E
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR MILIEU1
Vastgesteld 27 september 2005
De memorie van antwoord gaf de leden van de commissie nog aanleiding tot
het stellen van de volgende vragen en het maken van de volgende opmerkingen.
Naar aanleiding van de beantwoording door de staatssecretaris hebben de
leden van de PvdA-fractie nog enkele aanvullende
vragen.
Beleidsaannames
Het rapport van de Algemene Rekenkamer (ARK), «Voortgang bodemsanering»
(8 maart 2005), houdt verband met de praktijk van de bodemsaneringen
waarop ook het voorliggende wetsvoorstel is gericht. De ARK concludeert dat
ramingen vaak tekortschieten, dat kosten worden overschreden en dat de financiering
van de bodemsaneringen op verkeerde veronderstellingen berust, bijvoorbeeld
dat particulieren en bedrijven driekwart van de saneringskosten voor hun rekening
zouden nemen. De ARK noemt dit foutieve aannames die de effectiviteit van
de uitvoering van bodemsaneringsoperaties bedreigen en voor vertragingen zorgen.
In hoeverre, zo vragen de leden van de fractie van de PvdA zich af, neemt
het voorliggende wetsvoorstel deze fundamentele kritiek van de ARK weg en
is er sprake van realistische beleidsaannames?
De ARK erkent dat langdurige trajecten als bodemsaneringen veel onzekerheden
met zich kunnen brengen, zoals de inspanningen van marktpartijen, kostprijsontwikkelingen
en wijzigingen in wet- en regelgeving. De Rekenkamer vindt het daarom van
belang dat de aannames onder het beleid op gezette tijden worden geijkt en
herijkt op basis van praktijkervaringen. In het kader van de uitvoerbaarheid
van de onderliggende wetswijziging vernemen de leden van de fractie van de
PvdA graag op welke wijze de staatssecretaris dat gaat doen.
Sturingsfilosofie
Voorts geeft de Memorie van Antwoord aan dat, indien decentrale overheden
hun verantwoordelijkheid bij de bodemsaneringen niet op verantwoorde wijze
nemen, het Rijk kan ingrijpen. Wanneer is er sprake van onverantwoord handelen
door decentrale overheden en hoe wordt dat beoordeeld? De recente evaluatie
van het bodemsaneringsbeleid en het eerder genoemde rapport van de Rekenkamer
leveren kritiek op de sturingsfilosofie achter het bodemsaneringsbeleid. Dat
raakt onder meer de verdeling van verantwoordelijkheden in het voorliggende
wetsvoorstel. Kan de staatssecretaris de verantwoordelijkheidsverdeling tussen
Rijk, decentrale overheden en marktpartijen preciezer aangeven? In de brief
d.d. 7 april 2005 aan de Tweede Kamer concludeert de staatssecretaris
dat hij een principieel verschil van mening heeft met de Rekenkamer over de
wijze waarop omgegaan moet worden met de verantwoording van middelen die meerjarig
op basis van programma- en prestatieafspraken aan decentrale overheden zijn
verstrekt. Bestaat dit verschil van mening nog steeds en waar komt dat in
de kern op neer?
Klopt het, zo vragen deze leden, dat het Ministerie van VROM in de praktijk
van het voorliggende wetsvoorstel zowel uitvoerder als controleur van bodemsaneringsoperaties
is? In hoeverre leidt dit tot vertraging en een falende controle van bodemsaneringen?
Kan de staatssecretaris toezeggen dat dit bij de evaluatie van het wetsvoorstel
wordt meegenomen? Is de staatssecretaris bereid om alternatieve verantwoordelijkheidsverdelingen
tussen Rijk, decentrale overheden en marktpartijen te overwegen die de verschillende
verantwoordelijkheden en rollen scherper markeren (bijvoorbeeld door de introductie
van een systeem van verhandelbare bodemvervuiling)? Zo nee, waarom niet? Zo
ja, op welke termijn?
Onaanvaardbare en spoedeisende risico's
In de Memorie van Antwoord geeft de staatssecretaris aan dat sanering
niet plaatsvindt als «onaanvaardbare» risico's niet zijn
vastgesteld. Voor het bepalen van situaties waar sprake is van onaanvaardbare
risico's, en spoedeisend moet worden gesaneerd, is een risicobeoordeling
nodig. Hoe staat het met de aangekondigde nadere uitwerking van de criteria
die daarbij gehanteerd moeten worden? In hoeverre is VROM op dit moment in
staat om op basis van een risicobeoordeling de onaanvaardbaarheid en spoedeisendheid
vast te stellen?
De doelstelling van de regering is om voor 2015 een aantal van 1500 spoedeisende
bodemvervuilingen gesaneerd te hebben. Daarnaast moeten een groot aantal spoedeisende
locaties in 2015 een beschikking hebben gekregen. Kan de staatssecretaris
onderbouwen dat deze doelstellingen wel op een verantwoorde wijze gehaald
kunnen worden? Kan hij concreet aangeven waar de kosten neerslaan van de sanering
van de spoedeisende locaties voor 2015 die in de MvA worden genoemd? Klopt
het dat de kosten van deze saneringen voor een belangrijk deel bij de grondeigenaren
neerslaan als zij zelf niet direct verantwoordelijk zijn voor de vervuiling,
bijvoorbeeld omdat ze ten tijde van de vervuiling geen eigenaar van de grond
waren? Klopt het ook dat dit, lezende artikel 55b van het wetsvoorstel, saneringskosten
kan betreffen die verder gaan dan het eigen perceel (bijvoorbeeld aanpalende
percelen)? Dit kan gaan om geringe vervuiling («een pluim verontreiniging
buiten de perceelgrenzen»), maar ook om verontreiniging die tot ver
buiten de grenzen uitstrekt van het terrein waar de verontreiniging is ontstaan.
Bijvoorbeeld bij chemische wasserijen waar het riool heeft gelekt. Is de staatssecretaris
van mening dat het redelijk is als een inmiddels nieuwe eigenaar van het bedrijfsperceel, of van later samengevoegde percelen, verantwoordelijk
is voor de kosten van dergelijke bodemsaneringen? Zo ja, is dit juridisch
geoorloofd? Zo nee, hoe moeten de kosten dan worden verdeeld en gedragen?
In hoeverre kunnen én mogen conflicten omtrent de kostenverdeling en
financiering van spoedeisende bodemsaneringen volgens de staatssecretaris
de voortgang ervan belemmeren? Welke instrumenten kan hij inzetten indien
conflicten rond de financiering tot vertragingen leiden?
Tenslotte menen de leden van de fractie van de PvdA dat er ook andere
dan de door de regering genoemde maatregelen mogelijk zijn om tot bodemsanering
te komen, bijvoorbeeld maatregelen op biologisch gebied. Is de staatssecretaris
bereid om dergelijke alternatieven nader te onderzoeken?
De leden van de fractie van de PvdA-fractie zien de antwoorden van de
staatssecretaris met belangstelling tegemoet.
De voorzitter van de commissie,
Meindertsma
De griffier van de commissie,
Van Dooren
XNoot
1Samenstelling:
Leden: Ketting (VVD) (plv. voorzitter), Meindertsma
(PvdA) (voorzitter), Lemstra (CDA), Bierman-Beukema
toe Water (VVD), Van der Lans (GL), Van Middelkoop (CU), Hessing (LPF), Ten
Hoeve (OSF), Nap-Borger (CDA), Slagter-Roukema (SP), Van Dalen-Schiphorst
(CDA), Schouw (D66) en Putters (PvdA).
Plv. Leden: Swenker (VVD), Witteman (PvdA), Wagemakers (CDA), Pormes (GL),
Van den Berg (SGP), Pastoor (CDA), Van Raak (SP), Van Gennip (CDA) en Engels
(D66).