C
MEMORIE VAN ANTWOORD
Ontvangen 12 oktober 2005
De regering heeft met belangstelling kennisgenomen van het voorlopig verslag
van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de minister in de nota naar
aanleiding van het verslag heeft aangegeven dat de meerwaarde van de richtlijn
voor Nederland beperkt is. Zij vragen of de minister daarmee bedoelt dat zich
geen pensioeninstellingen in Nederland zullen vestigen omdat de eisen te hoog
zijn?
In de nota naar aanleiding van verslag heb ik aangegeven dat de meerwaarde
van de richtlijn op het terrein van efficiencywinst voor Nederland beperkt
is. Efficiencywinst is vooral te realiseren in vermogensbeheer. De Pensioen –
en Spaarfondsenwet (PSW) maakt extern vermogensbeheer echter nu al mogelijk.
De opmerking over de meerwaarde van de richtlijn had dus geen betrekking op
de vraag of buitenlandse pensioeninstellingen zich wel of niet in Nederland
zullen vestigen.
De leden van het CDA vragen of de minister inzicht kan geven in de rekenregels
die in andere lidstaten gelden voor het vaststellen van technische voorzieningen.
Ook vragen zij of het toezicht in de andere lidstaten vooraf of achteraf plaatsvindt.
Verder vragen zij of de minister verwacht dat ondernemingen, gelet op de eisen
die het FTK stelt, hun pensioenvoorziening buiten Nederland zullen onderbrengen.
Ik beschik niet over gegevens over de rekenregels die in andere lidstaten
gelden voor het vaststellen van de technische voorzieningen. Daarbij komt
dat op dit moment niet duidelijk is hoe de rekenregels veranderen als gevolg
van de invulling die de lidstaten moeten geven aan de criteria die artikel
15 van de richtlijn stelt ten aanzien van de berekening van de technische
voorzieningen. Maar naar verwachting zullen er tussen die voorzieningenniveaus
verschillen zijn. Bij de rekenregels moet immers niet alleen rekening worden
gehouden met bijvoorbeeld de hoofdkenmerken van de deelnemersgroep en de pensioenregelingen.
Bij de voorzieningenniveaus zijn ook zaken van belang als de hoogte van het minimum vereist eigen vermogen, de hoogte van het vereist eigen vermogen,
de hersteltermijn bij onderdekking, de vraag hoe wordt omgegaan met maatwerk.
Daarbij bevat de richtlijn alleen ten aanzien van het minimum bedrag van het
vereiste eigen vermogen gedetailleerde voorschriften. Op dat andere genoemde
terrein vindt de invulling op nationaal niveau plaats.
De mate waarin in andere lidstaten sprake is van toezicht vooraf, dat
wil zeggen vooraf goedkeuring vragen, of van toezicht achteraf, dat wil zeggen
het achteraf toetsen van vastgestelde afspraken of principes, is evenmin eenduidig
te geven. Niet alleen is bij veel toezichtregimes sprake van een combinatie
van beide elementen, ook op dit terrein heeft de richtlijn geleid tot aanpassingen
in de wetgeving in andere lidstaten. Hoe in die lidstaten die keuzen tussen
de verhouding tussen toezicht vooraf en toezicht achteraf is gemaakt, zal
dus ook pas over enkele maanden duidelijk worden.
De vraag of veel of weinig ondernemingen hun pensioenvoorziening buiten
Nederland zullen onderbrengen is op voorhand lastig te beantwoorden. Overigens
moet bedacht worden dat ondernemingen op wie een verplichtstelling van toepassing
is, niet vrij zijn hun pensioenvoorziening bij een ander dan het verplichtgestelde
fonds onder te brengen.
Het besluit om een pensioenvoorziening in het buitenland onder te brengen
zal de werkgever alleen met instemming van zijn werknemers kunnen nemen. De
werkgever zal dan wel aan zijn werknemers moeten kunnen uitleggen waarom vertrek
naar een andere lidstaat gunstig is voor de werknemers. Het feit dat in die
andere lidstaat minder stringente voorwaarden gelden, die kunnen leiden tot
meer risico's en minder bescherming van de aanspraken hoeft voor werknemers
niet per se een aantrekkelijke optie te zijn. Verder moet bedacht worden dat
de richtlijn in geval van grensoverschrijdende activiteiten vereist dat de «technische
voorzieningen met betrekking tot het geheel van de uitgevoerde pensioenregelingen
te allen tijde volledig door kapitaal zijn gedekt». Nu is nog niet duidelijk
hoe de verschillende lidstaten deze bepaling invullen, maar het kan er toe
leiden dat dat strengere eisen zullen zijn dan het FTK stelt.
De veronderstelling van de leden van het CDA dat het FTK (te) zware financieringseisen
stelt aan de Nederlandse pensioenfondsen, waardoor ondernemingen hun pensioenregelingen
zullen onderbrengen bij pensioeninstellingen die buiten Nederland gevestigd
zijn, kan ik op dit moment dan ook niet onderschrijven. Overigens sluit ik
evenmin uit dat het FTK juist een financieel kader biedt dat vestiging in
Nederland voor buitenlandse instellingen aantrekkelijk maakt. Het FTK zorgt
immers voor het waarborgen van de overeengekomen pensioentoezeggingen, waarbij
vanuit financieel oogpunt sprake is van een stabiel stelsel.
Overigens in tegenstelling tot wat ik in de memorie van toelichting heb
gemeld kan een pensioeninstelling niet naar een andere lidstaat verhuizen
door alleen de statutaire zetel te verplaatsen. Een fonds dat zich wil vestigen
in een andere lidstaat zal eerst de stichting pensioenfonds moeten liquideren
en vervolgens een nieuwe rechtspersoon in de andere lidstaat moeten oprichten
aan welke alle rechten en verplichtingen worden overgedragen.
Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie hoe de minister de bescherming
van de deelnemers ziet indien de regeling in het buitenland wordt uitgevoerd
en er een financieringstekort optreedt. Zij vragen of er een vangnet op Europees
of Nederlands niveau is.
Het kabinet is van oordeel dat de financiële toezichtbepalingen van
de richtlijn de deelnemers voldoende bescherming bieden. Deze bepalingen komen
in essentie overeen met Nederlands beleid van toezicht op pensioenfondsen
zoals dat al van oudsher gevoerd wordt. Immers in de PSW was al voorgeschreven
dat een pensioenvoorziening buiten de onderneming moet worden gebracht. Aandacht
voor goed functionerende besturen van pensioeninstelling en adequaat toezicht
biedt de deelnemers naar mijn mening een goede bescherming.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. J. de Geus