30 034
Bevordering van het naar arbeidsvermogen verrichten van werk of van werkhervatting van verzekerden die gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn en tot het treffen van een regeling van inkomen voor deze personen alsmede voor verzekerden die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen)

30 118
Regels omtrent de invoering en financiering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen alsmede met betrekking tot de intrekking van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen)

B
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID1

Vastgesteld 21 september 2005

Het voorbereidend onderzoek van deze wetsvoorstellen heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de navolgende opmerkingen en het stellen van de navolgende vragen.

1. Inleidende opmerkingen en vragen

De leden van de CDA-fractie hadden met ambivalente gevoelens kennis genomen van de beide wetsvoorstellen. Immers, ook deze leden bleven – na kennisneming van alle gewisselde stukken – worstelen met de vraag wat nu exact de toegevoegde waarde van deze beide wetsvoorstellen, die als sluitstuk worden gezien, is na alle door het kabinet reeds doorgevoerde wijzigingen, die steeds meer resultaten gaan opleveren.

Dit temeer, daar allerwegen ernstige twijfels worden uitgesproken of de uitvoeringsorganisatie wel in staat zal zijn de wetsvoorstellen op verantwoorde wijze uit te voeren. Het niet halen van de deadlines voor de medische keuringen, alsmede de magere resultaten met betrekking tot werkhervatting zijn opnieuw een teken aan de wand dat hier sprake is van een «overvragen» door de politiek, maar ook van niet geslaagde reorganisaties en van te kort schietende mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Hierbij wilden deze leden dan ook betrekken, dat de voorliggende wetsvoorstellen met ingang van 1 januari 2006 slechts gedeeltelijk kunnen worden ingevoerd, omdat naast het UWV ook de Belastingdienst de premiedifferentiatie niet tijdig kan verzorgen. Al met al komt er ook zoveel op de uitvoeringsorganisaties af, dat er té grote risico's kunnen ontstaan.

Deze leden stelden een reactie van de minister op deze opmerkingen op prijs zulks ook tegen de achtergrond dat uitstel of fasering van beide wetsvoorstellen, die goeddeels overeenkomen met het desbetreffende S.E.R.-advies, door de sociale partners als niet aanvaardbaar wordt gekenschetst, zeker in het licht van het Najaarsakkoord. Het kabinet verdedigt de toegevoegde waarde mede op grond van twee argumenten: de relatieve veroudering van de beroepsbevolking met een hoger WAO-risico en het toenemend aantal vrouwen in de beroepsbevolking.

Het eerste argument lijkt in toenemende mate aanvechtbaar en kan – zo nodig – met andere maatregelen worden bestreden. De oorzaken van een eventueel stijgend arbeidsverzuim van vrouwen kunnen eerder worden toegeschreven aan niet optimale arbeidsomstandigheden en belemmeringen voor het gebruik maken van de noodzakelijke voorzieningen. Een toereikende onderbouwing van de genoemde argumenten hadden de leden van de CDA-fractie toch wel enigszins gemist. Deze leden wilden de minister dan ook uitnodigen op de gebruikte argumenten voor de noodzaak van de voorliggende wetsvoorstellen nog eens dieper in te gaan.

De argumentatie om de WIA als sluitstuk in te voeren had naar het oordeel van deze leden veel meer moeten liggen in de noodzaak om een veranderingsslag te maken, vooral gericht op een andere verantwoordelijkheidsverdeling, waarbij werkgevers en werknemers de centrale rol van de overheid overnemen met betrekking tot de reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Dit argument – de noodzaak een veranderingsslag te maken – rechtvaardigt voor de leden van de CDA-fractie, mits een goede uitvoering kan worden gegarandeerd en op sociaal verantwoorde wijze inhoud kan worden gegeven, beide wetsvoorstellen. Hierbij wilden zij enkele noodzakelijke kritische kanttekeningen plaatsen.

Dit echter na ook te hebben vastgelegd, dat de wetsvoorstellen – naast het nadrukkelijk uitgaan van de activering van gedeeltelijk arbeidsgeschikten – aansprekende uitgangspunten laten zien. Genoemd kunnen worden de betere inkomensbescherming onder voorwaarden voor volledig duurzaam arbeidsgeschikten zonder herkeuringen, het wegvallen van het WAO-gat, de uitbreiding van de no riskpolis, e.d..

De leden van de PvdA-fractie hadden met bezorgdheid kennisgenomen van de wetsvoorstellen WIA en Financierings- en invoeringswet WIA. Deze leden stelden vast dat er een kloof gaapt tussen wat de regering aangeeft met de wet te willen bewerken en wat deze de facto zal aanrichten. Zij wezen de regering erop dat de burger uitsluitend met dit laatste te maken heeft en dat een discrepantie tussen het eerste en het laatste vooral het cynisme over grote woorden en het wantrouwen in de overheid voedt.

Deze discrepantie, zo vervolgden deze leden, vindt zijn oorzaak in het feit dat de regering met WIA níet doet wat aanvankelijk beoogd was, namelijk op basis van de rudimentaire voorstellen van de Commissie-Donner en vervolgens de sociale partners een nieuwe WAO opbouwen, waarin degene zonder noemenswaardige verdiencapaciteit een fatsoenlijke sociale bescherming krijgt en alle overige in een systeem terechtkomen waarin reïntegratie beloond wordt, zonder daarbij de zwakke positie op de arbeidsmarkt uit het oog te verliezen van mensen met gezondheidsbeperkingen. Zij zouden op deze opmerkingen graag een reactie van de regering ontvangen.

De leden van de VVD-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van de twee wetsvoorstellen .Wel heeft de fractie een aantal vragen. Zij zouden in het vervolg van dit verslag de regering een aantal vragen voorleggen.

De leden van de fractie van GroenLinks vonden dit wetsvoorstel overbodig en zij voorzagen grote uitvoeringsproblemen. De instroom in de WAO neemt in hun visie al fors af en het is zinvoller energie en tijd te steken in een betere toerusting van gedeeltelijk arbeidsongeschikten naar de arbeidsmarkt en in het wegnemen van vermeende of reële belemmeringen bij werkgevers om arbeidsgehandicapten in dienst te nemen. Zij meenden dat de invoering van de WIA overhaast geschiedt, zeker nu deze samenvalt met een andere grote operatie op het terrein van de sociale zekerheid, namelijk de Walvis-operatie, en met de invoering van het nieuwe zorgstelsel. De leden van de GroenLinks-fractie waren er bovendien van overtuigd dat met name werkgevers nog in het geheel niet weten wat hen met deze nieuwe wet boven het hoofd hangt. Wat voor het kabinet een oogstjaar moet worden, wordt voor de uitvoering volgens deze leden een rampjaar.

De leden van de fractie van de SP verwezen naar hun verderop in dit verslag gemaakte opmerkingen en gestelde vragen.

De leden van de fracties van D66 en OSF hadden met belangstelling, maar ook met grote zorg kennis genomen van het wetsvoorstel Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen. En van de Invoerings- en Financieringswet. Deze leden deelden mee positief te staan tegenover de intenties van de WIA.

Vooral het onderscheid dat wordt gemaakt tussen gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid en duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid bevalt de fracties. Mensen die nog kunnen werken moeten zoveel mogelijk aan het werk en mensen die niet meer kunnen werken moeten een goed inkomen kunnen krijgen.

Mensen die dusdanig arbeidsongeschikt zijn dat werken niet meer tot de mogelijkheden behoort, daar moet goed voor worden gezorgd. De fracties van D66 en de OSF vonden het dan ook een goede zaak dat het inkomen van deze groep primair een zorg blijft voor de overheid en dat er voor deze groep mensen een goede inkomensbescherming is.

Het activeren van mensen die gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn vonden de fracties van groot belang. Mensen moeten zoveel mogelijk worden gestimuleerd om te werken en mee te doen. Het is een zeer goede zaak om er van uit te gaan wat mensen wèl kunnen, in plaats van zich te concentreren op de beperkingen. Dat gedeeltelijk arbeidsongeschikten samen met werkgevers een verantwoordelijkheid krijgen om zo veel mogelijk aan de slag te gaan juichten beide fracties dan ook toe.

De fracties van OSF en D66 vonden het ook een goede zaak dat in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen er naar wordt gestreefd dat werken altijd lonender is dan niet werken. Dit zagen de fracties als een grote vooruitgang ten opzichte van de huidige wetgeving.

Echter, ondanks de goede intenties die uit de WIA naar voren komen zien de leden van de beide fracties ook grote nadelen. Vooral problemen bij de uitvoering en hoge kosten die de wet met zich mee brengt baren de fracties ernstige zorgen. Verder vroegen deze leden zich af of deze wet wel veel meerwaarde biedt ten opzichte van bestaande regelgeving die al vruchten afwerpt, zoals de PEMBA en de Wet Poortwachter. Bovendien waren deze leden bang voor een beperkt effect omdat de huidige WAO-ers buiten de nieuwe regelingen vallen. Hierover hadden zij dan ook de nodige vragen aan de regering.

De leden van de fractie van de SGP, sprekend mede namens die van de ChristenUnie (CU) deelden mee met belangstelling te hebben kennisgenomen van de beide wetsvoorstellen. Al jarenlang staat de arbeidsongeschiktheid hoog op de politieke agenda. Ook konden zij constateren dat de huidige maatregelen op het gebied van arbeidsomstandigheden, verzuim en langdurige arbeidsongeschiktheid hun vruchten hebben afgeworpen. Het ziekteverzuim en de WAO-instroom dalen. Wat verwacht de regering nog als de grondige wijziging van de wettelijke regels van kracht wordt?

De leden van deze fracties waren van mening dat het voorkomen van ziekte en arbeidsongeschiktheid in het algemeen meer aandacht verdient. Komt zo vroegen zij de minister, preventie van gezondheidsrisico's in organisaties voldoende aan bod?

2. Opmerkingen en vragen uit de fracties

Verantwoordelijkheidsverdeling

De leden van de CDA-fractie hadden met bijzondere belangstelling kennis genomen van de zeer uitvoerige behandeling in de Tweede Kamer. Zij konden zich hierdoor thans beperken tot het stellen van enkele aanvullende vragen. Deze hebben betrekking op een beperkt aantal onderwerpen. Uiteraard zullen de andere onderwerpen wel plenair aan de orde komen, maar deze behoeven thans geen nadere vraagstelling.

Deze leden hadden met verbazing kennis genomen van de regeling voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten in het licht van de doelstelling zoveel mogelijk gedeeltelijk arbeidsgeschikten terug te brengen naar de arbeidsmarkt. De kans op verstoring van de continuïteit in de reïntegratie-trajecten voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten lijkt met de gekozen oplossing alleen maar groter te worden.

Een gezamenlijke verantwoordelijkheid en aanpak, waarvoor werkgevers en werknemers borg staan, biedt hiervoor de beste garantie, maar vraagt wel om een private uitvoering, uiteraard onder publieke waarborgen. Deze is nu voorlopig op z'n minst één jaar uit zicht. Of kan de regering deze leden helder en onweerlegbaar toezeggen, dat de private uitvoering in 2007 een feit zal zijn? Kan zij eveneens toezeggen, dat de premiedifferentiatie dan volledig uitvoerbaar zal zijn?

De keuze voor nog 1 jaar publieke uitvoering is evenmin logisch, gelet op de gekozen uitwerking in het kader van het SUWI-traject. Toen is immers de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie volledig in handen van private partijen gelegd.

Het was deze leden ook niet duidelijk geworden waarom de regering uiteindelijk heeft gekozen voor deze toch wel ingewikkelde WGA-regeling. Waarom hier niet aangesloten bij het advies van de S.E.R.? Een introductie van de eis, dat minimaal de helft van de resterende verdiencapaciteit moet worden benut om in aanmerking te komen voor de loonaanvullende regeling achtten deze leden eveneens bezwaarlijk, hoewel zij erkenden dat dit overeenkomstig de afspraken met de sociale partners is.

Is één en ander vooral ingegeven door de angst voor het afschuiven van de gedeeltelijk arbeidsgeschikten naar de Werkloosheidswet, zo vroegen deze leden zich af en is dit niet een onterechte gedachte, omdat de minister verantwoordelijk blijft voor het claim-beoordelingsproces, de medische keuringen, etc.?

De leden van de CDA-fractie waren om meerdere redenen ook bepaald niet gelukkig met de opneming van de WW als gevolg van arbeidsongeschiktheid in de W.G.A.

Sociaal minimum

De leden van de CDA-fractie waren ook geschrokken van de uiteindelijke financiële uitkomsten (het sociaal minimum) voor een niet onaanzienlijke groep gedeeltelijk arbeidsgeschikten die in het totale pakket ligt besloten. Hun probleem zit niet in de sterke nadruk op activering van de resterende arbeidsmogelijkheden als zodanig.

Ervan uitgaande, dat werkgevers en werknemers zich optimaal zullen inzetten om werkhervatting te bewerkstelligen, was toch de vraag gerezen of – wanneer na maximale inspanningen van zowel werkgevers als werknemers werkhervatting toch niet in zicht is – de gedeeltelijk arbeidsgeschikten, die naar de mening van deze leden toch moeten worden onderscheiden van werklozen zonder een handicap, dit nu een gewenste uitkomst is.

Ondanks alle inspanningen, ook van de Commissie Werkend Perspectief, staan toch immers nog veel, al te veel buiten hun schuld gedeeltelijk arbeidsgeschikten aan de kant. De prognoses van de aantallen arbeidsgeschikten, die weer aan het werk gaan, staan op 65% voor de populatie van mensen met 35 tot 80% arbeidsgeschiktheid en op zeker 70% voor de populatie van mensen met 35% arbeidsgeschiktheid of minder. Nog afgedacht van deze wel erg optimistische prognoses, betekent dat nog altijd, dat 35% resp. 30% gemiddeld op het sociaal minimum terecht komen. Acht de regering dat een verantwoorde uitkomst?

Trouwens, wat de prognoses betreft, hoe verhouden deze zich tot de laatste uitkomst van het CBS?En hoe moeten de jongste uitkomsten van het UWV met betrekking tot de reïntegratie van de hergekeurden worden beoordeeld?

Op welke wijze kan structureel worden voorkomen, dat in een economisch slechte tijd de gedeeltelijk arbeidsgeschikten onvoldoende kansen krijgen op de arbeidsmarkt? Kortom, een WGA-regeling in de geest van het SER-advies had meer voor de hand gelegen. Kan de regering een overzicht geven van de huidige financiële uitkomsten voor de gedeeltelijk arbeidsgeschikten en die op grond van de nieuwe wetgeving in vergelijkbare omstandigheden?

Uiteraard begrepen deze leden dat in dit stadium andere oplossingen ook bezwaren met zich kunnen meebrengen. Desalniettemin wilden zij de regering het navolgende vragen.

1) De instroom in de WGA zorgvuldig te monitoren met een tweeledig doel: na te gaan of de praktijk toch niet een eenvoudiger regelgeving rechtvaardigt en of zowel werkgevers als werknemers een maximale inzet hebben gepleegd.

2) Met spoed een onderzoek in te stellen naar de extra uitgaven die gedeeltelijk arbeidsgeschikten hebben en op basis van deze uitkomsten voorstellen ter verbetering van hun situatie te doen.

Ter toelichting van dit voorstel merkten deze leden het volgende op. Uit een dezer dagen verschenen studie van het Nivel over «zorg- en maatschappelijke situatie van mensen met kanker in Nederland» blijkt o.m. dat mensen met kanker enkele honderden euro's per maand minder hebben te besteden dan de doorsnee Nederlander. Negentig procent heeft uitgaven voor eigen rekening, naast de premie voor de ziektekostenverzekering. Dit geldt overigens ook voor andere gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Het gaat er om op verantwoorde wijze de extra kosten als gevolg van gedeeltelijk arbeidsgeschiktheid tot gelding te brengen.

Eigen risicodragerschap

1) In dit kader wilden de leden van de CDA-fractie nog een drietal opmerkingen maken.

De keuzevrijheid is essentieel in de voorstellen van het kabinet. Op zich konden deze leden hiermede instemmen. Wat echter te doen bij notoir misbruik van deze keuzevrijheid door de werkgever, dat ten nadele is van de werknemer door bijv. het niet nakomen van de keten-aansprakelijkheid voor de reïntegratie-inspanningen?

2) Gaat het alleen om een politiek compromis waarom thans nog niet kan worden gekozen voor een bepaalde periode van eigen risicodragerschap?

3) Kan er geen oplossing worden gevonden voor het toch beschikbaar zijn van een IRO voor werknemers in dienst van de eigen risicodrager? In veruit de meeste gevallen is dit toch ook duidelijk in het belang van de eigen risicodrager?

ILO-verdrag, nr. 121

Kan de regering al beschikken over de visie van de ILO terzake van de geconstateerde knelpunten? Zo ja, is het standpunt van de minister dan nog tijdig beschikbaar voor de plenaire behandeling? Zo neen, hoe zal dan met deze problematiek vooralsnog worden omgegaan?

Toereikende prikkels

In de wetsvoorstellen zijn zowel prikkels ingebouwd voor de werkgevers als voor de werknemers. De leden van de CDA-fractie konden zich niet aan de indruk onttrekken, dat er sprake is van enige onevenwichtigheid in de verdeling van deze prikkels. Vooral het opheffen van de REA brengt niet alleen een versnippering met zich mee over diverse wetten, maar evenzeer het teloor gaan van enkele waardevolle reïntegratie-instrumenten voor werknemers. Of hadden deze leden hierbij iets over het hoofd gezien en is er thans sprake van een evenwicht, zoals de minister dit voor ogen staat?

Privacy-bescherming

Terecht heeft de regering geconstateerd, dat in het kader van de overgang naar de WIA de regels voor privacy-bescherming onverkort zijn overgenomen uit de oude wet. Deze leden vroegen zich echter wel af of, gelet op de klachten over oneigenlijk gebruik van medische gegevens, aanscherping thans niet gewenst is? Wat is het oordeel van de regering terzake?

REA-onderwijsvoorzieningen

Hoewel de onderwijsvoorzieningen voorlopig nog ten laste van het Reïntegratiefonds blijven, is er onder de REA-scholingsinstituten veel onrust te bespeuren rond de op handen zijnde reorganisatie. De leden van de CDA-fractie vroegen zich af of de regering het met deze leden eens is, dat het vangnetinstituut en de opgebouwde expertise en infrastructuur onder alle omstandigheden behouden dienen te blijven, met name voor de groep van moeilijk grijpbaren en vaak ook moeilijk plaatsbaren?

35-minners

Kan de regering nog een nadere toelichting geven op de navolgende uitspraak over de minimumloners, gedaan tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer, nl. «Als er geen baan in het CBBS wordt gevonden, is betrokkene op grond daarvan volledig arbeidsongeschikt. Voor de mensen met een minimumloon is het dus vaak een kwestie van alles of niets». Spoort de huidige praktijk met deze uitspraak en zal dit in de toekomst zo blijven?

Sanctiebeleid

De leden van de CDA-fractie hadden kennis genomen van het gegeven dat sancties geen doel op zichzelf zijn. Zij wilden hiermede hun instemming betuigen, al erkenden ook deze leden, dat bij een apert niet meewerken aan reïntegratie-activiteiten een vorm van sanctie noodzakelijk kan zijn.

In dit kader wilden zij echter toch wel vraagtekens zetten bij de opgenomen beperkte sanctiebevoegdheid voor de eigen risicodrager.

En dat op grond van hetzelfde argument als door het kabinet wordt gehanteerd voor het afwijzen van het mogen opleggen van de bestuursrechtelijke boete, nl. dat hierdoor de relatie tussen de eigenrisicodrager en de gedeeltelijk arbeidsgeschikte ernstig kan worden verstoord. Ook het opleggen van een maatregel in het kader van het sanctiebeleid kan dezelfde uitwerking hebben.

Gelet ook op de andere uitzonderingen (geen blijvende, gehele weigering uitkering) vroegen deze leden zich af of de regering zich niet opnieuw wil beraden op de uiteindelijke positie van de eigenrisicodrager in deze? Er is immers dan toch geen sprake van integrale verantwoordelijkheid, waaraan de regering zo hecht omdat de bestuurlijke boetes van de sanctie-bevoegdheid zijn uitgesloten?

Sociale werkvoorziening

Opvallend is de geringe aandacht in de wetsvoorstellen voor de doelgroepen van de WSW. Mogelijk hangt dit samen met de aangekondigde modernisering. De sociale werkvoorziening kent thans veel WAO-ers, die in de toekomst te vergelijken zijn met volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. Deze leden gingen er vooralsnog vanuit, dat de huidige indicatiestelling ook in de toekomst bepalend zal zijn voor de toegang tot de WSW. Is dit juist?

Voorts hadden deze leden met grote zorg kennis genomen van de voornemens van de staatssecretaris om gedeeltelijk arbeidsgeschikten in de toekomst niet langer in aanmerking te laten komen voor de sociale werkvoorziening. In ieder geval zou het opnieuw bezien van de indicatie voor een aantal WSW-ers, die vóór 1998 zijn toegelaten tot de WSW, geen doorgang moeten vinden. Werkgevers en werknemers zullen hun handen meer dan vol hebben om de gedeeltelijk arbeidsgeschikten buiten de WSW een plaats op de arbeidsmarkt te geven of te doen behouden. Deze leden hadden ernstige twijfels of de arbeidsmarkt al deze werknemers kan opnemen; bovendien mag niet worden vergeten, dat vele van deze WSW-ers op een of andere wijze een beschermde omgeving moet worden geboden. Kan de regering deze gedachtegang begrijpen en wil zij bevorderen dat dienovereenkomstig zal worden gehandeld?

Verdiencapaciteit versus arbeidscapaciteit

Het kabinet heeft na lang wikken en wegen en op dringend advies van de Sociaal-Economische Raad besloten, dat de nieuwe WIA – evenals de oude WAO – een inkomensrisicoverzekering blijft. Welke argumenten zijn hierbij gehanteerd om niet over te gaan op invoering van het begrip «arbeidscapaciteit»? Zou dan geen sprake zijn geweest van een rechtvaardiger uitkomst?

Claimbeoordelingsproces

Op het moment van behandeling van de voorliggende wetsvoorstellen in de Tweede Kamer was het advies van de Gezondheidsraad, gevraagd door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens zijn collega van VWS, in het kader van de kwaliteitsverbetering van het claimbeoordelingsproces, nog niet uitgebracht.

De leden van de CDA-fractie konden zich voorstellen dat, zo dit advies dan wel beschikbaar zou zijn geweest, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zelf het voortouw had genomen om aanpassingen in het voorliggende wetsvoorstel te bewerkstelligen, met name ten aanzien van de rol van de indicatieve lijst. Bovendien lijkt het aangescherpte schattingsbesluit zijn doel voorbij te schieten. Op een voor deze ledenovertuigende wijze wordt geadviseerd voor de verschillende aandoeningen overkoepelende 3B-richtlijnen te ontwikkelen, te weten richtlijnen voor beoordeling, behandeling en begeleiding, die in onderlinge samenhang tot hun recht moeten kunnen komen. Is de regering bereid deze en andere aanbevelingen van de Gezondheidsraad met spoed over te nemen? Het gaat immers om méér dan een plan van aanpak voor de vaststelling van de verschillende protocollen (pag. 5917 Handelingen Tweede Kamer).

Dit alles temeer, omdat ook duidelijk wordt gesteld, dat de Commissie naast de 3B-richtlijnen geen rol ziet weggelegd voor een separate lijst van ziekten met gemiddelde hersteltermijnen (samenvatting). In paragraaf 5.4, pagina 54, wordt het aldus gesteld «Eén set 3B-richtlijnen, die de beschikbare prognostische kennis omvat zalde facto de ambitie van de in het wetsvoorstel WIA genoemde lijst met hersteltermijnen van ziekten vervullen, op een wijze die in overeenstemming is met de stand van de medisch-wetenschappelijke kennis en met de aard van de medische praktijk». Juist het nog niet voldoen aan de inhoud van deze bijzin, heeft de nodige kritiek, overigens door ons gedeeld, vanuit het veld opgeleverd.

Een in te stellen stuurgroep, bestaande uit alle betrokken disciplines, zou dan binnen anderhalf jaar het gehele ontwikkelingsproces kunnen verzorgen. Hierdoor zou ook draagvlak onder de betrokken beroepsgroepen kunnen worden gecreëerd. Immers bijv. verzekeringsartsen zijn vrijwel nog niet betrokken bij de ontwikkeling van de huidige curatieve, bedrijfsgeneeskundige richtlijnen. De CDA-fractie zou het op prijs stellen, dat aan deze stuurgroep één of twee ervaringsdeskundigen uit de betreffende doelgroepen worden toegevoegd. Eerst dan is het mogelijk met grote professionaliteit ieder geval apart te wegen en te bezien. Van het zorgvuldig onderscheiden tussen mensen die nooit meer kunnen werken en mensen die het nog wel zouden kunnen, hangt immers alles af.

Voor de eerstkomende tijd zou dan naar de mening van de CDA-fractie de indicatieve lijst, ook al is deze slechts ondersteunend, geen steen des aanstoots meer moeten blijven. Het belang van het betrekken van bedrijfsartsen, verzekeringsartsen én revalidatie-artsen over de gehele linie is evident. Deze leden waren dan ook nogal geschrokken van diverse constateringen van de Gezondheidsraad over de thans in dit opzicht bestaande lacunes en hierdoor van het ontbreken van een verantwoorde beoordeling, behandeling en begeleiding. Eén voorbeeld: aan arbeidsgeschiktheidsbeoordeling wordt tot nu toe in de curatieve bedrijfsgeneeskunde en arbocuratieve richtlijnen nauwelijks aandacht besteed (pagina 42). En op diezelfde pagina «De zich snel ontwikkelende, rond ziekten en klachten geordende medische kennis rond etiologie, diagnostiek, prognostiek en behandeling heeft tot op heden geen vertaling gevonden in verzekeringsgeneeskundige richtlijnen.

De vraag is, zo oordeelden de leden van de CDA-fractie, of – ondanks begrijpelijke verklaringen – hier niettemin sprake is van bewust beleid? Het scheppen van meer «evidence based» bedrijfsgezondheidszorg en een meer op arbeid georiënteerde curatieve gezondheidszorg zal er immers toe kunnen leiden dat de poortwachterstoets minder vaak tot problemen leidt. Voorts was de vraag gerezen of de regering daadwerkelijk bereid zal zijn de uitkomsten van het advies van de Gezondheidsraad ten volle in de WIA te vertalen? Ook bij een meer positieve uitkomst voor de verschillende doelgroepen? Het huidige Schattingsbesluit blijft naar de opvatting van deze leden vooralsnog gehandhaafd, maar de keuringen, etc. vinden dan plaats op basis va de 3B-richtlijnen. Hoe oordeelt de regering bovendien over de aanbeveling een leidraad «juridisch-maatschappelijke aspecten» in de richtlijnen te ontwikkelen?

Momenteel worden zowel de categorie «medisch arbeidsongeschikt» alsook de andere categorieën, waarvan de beoordeling moeilijk is of grote gevolgen kan hebben, door twee verzekeringsartsen beoordeeld (geïntensiveerde gevalsbehandeling).

Wordt deze aanpak onder de WIA gehandhaafd naast de beslissingsautoriteit of komt deze in de plaats van één van de verzekeringsartsen? Dat was deze leden niet geheel duidelijk geworden. In ieder geval hadden deze leden voor de eerste aanpak een duidelijke voorkeur. Waarom bovendien deze beslissingsautoriteit ook niet ingezet buiten de gevallen van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid? Overigens hadden deze leden geen verklaring kunnen vinden waarom de suggestie van de SER voor een onafhankelijke commissie, die een uiteindelijke beslissing zal nemen, bijgestaan door een adviseur, niet is overgenomen. De regering zal zich herinneren dat een soortgelijke suggestie reeds eerder door de CDA-fractie is gedaan. Dat zou voor de leden van de CDA-fractie een grotere geruststelling hebben betekend, nl. dat er sprake is van een wezenlijk onafhankelijke vaststelling op basis van zowel kwaliteitsbewaking als van uniformiteit in de beoordeling.

In hoeverre wordt in Nederland nu gewerkt vanuit de uitgangspunten van de Internationale Classification of Functioning, Disability and Health?

Is de regering voorts niet met de leden van de CDA-fractie van mening, dat ook arbeidsbelasting bij de beoordeling, behandeling en begeleiding dient te worden meegenomen?

Ook rees de vraag of de regering zich al een oordeel heeft gevormd over een continue en cumulatieve opbouw van mediprudentie.

Voorts wilden de leden van de CDA-fractie gaarne een overzicht ontvangen van alle AMvB's die nog zullen worden voorgehangen bij de Tweede Kamer (ook bij de Eerste Kamer?) en ministeriële regelingen.

Tenslotte nog een vraag van geheel andere orde. Blijven de huidige WAO-er's, die weer geheel of gedeeltelijk aan de slag gaan en daarna een terugval of recidive krijgen dan onder de oude WAO vallen of gaan zij over naar de WIA/WGA?

In aansluiting op hun in de inleiding gemaakte opmerkingen over de zwakke positie op de arbeidsmarkt van mensen met gezondheidsbepalingen vroegen de leden van de fractie van de PvdA zich af of de regering inderdaad een sociaal systeem wil dat geen enkele rekening houdt met het gegeven dat de arbeidskansen van mensen met medische beperkingen beroerd zijn en alleen maar slechter worden. Of hebben deze leden dat verkeerd begrepen en blijven er, ook voor de mensen die beleidsmatig worden aangeduid als de 35-min groep speciale op tewerkstelling gerichte voorzieningen bestaan?

Wordt met WIA ook afscheid genomen van het begrip «arbeidsgehandicapte»? Zo ja, komt voor dit begrip een beleidsmatige opvolger? Kan de regering, ter voorbereiding op de schriftelijke behandeling, een overzicht geven van alle op reïntegratie gerichte voorzieningen die verband houden met medische beperkingen voor a) jeugdgehandicapten; b) werknemers met beperkingen en een daaruit voortvloeiend verlies aan verdiencapaciteit tot 35 procent, dan wel c) werknemers voor wie het verlies aan verdiencapaciteit 35 of meer procent bedraagt?

Maakt het daarbij uit of de gedeeltelijk geschikte nog een arbeidsrelatie heeft?

Hoe moet in dit licht de slogan «werk boven uitkering» begrepen worden? Welk extra rendement, in de vorm van méér effectieve reïntegratie, verwacht de regering van WIA? Van welke elementen denkt zij dat deze mensen, méér dan onder het bestaande systeem, zullen aanzetten om – als werknemer – te reïntegreren of – als werkgever – uitgevallen werknemers in andere passende arbeid te plaatsen? Kan de regering in haar antwoord betrekken dat onder het nieuwe systeem een succesvolle werkgeversprikkel voor het uitblijven van effectieve reïntegratie verdwijnt, te weten de zogeheten Pemba-boete?

WIA is een enorm complexe regeling. Zo onderscheidt het wetsvoorstel vijf arbeidsongeschiktheidsklassen, vier verschillende uitkeringen en vier typen ongeschikten. Deze laatsten zijn werknemers met een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 35 procent, werknemers in de categorie 35–80, werknemers met een verlies aan verdiencapaciteit van 80 procent of meer en binnen deze laatste categorie mensen wier verlies aan verdiencapaciteit duurzaam is en zij die op termijn nog kunnen herstellen. Deze laatste groep heet in WIA «gedeeltelijk arbeidsgeschikt», hoewel zij op het moment van beoordeling heel wel volledig ongeschikt kunnen zijn. Is deze aanduiding niet misplaatst voor iemand die, twee jaar nadat hij door een gezondheidscalamiteit is getroffen, nog voor 100 procent ongeschikt is, maar van wie de artsen een herstel op termijn niet uitgesloten achten, zo vroegen deze leden zich af. Is voor zo iemand de aanduiding «tijdelijk volledig ongeschikt» niet beter op zijn plaats en ook beter aan de betrokkene uit te leggen? Zo ja, waarom is daar niet voor gekozen? Is, wanneer men dit bedenkt, ook de kwalificatie 35–80 niet verkeerd? Ziet de WGA niet feitelijk op de categorie 35–100 (35 of hoger), met uitzondering van de 80–100 gevallen wier ongeschiktheid wordt gekwalificeerd als duurzaam?

Voor deze laatste groep bewerkt WIA effecten die nooit de bedoeling van «de architecten van een nieuwe WAO» zijn geweest, zo meenden de leden van de PvdA-fractie. Als voorbeeld noemden zij het – ook door de Raad van State gememoreerde – feit dat het stempel duurzaam volledig arbeidsongeschikt eerder wordt gegeven aan werknemers met een hoger inkomen dan aan werkenden met dezelfde beperkingen aan de midden- of onderkant van het loongebouw. Hierdoor wordt een groep met een zekere aantoonbare restcapaciteit puur of althans mede op basis van hun vroegere inkomen weggezet als compleet onbemiddelbaar. Deelt de regering de observatie dat dit een niet-bedoeld en ook een onwenselijk effect is? Zo nee, kan zij uitleggen waarom dit een doelmatige en rechtvaardige methode is? Zo ja, waarom heeft zij dan voorstellen om deze groep onder omstandigheden ook in aanmerking te laten komen van reïntegratie-instrumenten stelselmatig ontraden?

Een tweede bezwaar van WIA, zo vervolgende deze leden, is de nagenoeg volledig somatische inrichting van het beoordelingssysteem. De combinatie mens, psychische beperkingen – niet zijnde de zeer ernstige psychiatrische aandoeningen – telt in het nieuwe systeem niet langer mee. Dit zal ook zijn weerslag hebben op de reïntegratiebereidheid van werkgevers, zo vreesden deze leden. Mensen die om welke reden ook medisch niet tot het gaatje kunnen presteren, worden als «extra zorg of aandacht behoevend» weggedefinieerd en komen vervolgens voorgoed aan de kant te staan. Welke concrete beleidsmaatregelen staan de minister voor ogen om dit effect van de wet tegen te gaan, zo vroegen deze leden zich af. Of ziet hij deze consequentie van het beoogde nieuwe systeem niet? Zo nee, welke argumenten heeft hij om de vrees bij deze leden weg te nemen?

WIA en reïntegratie

De leden van de PvdA-fractie hadden voorts enige vragen van meer praktische aard over de feitelijke inrichting. De eerste betreft de positie van de gereïntegreerde werknemer en diens werkgever. In dit verband merkten zij op dat voor gereïntegreerde werknemers met gezondheidsbeperkingen het reguliere systeem van cao-looninschaling niet steeds voldoet. Een werknemer met medische beperkingen kan in passend werk reïntegreren, maar daarin niet gelijk presteren aan een gezonde collega. De werkgever zal hem dan, na de twee-jaar loondoorbetalingsplicht, naar zijn werkelijke loonwaarde willen betalen. In dit verband twee vragen: past in de visie van de regering deze opstelling van de werkgever («u presteert minder dus ik beloon u ook lager») binnen de kaders van goed-werkgeverschap? Ziet de regering hier een taak voor de overheid, bijvoorbeeld UWV, om werkgever en werknemer te adviseren – en zonodig een bindend advies af te geven– over een reële vergoeding voor dit werk door die persoon?

En hoe ziet onder WIA de inkomensbescherming van de in de tweejaarsperiode gereïntegreerde werknemer eruit? Stel, de voor 50 procent gereïntegreerde werknemer (met een inkomen op het max-dagloon) is blijkens de keuring voor 50 procent ongeschikt. Hij heeft op basis van zijn arbeidsverleden recht op een loongerelateerde uitkering van een half jaar. Zijn werkgever betaalde hem tot het eind van de tweejaarsperiode 70 procent en daarna 50 procent van zijn vroegere loon. Wat komt hem nu toe naast dit loon van 50 procent: in de fase van de loongerelateerde uitkering en in die van de loonaanvulling? Ervaart de werknemer een verschil in inkomsten op het moment dat hij overgaat van uitkering naar loonaanvulling, of lopen beide, ceteris paribus, ongeveer gelijk op? De leden zagen gaarne, ter voorbereiding op het debat met de minister, een zo inzichtelijk mogelijke berekening waaruit vooral de hoofdlijnen van het nieuwe systeem duidelijk worden.

Tot slot: behoudt de gedeeltelijk geschikt verklaarde werknemer het recht op loonaanvulling tot 65 jaar, of loopt die mogelijkheid na een zekere periode van werkloosheid af? Concreet: krijgt de WGA-er die tien jaar na afloop van de loongerelateerde uitkering werk vindt, alsnog en opnieuw recht op een loonaanvulling?

WIA en rechtsbescherming

Een steeds belangrijker onderdeel van ons systeem wordt de eigen-risicodragende werkgever. Kan de regering aantallen geven van de stand van zaken op dit moment? Hoeveel bedrijven hebben gebruik gemaakt van de opt out regeling uit de WAO? Hoeveel werknemers bedienen zij met elkaar? In de beleidsstukken wordt de ERD steeds aangeduid als werkgever, schuine streep, verzekeraar. De leden van de PvdA-fractie misten een uitgesplitste beschrijving. Kan de regering aangeven wanneer de werkgever het bevoegde zelfstandige bestuursorgaan (zbo) is, en wanneer diens verzekeraar? Kan zij tevens ingaan op de vraag wat de qualificatie zbo betekent voor de werkgever? Zijn, wanneer de werkgever zbo is, de normen van tijdigheid en rechtmatigheid ook op hem van toepassing? Zo ja, schiet hij dan tekort in zijn zorgplicht als werkgever wanneer hij deze normen niet haalt? Is hij in zo'n geval civielrechtelijk aansprakelijk? Of is zijn relatie met de werknemer in dit opzicht een bestuursrechtelijke?

ERD's krijgen met WIA sanctiebevoegdheid. Waar liggen de grenzen van deze bevoegdheid? Kunnen ERD's in belangrijke mate afwijken van het UWV-beleid, mits dit maar per ERD innerlijk consistent is? Zijn zij in dat opzicht vergelijkbaar met de oude Bedrijfsverenigingen waarvan de Bestuursrechter zekere beleidsbeslissingen slechts marginaal toetste? En wat is rechtens, wanneer de werknemer ontevreden is over de reïntegratie-inspanningen van zijn ERD: werkgever, verzekeraar dan wel het door deze ingeschakelde reïntegratiebedrijf? Moet hij in zo'n geval naar de civiele rechter stappen met een beroep op slecht-werkgeverschap? Kan hij aanspraak maken op een budget voor de eigen reïntegratie (bij UWV: een IRO), opdat hij zijn eigen plan kan trekken en de reïntegratie zo misschien voortvarender kan laten verlopen? Of mogen ERD's, net als overheidswerkgevers deze voorziening zonder argumentatie weigeren? Hoe verdraagt, wanneer het dit laatste is, dit verschil in rechten zich tot het beginsel van gelijke behandeling (art 1 GW, 14 EVRM)?

WIA en uitvoering/uitvoerbaarheid

Is het waar dat binnen de categorie «duurzaam volledig arbeidsongeschikt» eveneens twee subcategorieën bestaan? Namelijk de werknemer die na twee jaar ziekte voor de WIA-keuring wordt gemeld en degene die al eerder bij het UWV aanklopt voor de zogeheten flexibele keuring. Deze laatste, immers, kwalificeert alleen voor IVA indien hij 80–100 is zonder uitzicht op herstel. Bij een melding na twee jaar geldt een soepeler voorwaarde en komen ook mensen met een geringe kans op herstel voor IVA dit predikaat in aanmerking. Wat is van dit verschil de rechtsgrond, zo vroegen deze leden zich af. En belangrijker, ook voor deze Kamer: hoe uitvoerbaar is zo'n systeem? Zijn artsen wel in staat om binnen de categorie «volledig ongeschikt» te onderscheiden tussen werknemers zonder kans op herstel, met een geringe kans op herstel en met een gunstig herstelperspectief? Heeft de regering, alvorens dit element uit het SER-advies in de wet op te nemen, advies ingewonnen over de uitvoerbaarheid bij bijvoorbeeld de KNMG? Zo ja, hoe luidde het oordeel?

Wat is in dit verband de rol en de functie van de zogeheten Medische Beslisautoriteit? Wordt dit een medische (super)-specialist? Of is dit vooral een wetstechnisch beoordelaar die controleert of alle regels zijn nageleefd? Staat deze los van UWV of wordt het een UWV-functionaris? Wordt het een landelijke Autoriteit (om de landelijke eenheid te bewaren) of krijgt iedere regio zijn eigen IVA-superexpert? En, het meest wezenlijke, wat is de meerwaarde van deze extra schijf in het beoordelingstraject? Verwacht de regering hierdoor het aantal procedures over het vraagstuk dva of niet te kunnen terugdringen?

De werknemer die na twee jaar ziekte aanspraak meent te kunnen maken op een WIA-uitkering is zelf verantwoordelijk voor een correcte melding. Voorzien van een zekere aantal wettelijk voorgeschreven documenten dient hij zich bij UWV te melden voor de WIA-beoordeling. Is het dossier onvolledig, dan neemt UWV de aanvraag niet in behandeling. Hoe ziet dit dossier dat de betrokkene eigener beweging dient te vullen eruit, zo vroegen de leden van de PvdA-fractie zich af. Kan de regering een overzicht geven van alle stukken die dit dient te bevatten?

WIA en Europa/de internationale rechtsorde

Is de toekenning van alle vormen van WGA alleen aan de orde, wanneer de werknemer aan de referte-eis voldoet? Zo ja, hoe verhoudt dit systeem zich met ons omringende landen? Worden arbeidsongeschiktheidsuitkeringen daar ook uitsluitend toegekend aan werknemers die al een zeker verzekerd arbeidsverleden achter de rug hebben? Of bestaan daar uitzonderingen, afhankelijk van de aard of de oorzaak van de ongeschiktheid?

Hoort de met WIA gewijzigde TW-toeslag nog altijd thuis op IIbis bijlage van Verordening 1408/71? Kan de regering dit toelichten?

Op welke onderdelen is de vraagstelling van de regering aan de ILO gericht? Welke strategie staat de regering voor ogen als WIA na 1 januari geldend recht is en er op de vragen die kennelijk bij de regering leven nog geen uitsluitsel is verkregen?

Overgangsrecht

Wat is de overweging geweest om WIA eerbiedigend te laten ingaan? Acht de regering de situatie dat UWV nog twintig of meer jaren met twee verschillende systemen moet werken niet problematisch? Wordt, naarmate de tijd verstrijkt, het uitgangspunt van rechtsgelijkheid niet dermate zwaarwegend dat het uitgangspunt van het respecteren van verworven rechten hiervoor zal moeten wijken? Wat ziet de regering als het intrinsieke verschil, bij de weging tussen rechtsgelijkheid en rechtsbescherming tussen WAO/WIA en de beëindiging van TW-toeslagen aan rechthebbenden in het buitenland?

Tijdpad per 1 januari 2006

Ergens volgende maand (oktober 2005) zullen de eerste aanvragen voor WIA in behandeling genomen moeten worden. Is UWV daar klaar voor? Kán het dat feitelijk zijn, indien men rekening houdt met enerzijds de vereiste inregelperiode van nieuwe werkprocessen en men anderzijds bedenkt dat essentiële onderdelen van de regeling nog altijd onduidelijk zijn? Als voorbeeld noemden deze leden de consultatieronde van de IAO, de invulling van het begrip duurzaam volledig arbeidsongeschikt en de persoon en functie van de Medische Beslisautoriteit. Zijn er nog andere inhoudelijk knopen die nu nog moeten worden doorgehakt, zo vroegen deze leden.

De leden van de VVD-fractie merkten op dat een werknemer duurzaam en volledig arbeidsongeschikt moet zijn om op basis van de WIA in aanmerking te komen voor een IVA.

Vanuit de medische hoek is meermaals verklaard dat het bijzonder moeilijk is zo niet onmogelijk om trefzeker de duurzaamheid van een aandoening vast te stellen.

Inmiddels is door de Minister op 19 januari jl. een advies aangevraagd bij de Gezondheidsraad hoe te komen tot protocollen en standaarden ten aanzien van aandoeningen die als hulpmiddelen kunnen worden gebruikt bij de claimbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid en de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. De Raad stelt in zijn eerste rapport van 22 juli jl. onder meer vast dat veel van het medisch handelen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid nu niet wetenschappelijk is te onderbouwen en dat overkoepelende richtlijnen zullen moeten worden ontwikkeld.

Kan de regering aangeven of vanuit de huidige praktijk deze beoogde richtlijnen tijdig kunnen worden ontwikkeld en voldoende «evident based» zullen zijn om op zo objectief mogelijke wijze de claim beoordeling te kunnen uitvoeren?

Het CWI voert op dit moment de indicatiestelling voor de Wsw uit en zal nu ook de taak krijgen om een oordeel te geven over de beperkingen van een bijstandsgerechtigde in het kader van het zoeken naar werk in verband met de mogelijke premiekorting en de no risk polis voor de werkgever.

Het CWI is van mening dat bij opstelling van de besliscriteria voor deze groepering niet kan of moet worden aangesloten bij de criteria die gelden voor de WIA. Dit zou betekenen dat er verschillende beoordelingscriteria/indicatiestellingen ontstaan bijvoorbeeld voor mensen die na een werkzaam leven in de bijstand komen en weer aan de slag willen én mensen die nog niet hebben gewerkt, bijstandsgerechtigd zijn maar wel aan het werk willen. De leden van de VVD-fractie achtten dit geen goede zaak. Wat is het oordeel van de regering hierover?

Uitgangspunt is niet de mate van arbeidsongeschiktheid, maar de mate waarin iemand nog werkzaamheden kan verrichten. Hier ligt een grote verantwoordelijkheid bij werkgever en werknemer. De VVD fractie is het met dit uitgangspunt eens. Met name bij gedeeltelijk arbeidsongeschiktheid dient de werkgever al het mogelijke in het werk te stellen om aangepast werk te creëren en van de werknemer mag gevorderd worden dat hij in alle opzichten meewerkt. Mocht dit echter niet lukken dan kan de werkgever de gedeeltelijk arbeidsongeschikte ontslaan.

Met name kleine werkgevers zullen vaak geen aangepast werk hebben of elders geen mogelijkheden kunnen vinden om de gedeeltelijk ongeschikte te plaatsen. Kan de regering een schatting geven van het percentage dat als gevolg van deze wet nu ontslagen zal worden?

Uit de monitor «arbeidsgehandicapten 2003» van SZW blijkt de arbeidsdeelname van het aantal arbeidsgehandicapten daalt. Voorts waren er in 2003 al 68 000 werkloze arbeidsongeschikten. Deelt de regering de mening dat de mogelijkheden tot arbeidsdeelname van arbeidsgehandicapten mede sterk afhankelijk zal zijn van het economische klimaat, in die zin dat zij in slechte tijden het eerst zullen worden ontslagen, dan wel als laatste door de werkgever aangenomen zullen worden, te vergelijken met de «klapstoelbanen» waarop vrouwen helaas soms nog steeds terecht komen en de «draaideurbanen» van de bijstandsgerechtigden?

Nu nog leidt minder dan 50% van de reïntegratie trajecten van het UWV tot een echte baan. Hoe denkt de regering te voorkomen dat toch niet een groot deel van de gedeeltelijk ongeschikten straks in feite werkloos wordt en op bijstandsniveau belandt, daarmee het probleem van de WAO verschuivend naar de WW en bijstand?

De regering stelt dat door deze regeling het WAO gat verdwijnt. Voor degenen die gedeeltelijk ongeschikt worden en geen werk (meer) hebben, bijvoorbeeld omdat zij ontslagen worden, blijft er naar mening van de VVD fractie wel degelijk een WAO gat bestaan? Is dit een juiste aanname? Evenals het gegeven dat werknemers die voor 1 januari 2006 in de wachtperiode geraken zich ongetwijfeld als «brandend huis» niet meer kunnen bijverzekeren bij een particuliere verzekeraar?

Indien een eigenrisicodrager nu besluit dat hij per 2006 zich publiek wil verzekeren, wat gebeurt er dan met de werknemer die vanaf 2004 in de wachtperiode verkeren tot 2006? Deze vallen niet onder het uitlooprisico van de particuliere polis omdat dit immers geen WGA verzekering is. Worden deze lasten door het UWV betaald ?

De uitkering van de volledig en duurzaam arbeidsongeschikten zal worden verhoogd naar 75% indien cao partijen zich houden aan het najaarsakkoord en het aantal arbeidsongeschikten niet uitstijgt boven de 25 000 op jaar basis. Wanneer denkt de regering dat zij voldoende inzicht heeft om tot besluitvorming hierover te komen?

Het ILO verdrag 121 stelt dat degenen die op grond van hun beroep (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn geworden een uitkering van 60% (of een proportioneel deel ervan gerelateerd aan de mate van arbeidsongeschiktheid) van hun laatst verdiende loon moeten krijgen. De duur van de uitkering mag niet worden gekoppeld aan de duur van het dienstverband. Iemand die gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt en niet meer werkt krijgt op grond van de WGA een vervolguitkering die niet meer gebaseerd is op zijn laatstverdiende loon en deze uitkering kan minder zijn dan 60% (of proportioneel deel ervan) van het laatstverdiende loon? Kan de regering uitleggen waarom zij van mening is dat deze regeling niet in strijd is met het ILO verdrag 121?

Ware een aparte regeling voor beroepsziekten/ongevallen niet een betere oplossing, zoals andere landen in Europa dit ook kennen?

Indien de werknemer ongeschikt raakt door schuld van een derde kunnen kosten verhaald worden. De werknemer kan de eigen «netto» schade verhalen en de werkgever kan zijn schade verhalen maar slechts tot een bedrag van de schade die de werknemer heeft geleden zoals het netto loon en niet de overige schade, zoals een hogere WIA premie in de latere jaren, verzuim begeleiding van de werknemer reïntegratie inspanningen etc. Zou, gezien de doelstelling om meer financiële prikkels in te bouwen voor de werkgever, dan ook niet de verhaalsmogelijkheid voor de werkgever (wettelijk) moeten worden aangepast in die zin dat de werkgever ook de andere kosten kan verhalen op de derde?

Kan de regering al nadere informatie geven over het afschaffen van de Pemba meedelen wanneer de besluitvorming zal plaatsvinden,want voor eigenrisicodrager is het van belang tijdig te weten of zij voor WAO én IVA eigen risicodrager blijven Kan de regering voorts het tijdpad preciseren voor 2007 en 2008 als het gaat over de premiedifferentiatie WGA en premie(hoogte) voor de onderscheiden groepen ondernemingen mede in relatie tot toelating van de particuliere verzekeraars in 2007?

Veel is onduidelijk ten aanzien van de nadere invulling van dit wetsvoorstel en het overgangsrecht, zo oordeelden deze leden.

Enkele voorbeelden:

Indien een werkgever besluit voor 2006 om eigenrisico drager te worden is dit voor een periode van 4 jaar. In het voorjaar 2006 zal worden besloten wat de duur van de eigen risicodragersperiode wordt voor werkgevers die voor 2007 eigenrisicodrager worden Ervan uitgaande dat de periode 10 jaar blijft kunnen werkgevers die in 2006 eigenrisicodrager zijn geworden na 4 jaar opnieuw uitstappen voor 6 of 10 jaar? Of kunnen zij de periode van 4 jaar oprekken naar 10 jaar?

Betaalt een werkgever, die in 2006 besluit om eigen risicodrager WGA te worden en besluit zich (privaat) te verzekeren, een dubbele premie? Immers, het UWV kan nog geen onderscheid maken in wel/geen eigenrisicodragerschap. Wordt de premie later terugbetaald?

Als in 2007 verzekeraars toetreden en een opslagpremie nodig is om een level playing field te creëren, wordt deze dan ook gecompenseerd door de publieke WAO/IVA-premie te verlagen?

De verhoging van de premie aan het UWV met 0,3% teneinde een level playing field te creëren voor de particuliere verzekeraars in verband met de «rentehobbel» is gebaseerd op een formule waarin partijen zich konden vinden. Wordt de formule in 2007 opnieuw toegepast teneinde te bezien of deze 0,3% aanpassing behoeft? Het besluit ten aanzien van de aanpassing van de termijn van het eigen risicodragerschap van 4 jaar heeft zijn invloed op de hoogte van de «rentehobbel». Immers hoe korter de termijn hoe lager de rentehobbel. Ware het niet beter om in een eerdere fase hieromtrent duidelijkheid te verschaffen?

De werkgevers die zich willen aanmelden om per 1 januari 2006 eigenrisicodrager te willen worden moeten zich voor 1 oktober 2005 aanmelden. Nu zijn er ongeveer 70 000 eigenrisicodragers en de verwachting van het UWV is dat zij ook in het nieuwe stelsel dit willen blijven. Is het UWV wel in staat deze aanvragen tijdig af te handelen? Bovendien rijst de vraag hoe een werkgever die wil «wisselen» naar het publieke systeem de situatie moet beoordelen omdat dit wetsvoorstel de Eerste Kamer nog moet passeren en veel uitvoeringsregelingen nog niet gereed zijn? Ware het niet beter om voor de eerste keer de termijn te verlengen?

Invoering van de WIA zal veel administratieve wijzigingen met zich brengen. In 2006 zal ook Walvis worden ingevoerd. Hoe kan de regering voorkomen dat het een chaotische invoering wordt met te veel administratieve mankementen, zeker nu het UWV om die reden pleit voor uitstel van invoering tot 2007 (UWV d.d. 27.01.2005)?

Is de Belastingdienst in staat tijdig de nodige maatregelen uit te voeren?

De leden van de fractie van GroenLinks (GL) merkten op over een aantal onderwerpen vragen en opmerkingen aan de regering te willen voorleggen.

Uitvoeringsaspecten

Kan de regering aangeven hoe het UWV in de maanden voorafgaand aan 29 december 2005 om zal gaan met aanvragen om een arbeidsongeschiktheidsuitkering van verzekerden wier eerste dag van arbeidsongeschiktheid op of na 1 januari 2004 valt? Is het UWV feitelijk niet nu reeds gedwongen een wet uit te voeren die nog niet is aanvaard?

In hoeverre verwacht de regering dat de uitvoeringskosten voor het UWV en de belastingdienst samen per verstrekte uitkering ten opzichte van de WAO zullen toenemen, gelijk blijven of afnemen? Kan de regering met een percentage van de totale uitkeringslasten aangeven hoe hoog de WAO-uitvoeringskosten in 2003 waren en hoe hoog de WAO en WIA-uitvoeringskosten naar verwachting in 2006 en latere jaren zullen zijn?

Wetgevingssystematiek

De leden van de fractie van GL is het grote aantal bepalingen opgevallen waarin de mogelijkheid wordt geschapen van de WIA afwijkende regels te stellen, zie bijvoorbeeld art. 1.5.2, art. 3.1, art. 4.2., art. 7.2.3, art. 8.2.2 en art. 9.5. Deze leden refereerden in dit verband aan het feit dat de regering bij monde van de minister van justitie op 18 februari 2005 in de Eerste Kamer heeft medegedeeld dat deze vorm van delegatie onwenselijk is. Erkent de regering dat genoemde bepalingen in strijd zijn met art. 34 van de Aanwijzingen voor de regelgeving? Kan de regering bij alle in de wetsvoorstellen op deze wijze vormgegeven delegatiebepalingen aangeven waarom het nodig is op te nemen dat bij of krachtens AMvB kan worden afgeweken van de bepaling waarop de delegatiebepalingen zien? Zijn ten aanzien van vergelijkbare bepalingen in de WAO thans ook AMvB vastgesteld die afwijken van de tekst van de WAO? Kan de regering tevens aangeven ten aanzien van welke artikelen in de WIA thans reeds het voornemen bestaat om van de wet afwijkende bepalingen te treffen?

Arbeidsongeschiktheid

De leden van de fractie van GL betoonden zich tegenstander van de invoering van een referte-eis voor het recht op een loongerelateerde arbeidsongeschiktheidsuitkering. Zij konden zich voorstellen dat zich als gevolg van deze nieuwe eis schrijnende situaties gaan afspelen. Immers, een startende werknemer kan binnen een half jaar een ernstig ongeluk of een ernstige ziekte overkomen. Van een redelijke collectieve verzekering blijkt dan na twee jaar loondoorbetaling eigenlijk geen sprake te zijn.

Kan de regering al meer duidelijkheid geven over de vraag of de lijst als bedoeld in artikel 12.3. lid 6 WIA tijdig tot stand zal komen? Hoe moeten de leden van de fractie van GL in dat verband aankijken tegen het advies van 22 juli 2005 van de Gezondheidsraad met betrekking tot die lijst?

Tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer heeft de minister gesteld dat de schrapping van de laagste arbeidsongeschiktheidsklassen eerder van negatieve betekenis is voor de hogere inkomensgroepen, dan voor de lagere. Kan de regering die stelling nader cijfermatig onderbouwen?

Ten aanzien van werknemers die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn stelt de regering dat zij zo mogelijk in dienst blijven van hun werkgever. Niettemin zullen werkgever in veel gevallen ontslag aanvragen of de arbeidsovereenkomst laten «doodbloeden». De regering heeft aangegeven dat de CWI nadere instructies zal ontvangen over de vraag hoe om te gaan met ontslagaanvragen ten aanzien van deze groep. Volgens de regering zouden zij niet zonder meer moeten kunnen worden opgezegd. Zijn die instructies reeds gegeven? Zo neen, wordt dat langzamerhand geen tijd? Is het bovendien niet zaak om op de plaats waar dergelijke normen thuishoren, in het Ontslagbesluit, of, liever nog, in art. 7:670 e.v. BW vast te leggen dat de bescherming van deze werknemers na twee jaar ziekte versterkt zal worden in plaats van in een brief aan de CWI's? Is op die laatstgenoemde wijze niet optimaal verzekerd dat ook de kantonrechter in het kader van ontbindingsprocedures rekening zal houden met eventuele restricties waarmee ontslagaanvragen na twee jaar ziekte worden beoordeeld (reflexwerking van de opzegverboden)?

Heeft de regering inzicht in de mate en de periode waarin de huidige populatie WAO-ers met een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% na twee jaar ziekte bij hun oorspronkelijke werkgever daadwerkelijk aan het werk zijn gebleven?

Reïntegratie

De leden van de fractie van GL betreurden het dat de Wet REA wordt afgeschaft. De instrumenten voor verschillende doelgroepen worden weer versnipperd over verschillende materiewetten. In de afgelopen jaren waren verschillende instrumenten al behoorlijk «uitgekleed», hetgeen deze leden eveneens betreurd hebben. De afschaffing van de wet REA lijkt deze leden niet bevorderlijk voor de effectiviteit van het reïntegratiebeleid. Wat gaat de regering ondernemen om met name werkgevers op de hoogte te stellen en te blijven houden van de mogelijkheden van het reïntegratiebeleid?

Van de toepassing van reïntegratie-instrumenten zijn belangrijke groepen van arbeidsongeschikten uitgesloten. Niettemin zullen verzekerden met een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35 in de praktijk ook vaak behoorlijke beperkingen hebben. Zou de regering willen overwegen of het raadzaam is al degenen die de wachttijd hebben vol gemaakt in beginsel als substantieel functioneel beperkt aan te merken waarbij een uitzondering kan gelden voor personen met slechts geringe beperkingen? Zou de regering voorts willen overwegen dat het in het belang van volledig en duurzaam arbeidsongeschikten is dat hun in ieder geval de mogelijkheid van scholing en een proefplaatsing wordt geboden, maar dat deze personen voor de toepassing van reïntegratie-instrumenten ook overigens gelijk behandeld zouden moeten worden met WGA-gerechtigden?

Waarom is recht op ondersteuning bij reïntegratie van verzekerden jegens UWV anders geformuleerd en geregeld dan het recht van verzekerde jegens de eigenrisicodrager (ERD)? Art. 4.2.2. bepaalt dat verzekerde jegens UWV recht heeft op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. De reïntegratieplicht van de ERD jegens verzekerde is beperkter: 4.4.1: de ERD «bevordert de inschakeling in arbeid». Deze ongelijkheid in rechten en plichten is niet te rechtvaardigen, ook niet uit oogpunt van «gelijk speelveld». Een gelijk speelveld houdt immers ook in dat verzekeraars/ERD's en UWV dezelfde reïntegratieplichten hebben. Graag horen de leden van de GL-fractie ook op dit punt de reactie van de regering. Bovendien is naar de mening van de leden van de fractie van GL de visie van de regering in zijn algemeenheid onjuist dat ERD's voldoende financieel belang hebben bij reïntegratie en dat daarom niet veel behoeft te worden vastgelegd t.a.v. de verplichting reïntegratie te bevorderen. In sommige situaties is reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers voor de eigenrisicodragende werkgever vooral een kostenpost, waartegenover niet of nauwelijks een financiële «beloning» voor de werkgever staat. Kan de regering op deze kritiek ingaan?

Waarom is ervan afgezien het UWV, afgezien van het bepaalde in artikel 3.3, een bevoegdheid te geven tot het opleggen van een sanctie op een werkgever die (na het einde van het wachttijd en de eventueel opgelegde loonsanctie) weigerachtig is in het verlenen van medewerking aan de reïntegratie van een werknemer? Zou het niet bevorderlijk zijn voor de reïntegratie, indien daartegen niet alleen door de werknemer zelf kan worden geageerd, maar ook door het UWV en dan niet alleen in het kader van de zogenoemde poortwachtertoets?

Wie heeft trouwens eigenlijk het voortouw bij reïntegratiemaatregelen als de werknemer na instroom in de WIA nog in dienst van zijn werkgever is gebleven? Stel dat de werkgever op verzoek van de verzekerde een reïntegratiebedrijf inschakelt, bestaat dan de mogelijkheid de kosten daarvan bij het UWV in rekening te brengen? Zo neen, waarom niet? Hoe kan worden voorkomen dat de werknemer tussen wal en schip komt omdat noch UWV, noch werkgever zich voor de reïntegratie inspannen?

Hoe zit het met de bestuursrechtelijke afdwingbaarheid van reïntegratie door de verzekerde ten opzichte van het UWV of de eigenrisicodrager? Moet bijvoorbeeld een verzoek om reïntegratiemaatregelen van verzekerde concreet zijn om bezwaar tegen (fictieve) weigering te kunnen maken of is (fictieve) afwijzing van een niet nader uitgewerkt verzoek om het nemen van maatregelen al vatbaar voor bezwaar en beroep?

Kan ook de werkgever bezwaar aantekenen tegen de reïntegratievisie van het UWV en aanpassingen daarvan?

Ten aanzien van het instrument van de loondispensatie heeft de regering aangegeven dat de sociale partners primair verantwoordelijk zijn voor het vaststellen van loonbedragen ten aanzien van werknemers met beperkingen. Hoe verhoudt zich deze visie tot het verbod van onderscheid in de wet gelijke behandeling op grond van handicap/chronische ziekte?

Passende arbeid bij de werkgever

Kan de regering verduidelijken wat de betekenis is van het begrip passende arbeid in de zin van artikel 7:658a BW in relatie tot de WIA, met name tot art. 3.3 lid 9? Kan de regering nader verduidelijken hoe ver de reïntegratieplicht van de werkgever strekt met betrekking tot het zogenoemde tweede spoor? De ervaringen tot nu toe met deze inspanningen geven een gemengd, maar gemiddeld genomen somber beeld. Onderschrijft de regering die stelling? Wat is de regering van plan te ondernemen om reïntegratie in het tweede spoor te ondersteunen en te bevorderen? Wil de regering overwegen of het raadzaam is een systeem van cofinanciering op te zetten van de kosten van bemiddeling naar het tweede spoor?

Onderschrijft de regering de suggestie dat arbeid die een negatief loonverschil oplevert van meer dan 30% tijdens de eerste twee jaar van ziekte niet als passend kan worden aangemerkt? Is het naar de mening van de regering nog steeds juist en wenselijk dat het begrip passende arbeid in artikel 7:658a BW, in het kader derhalve van de civielrechtelijke betrekking van de werknemer tot zijn werkgever, minder ruim is dan het begrip passende arbeid in bijvoorbeeld artikel 4.1.4 WIA, waarmee kennelijk (ook) gangbare arbeid wordt bedoeld?

In de praktijk blijkt dat onduidelijk is in hoeverre het verrichten van passende arbeid tijdens de eerste twee ziektejaren «lonend» moet zijn voor de werknemer. Kan de regering de stelling onderschrijven dat artikel 7:629 BW zo moet worden gelezen dat de gereïntegreerde werknemer bij ongeschiktheid voor de bedongen werkzaamheden recht heeft op 70% van het verschil tussen het loon voor die bedongen werkzaamheden en de nieuwe werkzaamheden, naast de beloning voor die nieuwe werkzaamheden?

Privacy

Het CBP heeft forse kritiek uitgeoefend op het wetsvoorstel, met name in een brief van 6 januari 2005 aan de minister van SZW. Kan de regering punt voor punt aangeven hoe en aan welke punten van kritiek zij tegemoet is gekomen en zo neen, waarom niet?

Hoogte WIA-uitkering

Het viel de leden van de fractie van GL op dat de hoogte van de WIA-uitkering wordt afgeleid van het loon dat de verzekerde verdiende in het jaar voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid. Hierdoor wordt afgeweken van de systematiek van maatmanberekening zoals die in de art.14 WAO geldt. Volgens dat artikel is immers het dagloon het loon dat de werknemer in het jaar na einde wachttijd had kunnen verdienen als hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden. Waarom heeft de regering voor een dergelijke afwijking gekozen? Is het juist dat hierdoor een fors verschil in aanspraken ontstaat, nu een WAO-uitkering die in 2006 zou ingaan zou worden afgeleid van het loon dat de werknemer in 2006 en 2007 zou hebben verdiend, terwijl de WIA wordt afgeleid van het loon dat de werknemer in 2003 verdiende.

Welk loon wordt als dagloon gehanteerd voor de werknemer die geen loon genoot in het jaar voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid? Hoe om te gaan met situaties waarin de werknemer een lager loon verdiende omdat hij in het refertejaar een andere, lagerbetaalde functie bekleedde, bij een andere werkgever in dienst was, tegen een geringer aantal uren werkzaam was, onbetaald verlof opnam? Staat het niet op gespannen voet met de verzekeringsgedachte dat de werknemer bij ziekte niet zijn actuele salaris blijkt te hebben verzekerd, maar een niet meer actueel loon?

Komende privatisering

De aanvankelijk onder meer door de VVD als onaanvaardbaar geziene rentehobbel bij private uitvoering is aan de vooravond van de plenaire behandeling in de Tweede Kamer op wonderbaarlijke wijze geslonken van 6 miljard naar 200 miljoen. Kan de regering de aan die vermindering ten grondslag liggende berekening nog steeds onderschrijven? Kan de regering ingaan op de vraag waarom de aanvankelijke berekeningen ten aanzien van de instroom kennelijk onjuist waren en op de vraag waarom een halvering van lasten wordt voorzien bij een halvering van de periode van privatisering van tien naar vijf jaar. Zijn immers de kosten van de eerste vijf jaar niet (veel) hoger dan de kosten van de tweede periode van vijf jaar?

IAO-normen

Een punt van al langer lopende discussie is of de regeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten wel in overeenstemming is met IAO verdrag 121. Het gaat dan om de vraag of de WGA-vervolguitkering wel voldoende evenredig is aan de uitkering die krachtens het verdrag aan volledig arbeidsongeschikten moet worden betaald. Tevens is de vraag in het geding hoe het verbod op een referte-eis in dit verdrag zich verhoudt tot de regeling voor de gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Waarom heeft de minister deze kwestie niet meegenomen in zijn verzoek om een informeel advies van het IAO-bureau?

Is er al antwoord op het verzoek om een informeel advies van het IAO-bureau en zo neen, waarom niet en is de regering bereid op spoed aan te dringen, zodat de Kamer over deze antwoorden kan beschikken op een zodanig tijdstip dat deze nog onderwerp kunnen zijn van de beraadslaging over dit wetsvoorstel?

Heeft de regering afgelopen zomer ook nog op andere wijze contact gehad met het IAO-bureau over de verenigbaarheid van het wetsvoorstel met IAO-verdragen? Zo ja, wat is daarvan de uitkomst geweest?

Heeft de regering nog steeds in overweging om een Extra Garantieregeling Beroepsrisico's in te voeren, of is dit geheel van de baan? Wat zijn hierbij de overwegingen? Is het juist dat de sociale partners genuanceerder over een dergelijke regeling zijn gaan denken? Heeft dit invloed op het standpunt van het kabinet? Kan ook over deze kwestie in relatie tot IAO-verdrag 121 snel duidelijkheid geboden worden, nu dit Verdrag een betere bescherming van slachtoffers van beroepsrisico's voorschrijft dan waar de WIA in voorziet?

Gemeenschapsrecht

Welke problemen kunnen zich voordoen bij een werknemer die een beroep zal moeten doen op de loonaanvullingsregeling, en die laatstelijk in een andere EU-lidstaat verzekerd is geweest en aldaar ook woont? Is de maandelijkse controle of betrokkene zijn verdiencapaciteit realiseert uitvoerbaar? Maakt het hierbij uit of een private dan wel publieke instantie met de uitvoering belast is?

Past uitvoering door een private maatschappij naar de opvatting van de regering binnen de systematiek van Verordening 1408/71 en zo ja, waarom?

De leden van de fractie van de SP merkten op dat het gevolg van de wet REA voor diegenen die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, is dat zij geen aanspraak meer kunnen maken op de reïntegratie-inspanningen. Maar de mensen met een verlies aan verdiencapaciteit van bijna 35% kunnen wel degelijk een arbeidshandicap hebben, wat voor mensen in de laagbetaalde banen kan gaan om een flinke arbeidsbeperking. Onderkent de regering dat dit het geval kan zijn?

Onderkent de regering dat deze mensen na enige tijd tot het fase4 bestand van de cliënten in de bijstand kunnen horen? Welke werkvoorzieningen komen beschikbaar voor deze categorie?

In de nieuwe wet worden de uitkeringen voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten lager. Na de loongerelateerde periode is de vervolguitkering maximaal 500, de helft van het minimumloon. Wat wanneer de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een bedrijfsongeval of beroepsziekte?

Heeft de regering inmiddels duidelijkheid over het standpunt van de Internationale Arbeidsorganisatie, of de WIA niet in strijd is met ILO verdrag 121?

Welke aanwijzingen kan de regering overleggen dat de verzekeraars met betrekking tot de WIA een betere rol gaan spelen dan we tot nu toe van ze hebben gezien? Op welke wijze gaan zij volgens de regering daadwerkelijk de activerende werking die beoogd wordt, ondersteunen, gezien het gebrek aan succes op de preventie- en reïntegratie tot op heden?

De leden van de SP-fractie zeiden zich zorgen te maken over het gehanteerde arbeidsgeschiktheidscriterium. Begrippen als «duurzaam» en «geringe kans tot herstel» blijken in de praktijk grote problemen op te leveren. Wanneer deze criteria strikt gehanteerd zouden worden is vrijwel niemand meer volledig arbeidsongeschikt, hoewel dat op het meetmoment wel degelijk zo kan zijn. Waarom niet een systeem waarin mensen die ziek zijn gevolgd worden, wat mogelijk is met periodieke uitkeringen en periodieke herkeuringen. Bovendien laat dit nog ruimte voor het feit dat er nieuwe ziektebeelden zijn waarvan nog geen arts kan voorspellen of er nog geheel of gedeeltelijk herstel mogelijk is. Kan de regering uitleggen waarom in de formulering van het arbeidsgeschiktheidscriterium niet tegemoet is gekomen aan de kritiek van de artsen?

Met de strenge herkeuringen wordt vooral bezuinigd. Hoeveel garantie heeft de regering dat de werkgevers waar nu op gerekend wordt, bereid en in staat zullen zijn om mensen aan het werk te houden?

Waarom zouden werkgevers niet meer verplicht kunnen worden, dan wel beloond worden, voor het in dienst nemen van gedeeltelijk arbeidsongeschikten?

De fracties van D66 en OSF deelden mee dat in hun midden allereerst de vraag naar voren was gekomen of het verstandig is om, nu er al zoveel verandert op het gebied van sociale zaken, zowel in de regelingen als in de uitvoering, ook deze ingrijpende verandering nu te willen doorvoeren. Zowel met betrekking tot de capaciteit van de uitvoeringsinstellingen als met betrekking tot de acceptatie van veranderingen in de bevolking in het algemeen kan men zich afvragen of er niet een kritische grens bereikt is die terughoudendheid met verdere maatregelen verstandiger doet zijn. Deelt de regering dat gevoel? En is zij dan ook niet van mening dat juist een ingrijpende aanpassing van het arbeidsongeschiktheidsstelsel, gezien de ontwikkeling in de aantallen arbeidsongeschikten, momenteel niet zodanig urgent lijkt dat daarvoor risico's gelopen mogen worden?

Zou een aanpassing van de huidige WAO-wetgeving, door de uitkeringen voor de arbeidsongeschiktheidsklasssen tot 35% op nul te stellen, met evt. enkele andere aanpassingen zoals het dichten van het WAO gat voor volledig arbeidsongeschikten, maar zonder verdere verhoging van uitkeringen en zonder het laten vervallen van de Pemba boetes een alternatief kunnen vormen dat ook structureel tot een sterke beperking van het aantal WAO gerechtigden zou kunnen leiden doordat het voldoende prikkels levert tot reïntegratie? Dat laatste mede gelet op de grote effecten van de verlengde loondoorbetaling, de verbetering in de poortwachterfunctie en de aanpassing van het schattingsbesluit, die immers al doorgevoerd zijn?

De WIA vormt een complex geheel, door de verschillende regimes in IVA en WGA en vooral de diverse verschillende uitkeringsmogelijkheden binnen de WGA, gecombineerd ook nog met de diverse uitvoeringsmodaliteiten (UWV, privaat verzekering, eigen risico dragen). Zal daardoor niet ook structureel de uitvoering problematisch blijven en tot hoge kosten leiden?

Voor de bestaande WAO'ers blijft de oude WAO regeling in stand, wat er toe leidt dat nog tientallen jaren twee systemen naast elkaar zullen moeten functioneren. Levert ook dat niet nog een extra complicatie op waarbij weliswaar de rechtszekerheid voor de betreffende personen gediend wordt, maar ten koste van de rechtsgelijkheid en daarbij ook nog van hoge extra uitvoeringslasten die door de hele gemeenschap gedragen moeten worden? Is een beperkter overgangsregeling hier niet meer op zijn plaats, zoals ook voor de eveneens heel grote effecten van de aanpassing van het schattingsbesluit een veel beperkter bescherming is geboden?

Is uitgerekend wat het totale effect op de uitvoeringskosten is van het nog bijna een halve eeuw naast elkaar laten bestaan van het oude WAO systeem en het nieuwe WIA systeem?

Hoe schat de regering momenteel de kansen in dat voldaan wordt aan de voorwaarden die gesteld zijn aan de verhoging van de IVA uitkering met 5% en aan het intrekken van de Pemba regeling? Is het nog wel reëel te veronderstellen dat deze twee voornemens uitgevoerd zullen kunnen worden?

Zou overigens de logica niet tot de conclusie leiden dat als de WIA systematiek, die meer integratieprikkels kent dan de WAO, in dat opzicht naar behoren werkt, de Pemba kan worden afgeschaft, ongeacht de vraag er voldoen is aan de gestelde voorwaarden? En dan ook moet worden afgeschaft omdat de pemba boetes oplegt, ook wanneer er geen sprake is van schuld van de werkgever?

Moet het feit dat de bedoelde uitvoering van de WGA door zowel het UWV als het private verzekeringswezen met een jaar uitgesteld moest worden, de onduidelijkheid rond de noodzakelijke hoogte van de «rentehobbel»-compensatie en de onduidelijke financiering daarvan (heffing/teruggave) niet leiden tot de conclusie dat invoering van een hybride systeem voor de WGA onwenselijk is ofwel dat invoering van een systeem waarbij hybride uitvoering wenselijk wordt geacht beter uitgesteld zou kunnen worden? Kan er overigens met het terugbrengen van de termijn voor private dekking tot vier jaar nog wel van uit worden gegaan dat het beoogde effect, betere en snellere reïntegratie door inschakeling van de private sector, gerealiseerd zal worden? Waarom denkt de regering dat ook bij deze korte termijn er voldoende prikkel voor de verzekeraar is ingebouwd?

De regering verwacht dat de WIA een structurele besparing van 600 miljoen euro per jaar gaat opleveren op een totaal aan uitkeringslasten van 9,1 miljard in 2006. Het CPB verwacht nauwelijks besparingen en ook het UWV verwacht weinig toevoeging aan het succes van de al doorgevoerde maatregelen. Leidt ook dat niet tot de conclusie dat de regering een traject kiest dat wel met zekerheid een moeilijke implementatiefase krijgt maar geen gegarandeerde opbrengst?

Zal het gebruik van de «verdiencapaciteit» bij het vaststellen van een arbeids(on)geschikheidspercentage i.p.v. de mate van arbeidsongeschiktheid (zoals bij de huidige WAO) leiden tot een inzichtelijker (ook voor de cliënt begrijpelijker!) systeem of zijn er andere redenen voor deze verandering in benadering?

Is de regering het eens met de constatering dat het hanteren van het criterium «verdiencapaciteit» er toe leidt dat iemand met een hoog inkomen eerder volledig zal worden afgekeurd dan iemand met een lager inkomen, terwijl beiden feitelijk in dezelfde mate tot arbeid in staat kunnen zijn? Waarom heeft de regering er niet voor gekozen om bij de bepaling van de verdiencapaciteit in relatie tot het inkomen, het inkomen te maximeren op het maximum dagloon?

Hoe beoordeelt de regering momenteel de kans dat het voorgestelde systeem toch niet in voldoende mate tegemoetkomt aan de internationaal-rechtelijke eisen met betrekking tot dekking van het risico op beroepsziekten?

De fracties van D66 en OSF deelden mee zich grote zorgen te maken over de koppeling van de WIA aan de mogelijkheden van het UWV. Dit betekent dat de WIA is aangepast aan de mogelijkheden en onmogelijkheden van het UWV om de wet uit te voeren. De fracties van D66 en OSF vinden dit een merkwaardige gang van zaken. Is de regering het met deze fracties eens dat een dergelijke belangrijke wet als de WIA moet zijn gebaseerd op objectieve principes van uitvoerbaarheid?

De fracties van D66 en OSF waren van mening dat de gang van zaken rond het UWV reden geeft tot een gezond wantrouwen. Zij vonden het volgende hierbij illustratief.

In het eerste jaar is het UWV nog niet in staat om de koppeling van de duur van loongerelateerde WGA-uitkeringen aan het arbeidsverleden te maken. Daarom wordt de duur van de WGA de eerste twee jaar gerelateerd aan de leeftijd.

Verder gaat het UWV in 2006 premies innen bij eigenrisicodragers die zij vervolgens in 2007 weer terugkrijgen. Dit alles zorgt ervoor dat het UWV weinig betrouwbaar over komt. In hoeverre kan de regering garanderen dat het UWV de WIA goed kan uitvoeren?

Een belangrijk punt is ook dat UWV voor de invoering van de WIA nog een heel nieuw ICT-systeem moet maken dat in 2008 klaar zou moeten zijn. In welke mate kan de regering garanderen dat het UWV in 2008 daadwerkelijk klaar is met het ICT-systeem voor de WIA?

De fracties van D66 en OSF vonden dat er veel barrières worden opgeworpen voor het dragen van eigenrisico in de WGA. De regering heeft al eens aangegeven dat er in de WAO te weinig sprake was van het dragen van eigenrisico. In de WGA zijn daarvoor volgens deze fracties veel hindernissen opgeworpen voor mogelijke eigenrisicodragers. Zij vonden het onbegrijpelijk dat werkgevers die in de WGA eigenrisicodrager willen worden zowel het inlooprisico als het uitlooprisico voor hun rekening moeten nemen. Dit houdt het vormen van een gelijk speelveld tegen. Slechts één van de eigenrisico's (het uitlooprisico) hoort bij de werkgever. Wil de regering uitleggen hoe de volstrekt ongelijke behandeling van de eigenrisicodragers ten opzichte van het UWV, dat immers zo nooit enig in- of uitlooprisico voor haar rekening hoeft te nemen, te plaatsen is in het kader van een gelijk speelveld?

De regering heeft meerdere malen laten weten vertrouwen te hebben in de sociale partners wat betreft het afzien van het repareren van de WGA. Zij is dan ook niet van plan om bij bovenwettelijke aanvullingen in cao's deze niet algemeen verbindend te verklaren.

De fracties van D66 en OSF vonden het opmerkelijk dat de regering zoveel vertouwen in de sociale partners heeft op dit punt. Al per 1 mei 2005 (dus voordat de minister zei vertrouwen in de sociale partners te hebben) was er al sprake van bovenwettelijke afspraken op de WIA. En wel in de cao voor de Metaal en Techniek (380 000 werknemers). Hierin worden de gevolgen van de WGA gerepareerd. Deze gang van zaken zou een sterke vermindering van de prikkels die wet wil geven betekenen. Vindt de regering dat door deze afspraken de WGA aan doeltreffendheid inboet?

Is de regering van plan om de CAO voor Metaal en Techniek met bovenwettelijke aanvullingen op de WIA algemeen verbindend te verklaren?

De leden van de fracties van SGP/CU deelden mee van mening te zijn dat ingezet moet worden op behoud van passend werk voor arbeids(on)geschikten. De adviserende en controlerende rol voor het UWV is hierin van groot belang. Wordt deze rol nog uitgebreid zo wilden zij graag weten?

Deze leden vroegen aandacht voor zorgvuldigheid bij de invoering. Met name bij de keuringspraktijk voor de nieuwe regeling voor de volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. Heeft het UWV voldoende beschikbare capaciteit?

De leden van deze fracties waren van mening dat ook voor werknemers met een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%, die bij de eigen werkgever reïntegreert, voldoende reïntegratie-instrumenten beschikbaar moeten zijn. Zij wensten geen onderscheid met de groep boven de grens van 35%.

Deze fracties maakten zich zorgen over de positie van de gedeeltelijk arbeidsgeschikten, die naar hun mening moeite zullen hebben om werk te vinden.

In dit kader wezen zij ook nog op de koppeling van de WGA- en de WW-uitkeringen als men gedeeltelijk arbeidsongeschikt en werkloos wordt. Verschillende loketten in het geval van eigen risicodragerschap. En wellicht is er ook sprake van extra risico van de arbeidsongeschiktheidsregeling. Het is, zo merkten deze leden op, aan de regering hen te overtuigen!

Zij pleitten ervoor dat er voor volledig duurzaam arbeidsongeschikten een hogere loon gerelateerde uitkering moet zijn. Graag de zienswijze van de regering.

Deze leden verzochten de regering te bevorderen dat de stimuleringsmaatregelen om arbeidsgehandicapte werknemers aan te nemen gestroomlijnd worden. De wirwar aan regelingen die nu bestaat moet vereenvoudigd worden zodat een ondernemer makkelijker een beroep kan doen op financiële tegemoetkoming als bij een arbeidsgehandicapte aanneemt.

Is er voor de Wet instroomcijfers WAO nog een sanctie zo wilden zij van de regering weten.

Wat is het effect van de wet die zoveel extra bureaucratische rompslomp creëert?

Is het waar dat het UWV de prognoses over de instroom in IVA en WGR voortdurend bijstelt? Als dit het geval is, wat zijn daarvan de gevolgen?

3. Artikelsgewijs/Stijl, taal- en spelfouten

Art. 4.1.2 lid 2

De leden van de fractie van GL veronderstelden dat het niet de bedoeling kan zijn dat verzekerden geconfronteerd worden met maatregelen terwijl er een deugdelijke grond bestond voor diens weigering te werken aan de verplichtingen die de artt. 7:629 en art. 7:660a BW hem opleggen. Kan de regering bevestigen dat de bestuursrechtelijke verplichtingen in dit artikellid materieel gelijk zijn aan de civielrechtelijke verplichtingen? Kan de regering de stelling onderschrijven dat bij het toepassen van een maatregel wegens overtreding van de verplichting van art. 4.1.2 lid 2 rekening moet worden gehouden met de maatregelen die de werkgever reeds heeft opgelegd?

Art. 4.2.4 lid 1a

In dit artikellid wordt gesproken over structurele functionele beperkingen die naar het oordeel van het UWV bestaan. Was het niet de bedoeling dat het CWI vaststelt of er sprake is van dergelijke beperkingen?

Art. 4.3.2 lid 5

Is de regering het met de leden van de fractie van GL eens dat het UWV de verzekerde diens zienswijze dient te vragen voordat een maatregel als bedoeld in dit artikellid wordt opgelegd louter op aangeven van een reïntegratiebedrijf? Zou aldus niet de indiening van onnodige bezwaarschriften kunnen worden voorkomen?

Art. 5.1

Waarom zijn het bereiken van de 65-jarige leeftijd en het overlijden van de verzekerde uitsluitinggronden en geen beëindigingsgronden?

Stijl-, taal- en spelfouten

Tenslotte vroegen de leden van de fractie van GL nog de aandacht van de regering voor de volgende stijl-, taal- en spelfouten in het wetsvoorstel WIA:

Art. 5.5 lid 3: «wordt» moet zijn: «worden»

art. 5.5 lid 6: «is» moet zijn «zijn»

art. 7.1.2 lid 1 c: «als» moet zijn «dan»

art. 7.1.5 lid 1: «onmiddelijk» moet zijn «onmiddellijk»

art. 12.1.2 lid 2: «welke» moet zijn «welk».

De voorzitter van de commissie,

Van Driel

De griffier van de commissie,

Nieuwenhuizen


XNoot
1

Samenstelling: Van den Berg (SGP), Van Leeuwen (CDA), plv. voorzitter, Swenker (VVD), De Wolff (GL), Kalsbeek-Schimmelpenninck, Van der Oije (VVD), Meulenbelt (SP), Ten Hoeve (OSF), Van Driel (PvdA), voorzitter, Vedder-Wubben (CDA), V. Dalen-Schiphorst (CDA), Schouw (D66) en Leijnse (PvdA).

Naar boven