B
MEMORIE VAN ANTWOORD
Ontvangen 6 december 2005
Het kabinet heeft met belangstelling kennis genomen van de inbreng van
de Eerste Kamer.
De leden van de VVD-fractie kunnen zich vinden in de argumenten die voor
opzegging zijn aangedragen. Het opzeggen van een IAO-verdrag is een uitzonderlijke
gebeurtenis. Deze leden zouden graag de lijst van criteria die wordt gehanteerd
bij opzeggingen van IAO-verdragen (brief van 8 mei 1995 aan de Tweede
Kamer) ontvangen.
Het Nederlandse beleid bij het bekrachtigen of opzeggen van verdragen
is vastgelegd in de brief aan de TK van 8 mei 1995 naar aanleiding van
de motie Middelkoop (TK 1994–95, 23 900 XV, nr. 44). Bij opzegging
van een verdrag als gevolg van een herijking van bestaande nationale beleidsdoelstellingen
wordt bezien of de opzegging in de juiste verhouding staat tot het grotere
belang dat met het verdrag wordt gediend. Dit grotere belang zou zijn gelegen
in de internationale signaalfunctie. Ook van belang bij opzegging van een
verdrag is of Nederland hiermee binnen de EU niet uit de toon valt. Dit zou
het geval kunnen zijn als een groot aantal andere EU-lidstaten partij bij
het verdrag is en de opzegging niet past binnen het EU-streven naar beleidsconvergentie.
Verdrag nr. 137 is, naast Nederland, door zeven EU-lidstaten (Finland, Frankrijk,
Italië, Polen, Portugal, Spanje en Zweden) bekrachtigd. Nederland valt
met de opzegging van het verdrag in EU-kader dus niet uit de toon.
De leden van de fractie van de SP zouden graag van de regering willen
weten hoe het opzeggen van Verdrag nr. 137 zich verhoudt tot het verzoek van
de EU om juist dit verdrag te ondertekenen.
In de toelichting bij het voorstel van de Europese Commissie voor een
havendienstenrichtlijn nodigt de Commissie de lidstaten uit verdragen, waaronder
Verdrag nr. 137, te bekrachtigen. De toelichting maakt geen onderdeel uit
van de richtlijn en behelst geen juridisch afdwingbare verplichting. Ook de
bewoordingen die de Commissie in deze oproep («zou ... willen uitnodigen»)
gebruikt geven aan dat de Commissie hierbij niet aan een verplichting of een
voorwaarde denkt.
De Commissie doet de oproep om tegemoet te komen aan de ongerustheid omtrent
de sociale gevolgen die was ontstaan bij het oorspronkelijke Commissievoorstel
uit 2001 en het conciliatiedocument uit 2003. Ze komt aan deze
zorg ook tegemoet door in verschillende artikelen van de nu voorgestelde richtlijn
bepalingen op te nemen dat bestaande internationale en nationale regelgeving
met betrekking tot arbeid niet in haar werking wordt beperkt door de nieuwe
richtlijn1. Daarmee regelt de richtlijn een zeker
minimumniveau van bescherming van sociale wetgeving.
De leden van de SP-fractie vragen of Verdrag nr. 137 niet juist een bijdrage
kan leveren aan het gewenste gelijke speelveld (level playing field) tussen
de zeehavens.
Onder verwijzing naar hetgeen hierboven is uiteengezet, behoren de meest
naaste concurrenten van Nederland, namelijk België, Duitsland en het
Verenigd Koninkrijk, niet bij de EU lidstaten die Verdrag nr. 137 hebben bekrachtigd.
Er bestaan evenmin aanwijzingen dat andere lidstaten overwegen het verdrag
binnenkort te bekrachtigen. Verdrag nr. 137 garandeert dan ook geen level
playing field en dit verandert niet als Nederland het verdrag opzegt.
De leden van de SP-fractie vragen voorts of de veiligheid van de haven
niet beter beschermd is door een pasjessysteem dat de toegang tot de haven
beperkt.
Sinds 1 juli 2004 is er een internationaal beveiligingsregime voor
zeeschepen en havenfaciliteiten van kracht. Dit regime is vastgelegd in de
IMO International Ship and Port Facility Security (ISPS) Code, deel uitmakend
van het al bestaande Verdrag inzake de beveiliging van mensenlevens op zee
en EU Verordening 725/2004. In genoemde regelgeving is echter geen verplichting
opgenomen tot registratie van havenwerkers. Van overheidswege is geen registratie
via een pasjessysteem voor de Nederlandse havens ingevoerd. Vanzelfsprekend
kunnen individuele ondernemingen in havens over eigen pasjessystemen beschikken
voor hun werknemers, eventueel in een samenwerkingsverband met andere ondernemers.
In de Rotterdamse haven loopt momenteel een pilot rondom identificatie van
personen die beroepsmatig op reguliere basis toegang tot het terrein van een
onderneming in de haven willen. Met behulp van de zogenaamde Port Key kan
een bezoeker (de kaartgebruiker) zich bij bezoek aan een havenfaciliteit identificeren.
De regering meent dat een vorm van identificatie decentraal zeer nuttig kan
zijn, maar dat de veiligheid in de haven geen algemeen pasjessysteem vereist.
De veiligheid in de havens is voldoende gewaarborgd door het huidige regime.
De leden van de SP-fractie hebben de vraag gesteld welke bijdrage Verdrag
nr. 137 aan de veilige arbeid in de haven en het niveau van scholing van deze
arbeiders levert.
Voor het antwoord op de mogelijke bijdrage van Verdrag nr. 137 aan de
veilige arbeid in de haven verwijst de regering naar het antwoord op de vraag
hierboven.
Verdrag nr. 137 levert op zich geen bijdrage aan de scholing van werknemers.
Het verdrag verplicht lidstaten ertoe dat voorschriften met betrekking tot
veiligheid, hygiëne, welzijn en beroepsopleiding van arbeiders ook worden
toegepast op havenarbeiders. In Nederland geldt de Arbeidsomstandigheden wet
voor alle arbeiders, dus ook voor havenarbeiders. Na het opzeggen van Verdrag
nr. 137 blijven deze bepalingen van de Arbeidsomstandighedenwet onverkort
van kracht.
Tenslotte vragen de leden van de SP-fractie wat het gevolg is van het
opzeggen van Verdrag nr. 137 voor de werk- en inkomensgaranties voor de havenarbeiders.
In Verdrag nr. 137 is geregeld dat met voorrang werk wordt gegeven aan geregistreerde havenarbeiders. Die voorrangspositie bestaat materieel
al lang niet meer. Immers het Verdrag wordt al niet meer nageleefd sinds 1 januari
2000. Feitelijk verandert er dus niets als Nederland geen partij meer is bij
Verdrag nr. 137. Maar als Nederland partij blijft bij het Verdrag dan moet
er veel gebeuren, nl. de invoering van wet- of regelgeving alsmede de wijziging
van het arbeidsmarktbeleid. Compartimentalisering past niet bij de wens om
de arbeidsmarkt open en flexibel te laten functioneren. Dergelijk beleid staat
haaks op de employability gedachte en maakt het onmogelijk voor werknemers
uit andere sectoren om banen in de havens te aanvaarden. Het bestaan van algemeen
toegankelijke sociale voorzieningen tenslotte, maakt speciale bescherming
van havenwerkers overbodig.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. J. de Geus