A
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wettelijke
regeling inzake de opsporingsbevoegdheid van de Koninklijke marechaussee te
verduidelijken, de bestrijding van mensensmokkel en identiteitsfraude als
zelfstandige taak van de Koninklijke marechaussee in de wet op te nemen en
bijstand door de politie aan de Koninklijke marechaussee mogelijk te maken;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Politiewet 1993 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt, onder verlettering van onderdeel g tot
onderdeel h, een onderdeel ingevoegd, luidende:
g. de bestrijding van mensensmokkel en van fraude met reisen identiteitsdocumenten;
2. Het vierde lid komt te luiden:
4. Hoewel bevoegd tot de opsporing van alle strafbare feiten, onthoudt
de militair van de Koninklijke marechaussee die is aangewezen krachtens artikel
141 van het Wetboek van Strafvordering, zich van optreden anders dan in het
kader van de uitoefening van zijn politietaken, bedoeld in het eerste lid.
B
Het opschrift van hoofdstuk IX komt te luiden:
HOOFDSTUK IX. BIJSTAND AAN DE POLITIE
C
In artikel 59, tweede lid, wordt in de eerste volzin de zinsnede «In
dat geval bepaalt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze
Minister van Defensie» vervangen door: Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties, onderscheidenlijk Onze Minister van Justitie,
bepaalt, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie,.
D
Na artikel 60 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
HOOFDSTUK IXA. BIJSTAND AAN DE KONINKLIJKE MARECHAUSSEE
Artikel 60a
In bijzondere gevallen kan door politiekorpsen bijstand worden verleend
aan de Koninklijke marechaussee, met inachtneming van de artikelen 60b tot
en met 60d.
Artikel 60b
1. Behoeft de Koninklijke marechaussee bijstand van politiekorpsen
voor de handhaving van de openbare orde, dan richt Onze Minister van Defensie
op aanvrage van de burgemeester een verzoek daartoe aan Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2. Indien bijstand van regionale politiekorpsen nodig is, verstrekt
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de nodige opdrachten
aan de betrokken korpsbeheerders en stelt Onze Ministers van Defensie en van
Justitie daarvan in kennis.
3. Indien bijstand van het Korps landelijke politiediensten nodig
is, treft Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de nodige
voorzieningen en stelt Onze Ministers van Defensie en van Justitie daarvan
in kennis.
Artikel 60c
1. Behoeft de Koninklijke marechaussee bijstand van politiekorpsen
voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, dan wel voor het verrichten
van taken ten dienste van de justitie, dan richt Onze Minister van Defensie
op aanvrage van de officier van justitie een verzoek daartoe aan het College
van procureurs-generaal.
2. Indien bijstand van regionale politiekorpsen nodig is, verstrekt
het College van procureurs-generaal aan de betrokken korpsbeheerders de nodige
opdrachten en stelt Onze Ministers van Justitie, van Defensie en van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties daarvan in kennis.
3. Indien bijstand van het Korps landelijke politiediensten nodig
is, brengt het College van procureurs-generaal de aanvrage van Onze Minister
van Defensie om bijstand ter kennis van Onze Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties, die de nodige voorzieningen treft en Onze
Ministers van Defensie en van Justitie en het College van procureurs-generaal
daarvan in kennis stelt.
Artikel 60d
1. Behoeft de Koninklijke marechaussee bijstand van regionale politiekorpsen
bij de uitoefening van de taken die zij op grond van artikel 6, derde lid,
verricht onder verantwoordelijkheid van Onze Minister van Justitie, dan verstrekt
Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie
en na overleg met het college van procureurs-generaal, aan de betrokken korpsbeheerders
de nodige opdrachten.
2. Behoeft de Koninklijke marechaussee bijstand van het Korps landelijke
politiediensten bij de uitoefening van de taken die zij op grond van artikel
6, derde lid, verricht onder verantwoordelijkheid van Onze Minister van Justitie,
dan treft Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, op
verzoek van Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister
van Defensie, de nodige voorzieningen.
3. Artikel 6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van de korpschef van een regionaal politiekorps, onderscheidenlijk de korpschef
van het Korps landelijke politiediensten, voorzover dat korps bijstand verleent
aan de Koninklijke marechaussee als bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk
tweede lid.
ARTIKEL II
Artikel 141, onderdeel c, van het Wetboek van Strafvordering komt als
volgt te luiden:
c. de door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze
Minister van Defensie aangewezen militairen van de Koninklijke marechaussee.
ARTIKEL III
Indien het bij koninklijke boodschap van 17 maart 2005 ingediende
voorstel van wet tot wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de invoering
van een nieuw stelsel voor bewaking en beveiliging van personen, objecten
en diensten (Kamerstukken II 2004/05, 30 041) tot wet wordt verheven
en eerder in werking treedt dan deze wet, wordt in artikel 6, derde lid, onderdeel
a, van de Politiewet 1993 de zinsnede «bedoeld in het eerste lid, onder
a en g» vervangen door: bedoeld in het eerste lid, onder a en h.
ARTIKEL IV
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Justitie,
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
De Minister van Defensie,