Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2006-200730578 nr. B

30 578
Wijziging van de Gemeentewet, de Wet op de waterhuishouding en de Wet milieubeheer in verband met de introductie van zorgplichten van gemeenten voor het afvloeiend hemelwater en het grondwater, alsmede verduidelijking van de zorgplicht voor het afvalwater, en aanpassing van het bijbehorende bekostigingsinstrument (verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken)

B
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN EN DE HOGE COLLEGES VAN STAAT1

Vastgesteld 27 maart 2007

Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de navolgende opmerkingen en het stellen van de navolgende vragen.

De leden van de fractie van het CDA deelden mee met instemming te hebben kennis genomen van dit wetsvoorstel, waarin de verankering en de behartiging van de gemeentelijke watertaken wordt geregeld. Zij achtten de introductie van zorgplichten van gemeenten voor het afvloeiend hemelwater en het grondwater, alsook de nadere regeling van de zorgplicht voor het afvalwater op zijn plaats. Dat neemt niet weg dat zij nog een (beperkt) aantal vragen hebben.

In de eerste plaats rijst de vraag of de definiëring van het grondgebied waarvoor de zorgplichten gelden wel sluitend geregeld is.

In de titel van de wet wordt gesproken over «gemeenten». De regeling van de rioolheffing (artikel 228a gemeenwet) wordt ook expliciet aan de gemeente toegedacht. Dat is helder. Minder helder lijkt de verwoording van het deel van een gemeente, waardoor de verschillende zorgplichten gelden. Kijken zij naar de voorgestelde wijziging van de Wet op de waterhuishouding (artikel 9b) dan wordt gesproken over het «het openbaar gemeentelijk gebied», voor zover niet behorend tot de zorg van het waterschap of de provincie. Vervolgens bezigt de wijzigingswet voor wat betreft de Wet milieubeheer een andere terminologie en spreekt over «de binnen het grondgebied van de gemeente gelegen percelen» (artikel 10.33) om vervolgens in lid 3 van dat artikel via een ontheffingssysteem naast «de bebouwde kom» nog te introduceren de begrippen «grondgebied, buiten de bebouwde kom» en «een bebouwde kom van minder dan 2000 inwoner-equivalenten».

Daar is dan nog bij op te merken dat de memorie van antwoord daaraan een scala van gebiedsaanduidingen toevoegt, die net even iets anders geformuleerd zijn. Zoals «zorg voor water in het stedelijk gebied» (blz. 3), «water dat vrijkomt bij de binnen hun grondgebied gelegen percelen» (blz. 4), «buitengebied» (blz. 9), «stedelijke gebieden» (blz. 13) en «openbare bebouwde gebied» (blz. 14).

Van al de hiervoor genoemde begrippen is in de voorliggende wetswijziging of de memorie van antwoord geen nadere begripsomschrijving te vinden. Daar komt nog bij dat in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer het telkens in de wet terugkerende begrip «stedelijk afvalwater» wel gedefinieerd is. Men zou verwachten dat hier sprake is van gebiedsgebonden afvalwater. Dat is niet zo. Het is een kwaliteitsaanduiding voor huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater en slaat dus niet terug op de «stedelijke gebieden» die in de memorie van toelichting worden genoemd.

Kunnen de bewindslieden alsnog wat orde scheppen in deze nogal willekeurige bloemlezing aan begrippen en zou het geen aanbeveling verdienen wet en memorie van toelichting op dit punt alsnog wat meer te stroomlijnen, opdat exacter duidelijk is welke zorgplicht voor welk gebied geldt?

Rest dan bij dit onderwerp nog de vraag waarom het begrip «stedelijk afvalwater» niet geheel identiek gedefinieerd is als in de Europese Richtlijn 91/271/EEG van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater, waarnaar in de memorie van toelichting wordt verwezen en waarvan gezegd wordt dat hij geïmplementeerd is? En had de aanduiding bebouwde kom in de wet niet afzonderlijk gedefinieerd moeten worden, zoals dat in andere wetgeving (Verkeerswetgeving, Boswet) ook gebeurd is?

Het tweede aandachtspunt van de leden van de CDA-fractie betreft het dekken van de kosten van de gevolgen van de zorgplichten.

In de Tweede Kamer is uitvoerig schriftelijk en mondeling met de bewindslieden van gedachten gewisseld over de gevolgen voor de burger van de ruimere verrekening van investerings- en andere kosten in de rioolheffing die de gemeente mag opleggen.

Vast staat (zie ook blz. 11 van de nota naar aanleiding van het verslag) dat vervanging of renovatie van rioleringsstelsels tot een substantiële autonome stijging van het rioolrecht zal leiden. Vast staat ook via berekeningen van Rioned dat de komende jaren ongeveer 3 miljard euro voor voorgenomen investeringen nodig zal zijn. Ook is het een gegeven dat in een aantal gemeenten vervangingsachterstanden zijn. Bovendien zal de in de wet opgenomen zorgplicht ongetwijfeld meer druk op vervangingsnoodzaak leggen. In die gemeenten waar vervangingsachterstanden zijn zal dientengevolge – als men alles doorberekent naar de burger – sprake kunnen zijn van heel snelle en sterke stijgingen van de rioolheffing. Daar komt nog bij dat ook de regering toegeeft in de onderliggende stukken dat het ontwerp-wetsvoorstel geen prikkel tot doelmatigheid inhoudt en dat de afschaffing van het gebruikersdeel van de onroerend-zaakbelasting op woningen de trend zal opleveren dat gemeenten de overige heffingen/rechten kostendekkend gaan maken.

Delen de bewindslieden het oordeel van deze leden dat de vrij ongelimiteerde mogelijkheden tot verhoging tot ongewenste – ook in vergelijking met andere gemeenten – situaties kunnen leiden?

Had om alle hiervoor genoemde redenen in de wet geen (bijvoorbeeld procentuele) barrière moeten worden ingebouwd tegen verhoudingsgewijze) te snelle en te hoge stijgingen ten opzichte van de geldende heffing? Is er geen aanleiding alsnog om te zien naar een voorziening daarvoor in deze wet?

Bij dat alles realiseren deze leden zich dat via een amendement in de Tweede Kamer de mogelijkheid is opgenomen van een zo nodig verplichte benchmark voor de gemeentelijke watertaken om op die wijze de kostenstijgingen te evalueren. Maar dat is een ijking achteraf met nauwelijks of niet een terugdraaimogelijkheid. Zij achtten dat eigenlijk niet voldoende. Mede om die reden stelden zij hiervoor de vraag of niet alsnog enige vorm van begrenzing vooraf geformuleerd zou moeten/kunnen worden om geen exorbitante stijgingen te krijgen en in ieder geval stijgingen ook geleidelijk te laten verlopen.

De leden van de fractie van de PvdA deelden mee zich aan te sluiten bij de door de CDA-fractie gemaakte opmerkingen en gestelde vragen. Zij wensten daaraan twee vragen toe te voegen.

Deze leden zouden graag met de regering nader willen verkennen wat het begrip zorgplicht juridisch betekent en ook welke aansprakelijkheidsgevolgen die plicht met zich meebrengt. Onlangs was een interessante casus te beluisteren in het TV programma kassa (d.d. 24-03-07) waar een groot aantal bewoners in een nieuwbouwwijk (Amsterdam Zuid Oost) last heeft van grondwater onder de kruipruimte met alle nadelige gevolgen van dien. Op de vraag wie na het aannemen van deze wet verantwoordelijk is voor het verhelpen van deze onaangename overlast zouden de leden van de fractie van de PvdA graag nader geïnformeerd willen worden. Is de gemeente verantwoordelijk ook wanneer het probleem zich op particulier eigendom voordoet? Moet de gemeente daarom extra eisen stellen in het bestemmingsplan en bij de uitvoering daarvan in het bouwrijp maken? Is vervolgens de gemeente zowel verantwoordelijk als aansprakelijk wanneer zich alsnog problemen van deze aard voordoen?

Is het mogelijk dat de in deze wet en de memorie van toelichting toegedichte verantwoordelijkheden aan de provincie overgedragen worden aan de WGRplus regio’s?

De leden van de fractie van de VVD deelden mee zich aan te sluiten bij de vragen van de CDA-fractie met betrekking tot het vraagstuk van het dekken van de kosten van de gevolgen van de zorgplichten. Deze leden zouden ook graag antwoord ontvangen op de volgende vragen.

Kan de regering meedelen wat precies het effect zal zijn van het aanvaarde amendement (30 578, nr. 8) op artikel 10.29a onder d Wet milieubeheer?

De staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat heeft het amendement niet ontraden, maar ook niet meegedeeld hoe dit amendement moet worden uitgelegd. Kunnen de bewindslieden dit alsnog doen?

Waar staat nu in de wetstekst dat bedrijven (of particulieren) zelf mogen zuiveren?

Gaat de gemeente straks bepalen of een bedrijf zelf doelmatig en kostenefficiënt zijn afvalwater zelf kan zuiveren?

Kan het voor een gemeente onvoordelig zijn als een bedrijf zelf wil zuiveren?

De leden van de fracties van SGP en CU deelden mee zich aan te sluiten bij de opmerkingen en vragen van de leden van de CDA-fractie.

De voorzitter van de commissie,

Witteveen

De griffier van de commissie,

Nieuwenhuizen


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Holdijk (SGP), Van Heukelum (VVD), Luijten (VVD), Pastoor (CDA), Meindertsma (PvdA), Bemelmans-Videc (CDA), (plv. voorzitter), Dölle (CDA), Platvoet (GL), Witteveen (PvdA), (voorzitter), Hessing (LPF), Ten Hoeve (OSF), Ruers (SP) en Engels (D66).

Plv. leden: De Vries (CU), Hoekzema (VVD), V.d. Broek-Laman Trip (VVD), Pruiksma (CDA), Van Thijn (PvdA), Lemstra (CDA), Vedder-Wubben (CDA), Thissen (GL), Tan (PvdA), Kox (SP) en Schuyer (D66).