30 237
Wijziging van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en het Burgerlijk Wetboek ter uitvoering van Richtlijn 2002/73/EG

C
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID1

Vastgesteld 23 mei 2006

De memorie van antwoord heeft de leden van de vaste commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het antwoord van de regering op hun vragen. Met name zijn zij erover verheugd, dat de minister de door de leden van de CDA-fractie aangegeven wijze van interpretatie van de artikelen met betrekking tot de «verschuivende bewijslast» geheel bevestigt.

Er rest alleen nog de vraag, die deze leden al in het voorlopig verslag hadden gesteld, over de integratie van de diverse bijzondere gelijke behandelingswetten in de Awgb. Is de minister niet met deze leden van mening, dat er thans nogal sprake is van overlap, die voor de burger verwarrend en daarom als ongewenst overkomt? Hoe staat het met de plannen tot integratie? Kan deze thans op korte termijn worden verwacht?

Het antwoord van de minister op vragen van de fracties van de SP en de PvdA over de wijze waarop de regering het wetsvoorstel onder de aandacht wil brengen roept bij de leden van deze fracties een vervolgvraag op. Deze leden hebben met instemming kennis genomen van het feit dat in de campagnes benadrukt zal worden dat de regel van verschuiving van bewijslast niet nieuw is, maar al geruime tijd in de gelijkebehandelingswetgeving is opgenomen. Verwondering roept de mededeling op dat in de voorlichting benadrukt zal worden dat het wetsvoorstel dient ter implementatie van een EG-richtlijn en wel «ter voorkoming van verwarring». Welke verwarring denkt de minister te voorkomen door dit aspect te benadrukken, zo vragen deze leden. Wekt een dergelijke explicitering niet veeleer de indruk dat Nederland dit onderdeel eigenlijk niet wil, maar «moet» van Europa? Zo ja, is dát dan niet verwarrend of is dit ook de indruk die de minister wil vestigen? Zo dit laatste niet het geval is, wat is dan het achterliggende motief om dit element te willen expliciteren?

Met gemengde gevoelens hebben de leden van de VVD-fractie kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij hebben behoefte nog enige vragen te stellen:

Kan de minister aangeven op welke punten dit wetsvoorstel verder gaat dan de Europese Richtlijn?

Kan de minister nog eens helder aangeven of en zo ja wanneer er een vertrouwenspersoon moet zijn in een bedrijf? Hoe werkt dat bij een klein bedrijf van bijv. 3 mensen?

In geval van seksuele intimidatie kan de bewijslast dat het gestelde niet heeft plaats gevonden op de verweerder worden gelegd (omkering bewijslast), indien de eisende partij de stellingen waaruit het vermoeden kan worden afgeleid in voldoende mate weet te motiveren. Kan de minister enige aanknopingspunten geven of wellicht zelfs een leidraad verschaffen waaraan deze motivering door de eisende partij dient te voldoen? De leden van de VVD-fractie stellen deze vraag, omdat het nogal eens een onmogelijke opgave zal kunnen zijn voor de verweerder, zoals ook de Raad van State in zijn advies stelt, om het overtuigende bewijs van zijn «onschuld» te bewijzen.

De definitie van het begrip «seksuele intimidatie» verschilt van die in de Arbeidsomstandighedenwet 1998. In de Algemene wet gelijke behandeling is geen definitie van seksuele intimidatie opgenomen. Aanpassing van de Arbowet 1998 en de Awgb dient derhalve plaats te vinden. Op welke termijn voorziet de minister die aanpassing? Op welke wijze stelt de minister zich voor mogelijke problemen op te lossen zolang aanpassing nog niet heeft plaats gevonden?

De voorzitter van de commissie,

Van Driel

De griffier van de commissie,

Nieuwenhuizen


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van den Berg (SGP), Van Leeuwen (CDA) (plv. voorzitter), Swenker (VVD), De Wolff (GL), Kalsbeek-Schimmelpenninck van der Oije (VVD), Meulenbelt (SP), Ten Hoeve (OSF), Van Driel (PvdA) (voorzitter), Vedder-Wubben (CDA), V. Dalen-Schiphorst (CDA), Westerveld (PvdA) en Schouw (D66).

Plv. leden: Van Middelkoop (CU), Franken (CDA), Biermans (VVD), Thissen (GL), Van den Broek-Laman Trip (VVD), Slagter-Roukema (SP), Terpstra (CDA), Nap-Borger (CDA), Schuyer (D66), Noten (PvdA) en Leijnse (PvdA).

Naar boven