A
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1
Vastgesteld 14 april 2006
Het voorbereidend onderzoek gaf de commissie aanleiding tot het maken
van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben met instemming
van dit wetsvoorstel kennis genomen. Zij willen echter op een aantal onderdelen
nog nader ingaan.
In de memorie van toelichting staat aangegeven dat het kaderbesluit geen
enkele verplichting omvat die verder reikt dan die tot aanpassing van de strafwetgeving.
Die stelling lijkt enigszins in strijd met de formulering van art. 2 lid 1
van het kaderbesluit waarin staat aangegeven dat iedere lidstaat de nodige
maatregelen neemt opdat de volgende opzettelijke gedragingen bestraft worden
wanneer daarvoor geen rechtvaardigheidsgrond aanwezig is. Deze leden hadden
echter vastgesteld dat in de Engelse tekst van bedoeld artikel niet wordt
gesproken van «bestraft» doch van «punishable», dat
wil zeggen strafbaar.
Dat is nogal een verschil. Het viel deze leden op dat ook op andere plaatsen
in het kaderbesluit de term «punishable» is vertaald met «bestraft»,
hetgeen nodeloos verwarring wekt. In verband met de hiervoor gememoreerde
stelling van de minister attendeerden deze leden voorts op het gestelde in
art. 8 lid 3 van het kaderbesluit, waarin staat aangegeven dat een lidstaat
... de nodige maatregelen neemt om zijn rechtsmacht te vestigen ten aanzien
van de in art. 2 en 3 bedoelde strafbare feiten en deze in voorkomend geval te vervolgen wanneer ze door eigen onderdanen buiten zijn
grondgebied zijn gepleegd. Dit artikel lijkt de plicht te bevatten om, weliswaar
in voorkomend geval, tot vervolging over te gaan, althans wanneer de desbetreffende
feiten door eigen onderdanen buiten het grondgebied van de desbetreffende
lidstaat zijn gepleegd. Het is vreemd dat die plicht zou bestaan voor door
die burgers in het buitenland gepleegde feiten en niet voor de desbetreffende
strafbare feiten indien ze in het binnenland zijn gepleegd.
De stelling van de minister dat het kaderbesluit uitsluitend verplicht
tot wetgevende maatregelen en niet direct ziet op het vervolgingsbeleid van
de lidstaten, verdient voorts enige relativering nu de minister op pag. 2 van de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer stelt
dat het wel duidelijk is dat ten gevolge van de voorgestelde verhogingen van
strafmaxima de vervolgingsrichtlijnen voor het Openbaar Ministerie dienen
te worden aangepast. Deze leden hadden daar begrip voor, aangezien er niet
blijvend een te grote afstand kan ontstaan tussen enerzijds de desbetreffende
verhoogde strafmaxima en de wet en anderzijds het vervolgingsbeleid incl.
gedoogbeleid ten aanzien van met name de stoffen op lijst 2 van de Opiumwet.
In navolging van het advies van de Nederlandse Vereniging van Rechtspraak
vroegen deze leden zich in dit verband voorts af of het hier aan de orde zijnde
wetsvoorstel ook consequenties zal hebben voor de afhandeling van zaken die
in het kader van de exequaturprocedure van de Wet overdracht en uitvoering
strafvonnissen aan de Nederlandse rechter zullen worden voorgelegd. Het desbetreffende
advies citerende: «Dikwijls zal een in het buitenland opgelegde straf
voor dergelijke feiten hoger zijn dan een in Nederland daarvoor gebruikelijke
straf en zal de rechter de opgelegde straf willen matigen. Door verhoging
van de Nederlandse strafmaxima mist de rechter een instrument om een in het
buitenland opgelegde straf te matigen met een beroep op het in de Nederlandse
wet vastgelegde strafmaximum. Hoewel de rechter de bevoegdheid heeft een in
het buitenland opgelegde straf te matigen, zal dit om interstatelijke redenen
niet altijd wenselijk zijn. Ingeval van overschrijding van het Nederlandse
strafmaximum heeft de rechter geen andere keuze dan te matigen, hetgeen voor
andere staten een acceptabele reden voor matiging zal zijn. Na de voorgestelde
verhoging van de Nederlandse strafmaxima zal dit minder snel het geval zijn.»
Het kaderbesluit schrijft in art. 4 een strafverhoging voor in het geval
het strafbare feit grote hoeveelheden drugs betreft. Op pag. 5 memorie van
toelichting wordt gesteld dat invulling van het begrip «grote hoeveelheden»
bewust achterwege is gelaten aangezien de lidstaten zich op dit punt niet
wensen te binden, waaraan de minister overigens toevoegt dat, wat de cannabis
betreft, in meer algemene zin kan worden opgemerkt dat de hoeveelheden die
in Nederland worden aangetroffen bij het opsporen van illegale teelt en handel,
in de ogen van andere lidstaten zonder meer als grote hoeveelheden zijn te
beschouwen. Deze laatste omstandigheid leek deze leden niet irrelevant. In
navolging van de Nederlandse Vereniging van Rechtspraak wezen deze leden erop
dat het begrip «grote hoeveelheden» afkomstig is uit een communautaire
regeling en dus slechts beperkt kan worden ingevuld door de lidstaten. Het
is niet uitgesloten dat de Nederlandse of een andere rechter een prejudiciële
vraag zal willen stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap
over de uitleg van dit begrip. In dat kader kan van belang zijn wat in andere
landen van de Europese Unie onder het begrip «grote hoeveelheden»
wordt verstaan. Bedoelde kwestie is ook aan de orde geweest in de nota naar
aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer. In de beantwoording aldaar
heeft de minister gewezen op een verschil in benaderingswijze terzake binnen
de lidstaten. Deze leden vroegen zich echter af of ingrijpende consequenties
voor het Nederlandse gedoogbeleid ten aanzien van softdrugs nog te vermijden
zouden zijn, indien zich in Europees verband een consensus zou ontwikkelen
ten aanzien van het begrip «grote hoeveelheden drugs» op een beduidend
lager niveau dan de 500 gram of 200 planten die, op de wijze zoals op
pag. 5 memorie van toelichting aangegeven, worden gehanteerd in het huidige
Nederlandse gedoog- c.q. vervolgingsbeleid.
Deze leden zien met belangstelling de reactie van de minister tegemoet.
De voorzitter van de commissie,
Van de Beeten
De wnd. griffier van de commissie,
Van Dooren
XNoot
1Samenstelling:
Leden: Holdijk (SGP), Wagemakers (CDA), Witteveen (PvdA), De Wolff (GL),
Van de Beeten (CDA), voorzitter, Broekers-Knol (VVD), De Graaf (VVD), Kox
(SP), Westerveld (PvdA), Engels (D66) en Franken (CDA).
Plv. leden: Schuurman (CU), Pruiksma (CDA), Jurgens (PvdA), Thissen (GL),
Dölle (CDA), Rosenthal (VVD), Biermans (VVD), Van Raak (SP), Tan (PvdA),
Schuyer (D66) en Russell (CDA).