B1
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE2
Vastgesteld 5 december 2006
Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot
het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben met veel
belangstelling kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Zij constateren
met instemming, dat de processuele mogelijkheden tot ingrijpen bij grootschalige
namaak en piraterij in een belangrijke mate zijn toegenomen. Zo vormen de
meer uitgebreide mogelijkheden tot bewijsbeslag, de Einstweilige Verfügung,
het verbod, gericht tot tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt
om inbreuk te maken op een auteursrecht, de tijdelijke voortzetting van een
vermeende inbreuk onder de voorwaarde tot zekerheidsstelling voor schadevergoeding,
die overigens op een forfaitair bedrag kan worden vastgesteld, effectieve
middelen, die een duidelijke vergroting van de kansen op een succesvolle bestrijding
van inbreuken zullen geven. Daarbij geldt, dat de aan het woord zijnde leden
eveneens met instemming hebben geconstateerd, dat de minister bij nota van
wijziging diverse correcties in het wetsvoorstel heeft aangebracht, die van
grote betekenis zijn voor de aanvaardbaarheid van dit voorstel. Deze leden
willen zich daarom beperken tot nog slechts een enkele vraag.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling
kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij hebben nog enkele vragen.
Kostenveroordeling
Het is de leden van de CDA-fractie gebleken,
dat er inmiddels onduidelijkheid is ontstaan met betrekking tot de kostenveroordeling
in intellectuele eigendomszaken. In het voorgestelde art. 1019 h Rv. is de
mogelijkheid gegeven om van het in civiele procedures normaliter toegepaste
tarievenstelsel af te wijken. Het artikel geeft aan, dat de in het ongelijk
gestelde partij desgevorderd kan worden veroordeeld in redelijke en evenredige
gerechtskosten en andere kosten ..., tenzij de billijkheid zich daartegen
verzet. De minister geeft in de Memorie van Toelichting aan, dat de rechter
tot een veroordeling in evenredige kosten moet komen, te toetsen aan de redelijkheid
en billijkheid. In de Memorie van Toelichting wordt deze stelling uitgewerkt
met enige voorbeelden, waarin een soort glijdende schaal wordt gehanteerd
van een volledige kostenveroordeling wanneer het gaat om grootschalige namaak
of piraterij tot een kostenveroordeling conform art. 237 e.v.Rv. wanneer sprake
is van een inbreukmaker te goeder trouw en voor het tussengebied moet de rechter
naar bewind van zaken handelen.
Strookt deze benadering wel met de strekking van art. 14 van de richtlijn
(welk artikel overigens een op een is overgenomen in het reeds genoemde art.
1019 h Rv.) nu de minister er kennelijk van uit gaat, dat voor een kostenveroordeling
de intentie van de inbreukmaker en de omvang en het karakter van de inbreuk
een rol kunnen (of moeten?) spelen. (Vgl. hierover o.m. het artikel van D.J.G.Visser
en A.Tsoutsanis in het NJB van 29 september 2006.) Welke (soorten van)
kosten zouden volgens de minister bij de vaststelling van de kostenveroordeling
in aanmerking moeten worden genomen om toch vooral een richtlijn conforme
interpretatie te garanderen? Vallen hieronder als gerechtskosten alleen de
kosten ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak?
En vallen onder de «andere kosten die de in het gelijk gestelde partij
heeft gemaakt» ook opinies van deskundigen en de kosten van octrooigemachtigden?
Gaat de minister er van uit, dat al deze kosten – in beginsel –
voor volledige vergoeding in aanmerking komen, zodat alleen de billijkheid
als matigingsgrond kan worden gehanteerd?
Artikel 14 van Richtlijn 2004/48/EG van het Europees parlement en de Raad
van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten
verplicht tot een ruime proceskostenveroordeling van de verliezende partij.
In het wetsvoorstel wordt deze bepaling geïmplementeerd door in het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering art. 1019h op te nemen. Blijkens de memorie
van toelichting (p.26) wordt in art. 1019h het toekennen van proceskosten
gerelateerd aan intentie, omvang en karakter van de inbreuk. Die relatie is
niet opgenomen in art. 14 van de Richtlijn, noch blijkt deze uit de strekking
ervan. Is de in het wetsvoorstel gegeven uitleg, zoals blijkt uit de memorie
van toelichting, wel richtlijnconform en wordt de bedoeling van de richtlijn
erdoor niet verwaterd, zo vragen de leden van de VVD-fractie?
In het artikel in het Nederlands Juristenblad (nr. 34, 29 september
2006) van prof. mr. D.J.G. Visser en mr. A. Tsoutsanis «De volledige
proceskostenveroordeling in IE-zaken» stellen de auteurs de vraag hoe
moet worden omgegaan met de kostenveroordeling in een meeromvattende rechtszaak,
waarvan een IE-inbreuk slechts een ondergeschikt deel uitmaakt. Moet in dat
geval ook een volledige proceskostenveroordeling worden toegewezen of een
proceskostenveroordeling naar rato van het IE-aandeel? De leden van de VVD-fractie
zouden daarover graag de opvatting van de minister vernemen. De leden van
de VVD-fractie zouden tevens graag van de minister vernemen welke «andere»
kosten, bijvoorbeeld de kosten van een octrooigemachtigde, naast de proceskosten
in IE-zaken voor vergoeding in aanmerking komen en welke kosten
om welke reden en op welke manier gematigd moeten worden.
Liquidatietarief
Naar de leden van de VVD-fractie begrepen
hebben van de voorzitter van de commissie Burgerlijk Procesrecht van de Nederlandse
Orde van Advocaten, prof. mr. C.J.J.C. van Nispen, heeft de commissie IE van
de Orde inmiddels het advies van de commissie Burgerlijk Procesrecht van de
Orde overgenomen om een apart liquidatietarief in IE-zaken vast te stellen.
Is een dergelijk tarief in overeenstemming met de richtlijn of is het wellicht
daarmee in strijd?
De leden van de commissie zien met belangstelling de reactie van de minister
tegemoet.
De voorzitter van de commissie,
Van de Beeten
De wnd. griffier van de commissie,
Van Dooren
XNoot
1Hiermee vervalt het eerder onder letter B verschenen eindverslag.
XNoot
2Samenstelling:
Leden: Holdijk (SGP), Wagemakers (CDA), Witteveen (PvdA), De Wolff (GL),
Van de Beeten (CDA), voorzitter, Broekers-Knol (VVD), De Graaf (VVD), Kox
(SP), Westerveld (PvdA), Engels (D66) en Franken (CDA).
Plv. leden: Schuurman (CU), Pruiksma (CDA), Jurgens (PvdA), Thissen (GL),
Dölle (CDA), Rosenthal (VVD), Biermans (VVD), Vac. (SP), Tan (PvdA),
Schuyer (D66) en Russell (CDA).