C
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 16 december
2005
De leden van de commissie, die met belangstelling kennis hebben genomen
van het wetsvoorstel, wijzen er op dat naar hun mening de percentages die
zijn opgenomen in de artikelen V.B. en VI.B. van het voorstel van wet onjuist
zijn.
Deze opmerking van de commissie ziet op de ingevolge de richtlijn te realiseren
verlaging van de bezitspercentages bedoeld in artikel 4a, tweede lid, van
de Wet op de dividendbelasting 1965; met ingang van 1 januari 2007 tot
15% en met ingang van 1 januari 2009 tot 10%. Op grond
van de huidige tekst zou dit echter niet worden gerealiseerd. Dit zal worden
hersteld in een daartoe geschikt fiscaal wetsvoorstel.
Verder hebben de leden van de fractie van het CDA nog enkele aanvullende
vragen gesteld. Zo vragen zij of bevestigd kan worden dat het Denkavit-arrest1 in de uitvoeringssfeer ook wordt toegepast in relatie
tot Zwitserland.
Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in het Denkavit-arrest
besloten dat de minimumbezitseis in de Moeder-Dochterrichtlijn2 niet tot gevolg mag hebben dat een lidstaat pas na een aaneengesloten
bezitsperiode van twee jaren afziet van de inhouding van de bronheffing op
uitgaande dividenden. Een lidstaat mag wel een voorwaardelijke vrijstelling
geven. De voorwaardelijke vrijstelling verkrijgt een onvoorwaardelijk karakter
op het moment dat komt vast te staan dat aan de bezitsperiode is voldaan.
Indien uiteindelijk blijkt dat de bezitsperiode van twee aaneengesloten jaren
niet is volgemaakt, kan de lidstaat overgaan tot terugvordering van de niet
ingehouden bronheffing. Overigens mag een lidstaat ook kiezen voor een systeem
waarin een (in een andere lidstaat gevestigde) moedermaatschappij na voldoening
van de bezitsperiode het ingehouden bedrag aan dividendbelasting krijgt gerestitueerd.
In reactie op de vraag van deze leden wordt opgemerkt dat de Europese Commissie –
na consultatie met de lidstaten – aan de Zwitserse belastingautoriteiten
heeft laten weten dat het hiervoor bedoelde arrest Denkavit ook van toepassing
is ten aanzien van de in de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen
en Zwitserland genoemde bezitstermijn van twee jaar. Echter, zoals hierna
uiteengezet wordt heeft de toepassing van het arrest Denkavit thans in de
relatie tot Zwitserland geen aanvullende betekenis.
De fractieleden van het CDA vragen verder of kan worden bevestigd dat
waar in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting
1965 wordt verwezen naar de Moeder-Dochterrichtlijn, in de uitvoeringssfeer
ook Zwitserland wordt begrepen.
De werkingssfeer van de Moeder-Dochterrichtlijn strekt zich niet uit tot
Zwitserland, en ook in de uitvoeringssfeer wordt dit als zodanig behandeld.
Dit geldt eveneens voor de bezitspercentages die in de richtlijn zijn opgenomen.
Mogelijk is hier verwarring over ontstaan omdat abusievelijk in de nota naar
aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer is opgenomen dat Nederland
vanaf 1 juli 2005, de inwerkingtredingsdatum van de overeenkomst,
voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling Zwitserland moet behandelen
alsof het een lidstaat van de Europese Unie is. Dit is echter onjuist. Tot
uitdrukking had moeten worden gebracht dat in de relatie tot Zwitserland wordt
voorzien in verlaging van bronheffingen tot 0% waardoor vanaf 1 juli
2005, de inwerkingtredingsdatum van de overeenkomst, Nederland moet afzien
van de heffing van dividendbelasting voor zover er is voldaan aan de voorwaarden
van de bedoelde overeenkomst. Overigens zal het belastingverdrag tussen Nederland
en Zwitserland voor deze gevallen vaak al voorzien in een verlaging van de
dividendbelasting naar 0%.
De spaartegoedenovereenkomst geldt tussen Zwitserland en de EU en voorziet
in maatregelen van gelijke strekking als die zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG
van de Raad betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de
vorm van rentebetaling. Verder is in die overeenkomst onder bepaalde voorwaarden
een verlaging van de bronheffing tot 0% geregeld met betrekking tot
uitkeringen van dividenden, rente en royalty’s tussen ondernemingen.
Voor deze verlaging van de bronheffing is aangesloten bij de tekst van de
(oude) Moeder-Dochterrichtlijn en Interest- en royaltyrichtlijn. De spaartegoedenovereenkomst
ziet in het geheel niet op de toepassing van de deelnemingsvrijstelling. Er
is ook geen verplichting voor Nederland om de spaartegoedenovereenkomst op
deze wijze inhoud te geven.
Ten slotte willen deze leden vernemen of de eis dat de moedermaatschappij
de aandelen in een dochtermaatschappij ten minste twee jaar moet houden, evenals
in EU-verhoudingen, met betrekking tot Zwitserland in de uitvoeringssfeer
wordt teruggebracht tot één jaar.
Ook hier is mogelijk sprake van enige verwarring omdat een verband wordt
gelegd met de regeling in de Wet op de dividendbelasting 1965 voor EU-verhoudingen,
die zijn gebaseerd op de werking van de Moeder-Dochterrichtlijn. Echter, zoals
gezegd strekt de werkingssfeer van de Moeder-Dochterrichtlijn zich niet uit
tot Zwitserland, waardoor de verlaging van de bezitseis tot één
jaar in die relatie geen rol speelt. Voor de beantwoording van deze vraag
is het overigens veeleer het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en de Zwitserse Bondsstaat ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied
van belastingen van het inkomen en van het vermogen van belang. In dat verdrag
is in artikel 9, tweede lid, onderdeel a, onder (i), geregeld dat indien de
moedermaatschappij een belang in de dochtermaatschappij houdt van ten minste
25%, de ingehouden bronbelasting kan worden teruggevraagd. Deze regeling
betekent dat geen bezitsperiode in acht hoeft te worden genomen. Dit in tegenstelling
tot de spaartegoedenovereenkomst. Hierbij zij nog wel vermeld dat de onderwerpelijke
verdragsbepaling een anti-misbruikbepaling bevat. Overigens is zeer recent
een besluit1 gepubliceerd waarin een vrijstellingsregeling
wordt gegeven voor de behandeling van bronheffingen in de relatie tussen Nederland
en Zwitserland. Dit besluit leidt er feitelijk toe dat in de relatie
tot Zwitserland met ingang van 1 januari 2005 geen bezitstermijn wordt
toegepast.
De Staatssecretaris van Financiën,
J. G. Wijn