collectieve doorsneepremie tijdsevenredig aan de opbouw van toekomstige pensioenaanspraken wordt afgefinancierd anderzijds. Deze fundamentele verschillen tussen de pensioenregelingen van beide groepen arbeidsongeschikte werknemers rechtvaardigen een verschillende fiscale behandeling. Alleen in de eerstgenoemde situatie kan een aanpassing van de pensioenregeling voor arbeidsongeschikten aan het huidige fiscale kader immers tot aanzienlijke bezwaren voor de uitvoeringspraktijk leiden, omdat de verplichtingen van de pensioenuitvoerder (de omvang van de premievrijstelling) en de rechten van de arbeidsongeschikte werknemer (het recht op premievrije voortzetting van de pensioenopbouw vanwege arbeidsongeschiktheid) definitief vast kunnen staan op het moment dat het arbeidsongeschiktheidsriciso intreedt.

In de tweede plaats zou met een mogelijkheid om alle arbeidsongeschikten, waarbij de pensioenopbouw wordt voortgezet, buiten de werking van de huidige fiscale regels te laten vallen juist een niet te rechtvaardigen verschil in behandeling ontstaan tussen arbeidsgeschikte werknemers enerzijds en onder diezelfde pensioenregeling vallende arbeidsongeschikte werknemers anderzijds; er is geen rechtvaardiging om de regeling voor de eerste groep wél aan te passen, indien deze aanpassing voor de tweede groep achterwege wordt gelaten.

De invulling van het beleidsbesluit van 11 oktober 2006 (en het voormalige beleidsbesluit van 9 januari 2004), zoals door de leden van de CDA-fractie gesuggereerd, is dan ook nooit door de regering beoogd, en om die reden ook nooit toegezegd.

Shoppen

In de memorie van antwoord op de Pensioenwet (Kamerstukken I 2006/07, 30 413, C, blz. 19) antwoordt de regering als volgt op de vraag van de leden van de CDA-fractie inzake shoppen: «Nadat de verwerving is opgehouden is de vraag van externe onderbrenging niet meer opportuun: de gepensioneerde heeft immers alleen nog maar een relatie met de pensioenuitvoerder en niet meer met de werkgever.» De CDA-fractie vraagt of hieruit de conclusie getrokken kan worden dat ook bij beëindiging van het deelnemerschap vóór pensioendatum het verzekeringnemerschap mag worden overgedragen aan de ex-deelnemer? Ook in dergelijke situaties verwerft hij immers geen aanspraken meer.

Zoals de regering in het hiervoor vermelde antwoord al aangaf, is het niet nodig om artikel 22 van de Pensioenwet (verplichting tot externe onderbrenging) te wijzigen met het oog op het overdragen van het verzekeringnemerschap van werkgever naar pensioengerechtigde in geval een pensioengerechtigde, die een recht op «shoppen» heeft, daarvan gebruik wil maken. Bij expiratie op de pensioendatum van een kapitaal of premieovereenkomst in kapitaalvorm is geen sprake van overdracht van het verzekeringnemerschap. Het kapitaal komt tot uitkering ten behoeve van de deelnemer als onherroepelijk begunstigde. Die kan ermee gaan shoppen en wordt dan verzekeringstechnisch verzekeringnemer van het bij dezelfde of een andere pensioenuitvoerder aan te kopen pensioen. Overdracht van verzekeringnemerschap is derhalve niet aan de orde. In de situatie van beëindiging van de deelneming vóór de pensioendatum kan de aanspraak ofwel blijven staan bij de pensioenuitvoerder, ofwel wordt de aanspraak in het kader van waardeoverdracht overgedragen naar een nieuwe pensioenuitvoerder. De vraag naar overdracht van verzekeringnemerschap is ook in die situatie derhalve niet relevant.

Artikel 50 lid 5 Pensioenwet (dekking partnerpensioen bij werkloosheid)

Bij het punt risicodekking bij werkloosheid merkt de regering op dat sociale partners zelf kunnen bepalen voor wiens rekening de premie komt. Bij werkloosheid is er geen relatie werknemer/werkgever meer. Is de conclusie dan juist dat de premie voor die specifieke dekking volledig ten laste komt van de deelnemer, zo vragen de leden van de CDA-fractie. En zo ja, waarop moet die worden ingehouden? Er is geen loon meer waarop dit kan en hoe kan de «eigen» bijdrage dan fiscaal onder de omkeerregel vallen?

De Pensioenwet regelt niet hoe de verdeling tussen werkgever en werknemer is voor wat betreft de premielast voor het pensioen. Het is dus aan werkgever en werknemers zelf om daarover te onderhandelen, en aan werkgevers om het afgesproken werknemersdeel op het loon in te houden, en – samen met het werkgeversdeel – af te dragen aan de pensioenuitvoerder. Sociale partners zullen dus ook voor de in artikel 50, vijfde lid, Pensioenwet bedoelde dekking van partnerpensioen tijdens werkloosheid vooraf moeten afspreken voor wiens rekening de premie komt. Denkbaar is, dat deze premie, voor wat betreft het eventuele werknemersdeel, wordt omgeslagen over de «actieve» werknemers, zoals dat ook gebeurt bij premievrije voortzetting van de arbeidsongeschiktheid.

Terugstorting

In de memorie van antwoord op de Pensioenwet wordt over het onderwerp «terugstorting» opgemerkt: «Dergelijke contracten kennen een vooraf vastgestelde premie, maar anders dan bij pensioenfondsen is de mogelijkheid geld terug te storten niet de keerzijde van de plicht van de werkgever geld bij te storten als de verzekeraar verlies leidt op die polis.» De leden van de CDA-fractie stellen naar aanleiding van deze passage de volgende vragen. Bij de meeste contracten met een gesepareerd depot is opgenomen dat de verzekeringnemer het gesepareerd depot zal aanvullen, als de dekkingsgraad van dit depot gedurende een bepaalde periode lager is dan de minimaal vereiste dekkingsgraad. Dit betekent dus een plicht voor de werkgever om geld bij te storten. Als dit het geval is, zou dan ook niet bij een gesepareerd depot via verzekeraars condities voor terugstorting gesteld moeten worden? Waarom zouden verzekeraars anders behandeld moeten worden dan pensioenfondsen?

De regering wil nogmaals benadrukken dat de verschillen tussen verzekeraars en pensioenfondsen rechtvaardigen dat verzekeraars en pensioenfondsen anders worden behandeld ten aanzien van het terugstorten van geld aan de werkgever.

Ten eerste is van belang dat bij rechtstreeks verzekerde regelingen de eventuele toeslagverlening vaak rechtstreeks gekoppeld is aan de omvang van het daartoe ingerichte depot. Immers, ook als het contract met de werkgever eventueel is beëindigd moet nog wel aan de overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening kunnen worden voldaan. De toeslagtoezegging houdt dan dus in, dat er toeslagen worden verleend voorzover het depot toereikend is. Bij een dergelijke toeslagtoezegging is «automatisch» voldaan aan het vereiste van artikel 86, eerste lid van de Pensioenwet. Een eventuele conditie dat een verzekeraar pas aan een werkgever mag terugstorten indien is voldaan aan artikel 86 (zoals in artikel 117, lid 2, onderdeel b wordt vereist voor pensioenfondsen) zou in de praktijk daarom weinig effect hebben.

Ten tweede wijst de regering erop dat een regeling voor terug- of bijstorting door de werkgever, bij een verzekeraar – voorzover deze in de praktijk voorkomen: het gaat niet om grote aantallen – nog altijd in een andere context plaatsvindt dan bij een pensioenfonds.

Bij een pensioenfonds is terugstorting altijd het gevolg van de discretionaire bevoegdheid van het bestuur, waar ook de werkgever onderdeel van uitmaakt. Bij een verzekeraar zal de mogelijkheid van bij- en terugstorting, en de voorwaarden waaronder dat gebeurt, vooraf zijn vastgelegd in het contract. Immers, deze mogelijkheid kan van invloed zijn op de premie die wordt bedongen, omdat de mogelijkheid van terug- of bijstorten de risicoverdeling tussen de partijen verandert. Van een discretionaire ruimte voor de werkgever, om – als dat hem goed uitkomt – op terugstorting aan te dringen, is derhalve geen sprake. De regering is van mening dat de condities die bij pensioenfondsen ten aanzien van terugstorting worden gesteld op hun plaats zijn juist vanwege het feit dat een fondsbestuur, anders dan een verzekeraar, wel discretionaire ruimte heeft om al dan niet terug te storten.

Datum inwerkingtreding Pensioenwetbepalingen

De leden van de CDA-fractie wijzen er voorts op, dat in de bijlage bij de nota naar aanleiding van het verslag IPW, waarin de voornemens van de regering zijn weergegeven omtrent de inwerkingtredingsdata van de Pensioenwetbepalingen, artikel 97 Pensioenwet is weggevallen. Dit is per abuis gebeurd. Hetzelfde geldt voor de artikelen 65 tot en met 68. Voor deze artikelen is – zoals in de bijlage bij de memorie van toelichting al tot uitdrukking is gebracht – een onmiddellijke inwerkingtreding voorzien. Dit betekent evenwel niet, dat reeds bestaande instemmingsrechten reeds per 1-1-2007 komen te vervallen. Voor bestaande instemmingsrechten is in artikel 47 van dit wetsvoorstel voorzien in een overgangstermijn van een jaar.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus