A
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN EN
DE HOGE COLLEGES VAN STAAT1
Vastgesteld 7 november 2006
Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel heeft de commissie aanleiding
gegeven tot het maken van de navolgende opmerkingen en het stellen van de
navolgende vragen.
Deze leden van het CDA-fractie hebben met
belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en de schriftelijke en mondelinge
beraadslagingen daarover. Zij hielden nog wel een aantal vragen over die zij
hier graag aan de regering voorleggen.
Het viel deze leden op dat de regering haar keuze voor een integrale toekenning
van het kiesrecht aan «de curandi» baseert op een radicale opvatting
van het grondrechtelijk karakter van actief en passief kiesrecht. Dit wordt
door de regering principieel benaderd als een recht van het individu. De regering
wil zich op het eerste gezicht geen enkel oordeel aanmeten over de capaciteit
van een burger om verantwoord een stem te kunnen uitbrengen of verkiesbaar
te zijn bij de samenstelling van volksvertegenwoordigingen.
Deze leden van de fractie van het CDA vragen de regering of zij van mening
is dat na aanvaarding in tweede lezing van dit wetsvoorstel de à contrario
redenering opgaat. Betekent de bewuste schrapping door de grondwetgever van
deze categorale uitsluiting voorts naar de opvatting van de regering dat op
deze ongedaanmaking van deze categorale uitsluiting later niet bij gewone
wet – in de Kieswet met name maar ook in andere wetten in formele zin –
uitzonderingen kunnen worden geformuleerd? Betekent aanvaarding van dit wetsvoorstel
ook dat elders gemaakte uitzonderingen bijv. in gemeentelijke referendumverordeningen
na deze aanvaarding van rechtswege vervallen?
Kunnen in verband met het kiesrecht voor vreemdelingen gelet op art. 130
Grondwet voor de gemeenteraad nog wel vereisten worden gesteld in de sfeer
van wils (on)bekwaamheid?
De regering maakt zich terecht toch minstens enige zorg, een zorg die
in de Tweede Kamer duidelijk naar voren kwam over de volmachtverlening. Deze
leden menen dat deze problematiek wel degelijk kan voorkomen zowel bij de
curandi als misschien nog meer bij de talloze mensen die niet onder curatele
staan maar onder bewind of mentoraat en/of die zo sterk dementeren dat zij
wellicht toegankelijk zijn voor uitnodigen om volmacht te verlenen.
De regering wil hiertegen een circulaire in het geweer brengen die o.a. instellingen
moet manen tot het niet actief benaderen van hun patiënten/cliënten
om de stemkaarten al dan niet in volmacht af te geven. Waar de regering meent
dat de overheid geen oordeel toekomt over iemands vermogen verantwoord een
stem uit te brengen, heeft zij dit kennelijk wel over iemands vermogen om
een verzoek om een volmacht te beoordelen. Wie het fundamentele recht om te
stemmen ook van curandi erkent zal dan toch ook logischerwijs diens vermogen
verantwoord te beoordelen wie een volmacht te geven moeten veronderstellen.
Is dit niet een kleine paradox, zo vragen deze leden de regering, die opvallend
vaak wel van die andere, maar paradox (curandi niet; demente mensen in verpleeghuizen
wel) gewaagt. Is de regering voornemens voor te stellen om de Kieswet op termijn
zodanig te veranderen dat ook mensen met een verstandelijke handicap zich
op hun verzoek net als mensen met een lichamelijke handicap zich kunnen laten
bijstaan door de voorzitter van het stembureau of door anderen? Of acht de
regering dat niet verantwoord en zo ja, op welke grond komt zij tot dat oordeel
waar zij zo een principieel fundamentele opvatting van de persoonlijke autonomie
huldigt in dezen?
De regering noemt alleen Zweden, Duitsland en Spanje als landen die verstandelijk
gehandicapten niet uitsluiten van het kiesrecht. Maar bestaan, zo vragen deze
leden de regering, in die landen dan helemaal geen uitsluitingen via het civiele
recht?
Deze leden begrepen dat de regering minder voelt voor een stelsel waarbij
curatele gepaard kan gaan met uitsluiting. De rechter zou daardoor te zwaar
worden belast; bovendien is de rechter aldus de regering, niet echt geschikt
om een situatie vast te stellen waarin stemrecht wel of niet kan worden uitgeoefend
Verder zou er bij curandi met een verstandelijke beperking weinig belangstelling
bestaan voor de uitoefening van het kiesrecht.
Deze leden van de fractie van het CDA hebben vooralsnog enige moeite deze
drievoudige argumentatie te volgen. Wanneer het uitgangspunt immers zou zijn
dat curandi zijn uitgesloten, maar de mogelijkheid bestaat voor individuele
curandi om bij de rechter opheffing te vorderen van die uitsluiting op grond
van hun individuele omstandigheden, is die redenering dun. Immers, er zullen
slechts weinigen om het kiesrecht verzoeken en in die gevallen kan de rechter
toch deskundige advisering betrekken in zijn oordeel? Dat gebeurt toch vaker
zo menen deze leden. Deze leden vernemen graag de zienswijze van de regering.
Er is dan ook geen strijd met nationaal of internationaal recht zo hebben
deze leden de opvatting van de regering begrepen? Gaarne een reactie van de
regering op deze stellingen.
Tenslotte menen deze leden dat de opvatting van de regering zou kunnen
betekenen dat geen enkele categorale uitzondering zoals die nu nog bijvoorbeeld
in het Wetboek van Strafrecht en in het Wetboek van Strafvordering voorkomen
meer uiteindelijk kan worden gerechtvaardigd.
Is die gevolgtrekking juist en zo ja, acht de regering deze ook gewenst?
Deze leden van de CDA-fractie menen overigens dat ook het vaststellen van
een leeftijdsgrens een, zij het onvermijdelijke en gerechtvaardigde, geobjectiveerde
uitsluiting van het kiesrecht is. Daarbij wordt er impliciet bijvoorbeeld
van uitgegaan dat 17,5 jarigen nog niet verantwoord een stem kunnen uitbrengen,
waar zwaar geestelijk gehandicapten mensen dat wel kunnen.
Deze leden zien hierin een aanwijzing dat, mits voldoende geclausuleerd,
een categorale uitsluiting als die van curandi niet het karakter van het kiesrecht
als grondrecht aantast.
De voorzitter van de commissie,
Witteveen
De griffier van de commissie,
Nieuwenhuizen
XNoot
1Samenstelling:
Leden: Holdijk (SGP), Van Heukelum (VVD), Luijten (VVD), Pastoor (CDA),
Meindertsma (PvdA), Bemelmans-Videc (CDA), plv. voorzitter, Dölle (CDA),
Platvoet (GL), Witteveen (PvdA), voorzitter, Hessing (LPF), Ten Hoeve (OSF),
Van Raak (SP) en Engels (D66).
Plv. leden: Van Middelkoop (CU), Hoekzema (VVD), V.d. Broek-Laman Trip
(VVD), Pruiksma (CDA), Van Thijn (PvdA), Lemstra (CDA), Vedder-Wubben (CDA),
Thissen (GL), Tan (PvdA), Kox (SP) en Schuyer (D66).