Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2006-200730533 nr. D

30 533
Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enkele andere belastingwetten in verband met de introductie van een regeling voor vrijgestelde beleggingsinstellingen en een aanpassing van de eisen voor beleggingsinstellingen met uitdelingsverplichting

D
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIËN1

Vastgesteld 21 mei 2007

De leden van de VVD-fractie danken de staatssecretaris van Financiën voor de antwoorden op hun vragen naar aanleiding van het onderhavige wetsvoorstel. De antwoorden geven genoemde leden aanleiding om nog de volgende aanvullende vragen te stellen.

De eenmans-N.V.

De conclusie van de staatssecretaris is dat een eenmans-N.V. niet mogelijk is. Er is geen sprake van vermogen, dat «ter collectieve belegging» bijeen is gebracht. De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat dat antwoord niet goed is onderbouwd. Het wetsvoorstel kent geen aandeelhouderseis en de tekst van het wetsvoorstel is derhalve duidelijk. Een eenmans-N.V. is mogelijk. Op basis van vigerende rechtspraak mag de conclusie getrokken worden dat de rechter een andersluidende conclusie niet relevant zal achten. Graag ontvangen genoemde leden een reactie van de staatssecretaris hierop.

Verder vragen de leden van de VVD-fractie wat de conclusie van de staatssecretaris is als er twee aandeelhouders zijn. Hoeveel aandeelhouders moeten er in de visie van de staatssecretaris zijn? Maakt het daarbij nog uit voor hoeveel procent respectievelijke aandeelhouders deelnemen in de vennootschap? Vormt een verhouding van 99% en 1% een belemmering? Zo ja, waar ligt dan volgens de staatssecretaris de grens?

De leden van de fracties van CDA en PvdA sluiten zich bij deze vragen aan.

Buitenlandse beleggingsparticipanten

De staatssecretaris antwoordt op de betreffende vraag van de leden van de VVD-fractie, dat de buitenlandse regimes vrijwel nooit exact vergelijkbaar zijn met het Nederlandse regime voor fiscale beleggingsinstellingen met uitdelingsverplichting. «Het is niet vereist om ongelijke gevallen gelijk te behandelen», zo stelt de staatssecretaris. Derhalve vreest hij geen strijd met het Europees recht. De leden van de VVD- en CDA-fracties zijn van mening dat het niet hoeft te gaan om exact identieke gevallen maar om vergelijkbare gevallen en daar is hier evident wel sprake van. De genoemde leden ontvangen graag een reactie van de staatssecretaris op het vorenstaande.

Risicospreidingseis

De staatssecretaris merkt in de memorie van antwoord op, dat ...»elke echte beleggingsinstelling vrijwel automatisch zal voldoen aan het fiscale beleggingsbegrip en in enige mate aan risicospreiding zal doen». De leden van de VVD- en CDA-fracties vragen of zij hieruit mogen afleiden dat de «risicospreidingseis» zeer marginaal zal worden uitgelegd, en derhalve de risicospreidingseis niet conform de zeer stringente ICBE-richtlijn behoeft te worden uitgelegd.

De ICBE-richtlijn geeft vele voorschriften met betrekking tot de vraag waarin al dan niet belegd mag worden en voor welke percentages dat dan mag. Als willekeurig voorbeeld diene het volgende. Een ICBE mag kort gezegd niet meer dan 5% van de waarde van haar activa beleggen in de aandelen van bepaalde andere ICBE’s (artikel 24 Richtlijn 85/611/EEG). De eis van de «risicospreiding» volgt uit de voorgestelde tekst van artikel 6a Wet Vpb. Maar wat onder dit begrip «risicospreiding» dient te worden verstaan, is niet geheel helder. Wel is duidelijk dat het «materieel zal worden getoetst». Voorts wordt er over gesproken dat dit begrip conform de Wtb (thans: Wft/Wet op het financieel toezicht) uitgelegd moet worden (zie TK 2006–2007, 30 533, nrs. 3 pagina 9 respectievelijk nr. 7, blz. 5). Probleem is echter dat in de Wtb noch in de Wft dit begrip nader wordt toegelicht. Een toelichting wordt wel gegeven in de «ICBE-richtlijn» (Richtlijn 85/611/EEG), maar deze risicospreidingseis is zeer stringent. Voornoemde opmerkingen lijken eerder te wijzen dat het begrip «risicospreiding» conform het normale spraakgebruik mag worden uitgelegd, maar zo vragen de leden van de VVD- en CDA-fracties, is dat ook zo. Zij merken op dat de ICBE-eisen dusdanig stringent zijn, dat doorlopend de portefeuille gemonitord dient te worden (ook enkel ten gevolg van koers/marktontwikkelingen). Een ICBE mag namelijk niet voor meer dan 5% van de waarde van haar eigen activa beleggen in effecten van een zelfde uitgevende instelling (art. 22 lid 1 van de richtlijn). Enkel door koersschommelingen zou zo’n grens ongewenst en onbewust kunnen worden overschreden. In zo’n geval zal het verlies van de VBI-status toch geen beoogde sanctie kunnen zijn, zo vragen deze leden aan de staatssecretaris.

Overig

De leden van de VVD- en CDA-fracties vernemen ten slotte graag van de staatssecretaris of er inmiddels afspraken zijn gemaakt tussen beleggingsinstellingen en de Belastingdienst over de interpretatie van het onderhavige wetsvoorstel. Tevens vernemen zij graag wat die afspraken dan inhouden.

De voorzitter van de commissie,

Essers

De griffier van de commissie,

Eliane Janssen


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Schuyer (D66), Ketting (VVD), Terpstra (CDA), Van Driel (PvdA), Doek (CDA), De Vries (CU), Biermans (VVD), (plv. voorzitter), Essers (CDA), (voorzitter), Kox (SP), Leijnse (PvdA) en Minderman (GL).

Plv. leden: Schouw (D66), Kalsbeek-Schimmelpenninck van der Oije (VVD), Van Leeuwen (CDA), Bemelmans-Videc (CDA), Van den Berg (SGP), Hoekzema (VVD), J. de Graaf (CDA), Ruers (SP), Rabbinge (PvdA) en Thissen (GL).