Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2004-200529719 nr. A

29 719
Wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 in verband met invoering prestatiebeurs in een deel van de beroepsopleidende leerweg en meeneembaarheid studiefinanciering voor deze leerweg in het buitenland

A
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

21 december 2004

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het beroepsonderwijs voorzover het betreft een vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding, een prestatiebeurs in te voeren, alsmede studiefinanciering toe te kennen voor een opleiding in de beroepsopleidende leerweg in het buitenland;

Dat daarvoor onder meer de Wet studiefinanciering 2000 moet worden gewijzigd;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I. WET STUDIEFINANCIERING 2000

De Wet studiefinanciering 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In alfabetische rangschikking wordt ingevoegd:

afsluitend examen:

a. voor wat betreft hoofdstuk 4 het examen, bedoeld in artikel 7.4.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding die Onze Minister heeft aangewezen ingevolge artikel 2.13a,

b. voor wat betreft de hoofdstukken 5 en 10 het examen, bedoeld in artikel 7.10a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, alsmede het daarmee overeenkomende examen van een opleiding die Onze Minister heeft aangewezen ingevolge artikel 2.14,

opleiding niveau 1 of 2:

a. assistentopleiding en basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs,

b. andere opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel f, van die wet, waarvan bij ministeriële regeling is aangegeven dat deze voor de toepassing van deze wet wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2, en

c. opleiding die Onze Minister heeft aangewezen ingevolge artikel 2.13a en waarvan hij heeft aangegeven dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2,

opleiding niveau 3 of 4:

a. vakopleiding, middenkaderopleiding en specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c, d en e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs,

b. andere opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel f, van die wet, waarvan bij ministeriële regeling is aangegeven dat deze voor de toepassing van deze wet wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4, en

c. opleiding die Onze Minister heeft aangewezen ingevolge artikel 2.13a en waarvan hij heeft aangegeven dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4, specialistenopleiding: specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs,.

2. In de begripsomschrijving van beroepsonderwijs wordt «artikel 2.14, voor zover de opleiding als beroepsonderwijs is aangemerkt» vervangen door: artikel 2.13a.

B

Artikel 2.3, vierde lid, komt te luiden:

4. In afwijking van het derde lid behoudt een studerende bij het bereiken van de leeftijd van 30 jaren zijn aanspraak tot de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 34 jaren heeft bereikt, zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering geniet.

C

Aan het opschrift van artikel 2.4 wordt toegevoegd: in Nederland.

D

Artikel 2.5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt na «deelnemer» ingevoegd: als bedoeld in artikel 2.4.

2. Toegevoegd wordt een vierde lid, luidende:

4. De aanspraak op studiefinanciering vervalt over het tijdvak waarover een deelnemer de gegevens, bedoeld in artikel 4.19, niet verstrekt. Zolang hij deze gegevens over een studiejaar niet verstrekt, heeft hij tevens geen aanspraak op studiefinanciering voor de daarop volgende studiejaren. Indien hij ontbrekende gegevens alsnog levert, herleeft de aanspraak.

E

Na artikel 2.7 wordt ingevoegd artikel 2.7a, luidende:

Artikel 2.7a. Geen aanspraak meer

Een deelnemer aan een opleiding niveau 3 of 4 die na 31 juli van het jaar waarin deze wet in werking treedt, voor het eerst studiefinanciering ontving voor het volgen van beroepsonderwijs, heeft geen aanspraak op studiefinanciering beroepsonderwijs:

a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op de prestatiebeurs, bedoeld in artikel 4.7, gedurende 36 maanden een lening heeft genoten, of

b. indien er 10 jaren verstreken zijn met ingang van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering in de zin van de paragrafen 4.1.2 of 4.2.3 is toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs.

F

Artikel 2.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt na «afsluitend examen» ingevoegd: hoger onderwijs.

2. In onderdeel b wordt na «prestatiebeurs» ingevoegd: hoger onderwijs.

G

Artikel 2.13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt na «aanspraak op de prestatiebeurs» ingevoegd: in het hoger onderwijs.

2. Na onderdeel b wordt na de komma toegevoegd: of.

3. Onderdeel c vervalt, onder verlettering van onderdeel d tot onderdeel c.

H

Voor artikel 2.14 wordt ingevoegd artikel 2.13a, luidende:

Artikel 2.13a. Buitenlandse opleidingen beroepsonderwijs

1. Voor studiefinanciering kan een deelnemer in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een bij ministeriële regeling aangewezen opleiding buiten Nederland.

2. Onze Minister geeft bij de aanwijzing van een opleiding aan of deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2 of een opleiding niveau 3 of 4.

I

Artikel 2.14 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het opschrift wordt toegevoegd: hoger onderwijs.

2. In het eerste lid wordt «studerende» vervangen door: student.

3. In het tweede lid vervalt «de WEB of» en vervalt de tweede volzin.

J

Na artikel 2.15 wordt ingevoegd artikel 2.15a, luidende:

Artikel 2.15a. Geen aanspraak op gift bij samenloop

1. De deelnemer die na 31 juli van het jaar waarin deze wet in werking treedt, voor het volgen van beroepsonderwijs voor het eerst studiefinanciering ontving en die aanspraak heeft op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2.

2. De deelnemer die aanspraak heeft op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2 in Nederland.

3. De deelnemer die voor 1 augustus van het jaar waarin deze wet in werking treedt, voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving en die studiefinanciering ontvangt voor een opleiding op niveau 3 of 4 buiten Nederland, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 1 of 2.

4. De deelnemer die voor 1 augustus van het jaar waarin deze wet in werking treedt, voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving en die studiefinanciering ontvangt voor een beroepsopleiding buiten Nederland, heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding niveau 3 of 4 in Nederland.

K

Artikel 2.16 komt te luiden:

Artikel 2.16. Geen aanspraak beroepsonderwijs na eerdere aanspraak

1. De deelnemer heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor een opleiding op niveau 1 of 2, indien hij reeds 4 jaren prestatiebeurs voor het volgen van een opleiding beroepsonderwijs heeft genoten.

2. De studerende heeft geen aanspraak op studiefinanciering beroepsonderwijs indien hij reeds 4 jaren studiefinanciering heeft genoten voor het volgen van een opleiding in het hoger onderwijs.

L

Hoofdstuk 4 komt te luiden:

HOOFDSTUK 4. BEROEPSONDERWIJS

AFDELING 4.1. BEROEPSONDERWIJS IN NEDERLAND

Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening

Artikel 4.1. Reikwijdte

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing:

a. op deelnemers die in Nederland een opleiding niveau 1 of 2 volgen, en

b. op deelnemers die in Nederland een beroepsopleiding volgen en die voor 1 augustus van het jaar waarin deze wet in werking treedt, voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontvingen.

Artikel 4.2. Vorm waarin studiefinanciering wordt verstrekt

Studiefinanciering wordt verstrekt in de vorm van een gift of een lening.

Artikel 4.3. Langdurige afwezigheid in het beroepsonderwijs

1. De studiefinanciering van de deelnemer die zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken, bestaat met uitzondering van de reisvoorziening geheel uit een lening met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de afwezigheid zonder geldige reden aanving. De periode van 5 weken wordt verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.

2. In afwijking van het eerste lid kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat voor soorten van beroepsonderwijs het eerste lid van overeenkomstige toepassing is, indien een deelnemer in een of meer onderwijseenheden zonder geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen.

3. Onder afwezigheid met geldige reden wordt uitsluitend verstaan afwezigheid wegens ziekte van de deelnemer, welke ziekte uitsluitend kan worden aangetoond door middel van een gedagtekende verklaring van een arts, of afwezigheid wegens bijzondere familieomstandigheden.

Artikel 4.4. Weer aanwezig binnen 8 weken

Artikel 4.3 is niet van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de deelnemer weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, voor zover die studiefinanciering niet reeds mede op grond van een andere bepaling dan dit artikel, de vorm van een lening had. Voorwaarde voor de toepassing van de vorige volzin is dat de deelnemer aan het onderwijs is gaan deelnemen binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken. De periodes van 5 en 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.

Artikel 4.5. Langdurige afwezigheid in het niet bekostigd beroepsonderwijs

1. Het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling, bedoeld in artikel 2.4, onderdeel b, uitgaat of de natuurlijke persoon die deze instelling in stand houdt, stelt uiterlijk op de derde werkdag na afloop van een periode van afwezigheid van 5 weken de deelnemer in kennis dat daarvan in de administratie van de instelling een aantekening is gemaakt en verzoekt de deelnemer om opgaaf van de reden van de afwezigheid.

2. Uiterlijk op de vijfde werkdag na de periode van 8 weken stelt het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon vast:

a. of de reden die de deelnemer binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken gaf voor zijn afwezigheid, een geldige is, of

b. dat de deelnemer binnen 8 weken na de aanvang van de periode van 5 weken geen reden heeft opgegeven voor zijn afwezigheid.

3. Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon stelt tevens uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van de periode van 8 weken vast of de deelnemer voor het einde van die periode weer aan het onderwijs is gaan deelnemen.

4. Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon meldt uiterlijk de vijfde werkdag na afloop van een periode van 8 weken aan de IB-Groep dat de deelnemer gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 weken zonder opgave van geldige reden niet aan het onderwijs heeft deelgenomen. Tevens meldt hij, indien die deelnemer voor het einde van die periode van 8 weken weer aan het onderwijs is gaan deelnemen, de datum daarvan.

5. De periodes van 5 en 8 weken worden verlengd met de weken waarin vanwege vakantie geen onderwijs werd verzorgd.

6. Het bestuur van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon stuurt gelijktijdig met de mededelingen, bedoeld in het vierde lid, een afschrift van de gegevens die over de betrokkene aan de IB-Groep zijn verstrekt, aan deze betrokkene en geeft daarbij tevens aan dat afwezigheid als bedoeld in artikel 4.3, gevolgen heeft voor de studiefinanciering van betrokkene, alsmede welke beroepsgang voor betrokkene open staat tegen de mededelingen, bedoeld in het vierde lid.

Paragraaf 4.1.2. Studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs

Artikel 4.6. Reikwijdte

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die in Nederland een opleiding niveau 3 of 4 volgen, en die na 31 juli van het jaar waarin deze wet in werking treedt, voor het volgen van beroepsonderwijs voor het eerst studiefinanciering ontvingen.

Artikel 4.7. Vorm waarin studiefinanciering wordt verstrekt

1. Studiefinanciering, met uitzondering van de basislening en de aanvullende lening, wordt voor een opleiding niveau 3 of 4 binnen en buiten Nederland tezamen gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, met dien verstande dat de aanvullende beurs in de eerste 12 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat wordt verstrekt in de vorm van een gift.

2. Indien een deelnemer een specialistenopleiding volgt en hij 4 jaren studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs heeft genoten, wordt aan hem studiefinanciering, met uitzondering van de basislening en de aanvullende lening, voor die opleiding op aanvraag gedurende ten hoogste 2 jaren verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.

3. Indien aan de voorwaarden, bedoeld in deze paragraaf, wordt voldaan wordt de prestatiebeurs omgezet in een gift.

4. Studiefinanciering wordt gedurende in totaal ten hoogste 36 maanden na de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2004 € 770,53. Tevens kan een reisvoorziening worden verstrekt.

Artikel 4.8. Vorm waarin reisvoorziening wordt verstrekt

1. In afwijking van artikel 4.7, eerste en tweede lid, wordt de studiefinanciering in de vorm van een reisvoorziening verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs gedurende het in deze leden bedoelde aantal jaren, vermeerderd met 3 jaren. Indien artikel 4.12 is toegepast, wordt de uitkomst van de vorige volzin met 1 jaar vermeerderd.

2. Het deel van de prestatiebeurs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, is gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde die daarvoor per studerende door het vervoerbedrijf aan Onze Minister in rekening wordt gebracht. De waarde wordt berekend door de voorlopige vergoeding voor het lopende kalenderjaar te corrigeren naar de correctie die de voorlopige vergoeding voor het voorafgaande kalenderjaar onderging. Dit deel van de prestatiebeurs wordt niet uitbetaald of verrekend.

3. Indien de prestatiebeurs niet kan worden omgezet in een gift, wordt de tegenwaarde van de reisvoorziening kwijtgescholden over een maand waarover de kaart is ingeleverd of niet is uitgereikt. In afwijking van artikel 1.2 is bepalend de toestand op enig moment van de maand. De over het kwijt te schelden bedrag opgebouwde rente gaat dan teniet. De kwijtschelding is niet van toepassing op een maand waarin de reisvoorziening in de vorm van een bedrag in geld is verstrekt of een vergoeding als bedoeld in artikel 3.25, is toegekend.

Artikel 4.9. Diplomatermijn beroepsonderwijs

De diplomatermijn beroepsonderwijs is een periode van 10 jaren. Deze periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarover voor het eerst prestatiebeurs is toegekend voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4.

Artikel 4.10. Omzetting in gift bij afstuderen binnen diplomatermijn

1. Indien een deelnemer binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de aan hem ingevolge artikel 4.7, eerste lid, toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.

2. Indien een deelnemer binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een specialistenopleiding met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de aan hem ingevolge artikel 4.7, tweede lid, toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.

3. Indien een deelnemer binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg heeft afgelegd, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs verstrekt in de vorm van een gift indien hij een andere opleiding niveau 3 of 4 aanvangt.

4. Met een afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 of een afsluitend examen van een specialistenopleiding wordt gelijkgesteld het afsluitend examen van een opleiding in het hoger onderwijs.

5. Omzetting vindt plaats per 1 januari volgend op het kalenderjaar waarin de IB-Groep heeft vastgesteld dat een deelnemer heeft voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 4.11. Stoppen voor 1 februari

Indien een deelnemer in het eerste jaar van een opleiding voor het eerst prestatiebeurs geniet en hij in dat studiejaar ophoudt studiefinanciering te genieten vóór 1 februari, en hij niet over datzelfde studiejaar opnieuw studiefinanciering voor het volgen van een opleiding niveau 3 of 4 dan wel voor hoger onderwijs krijgt toegekend, wordt op zijn aanvraag per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het einde van dat studiejaar de over dat studiejaar toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.

Artikel 4.12. Eenmalige verlenging duur prestatiebeurs

De IB-Groep verlengt op aanvraag van de deelnemer de duur van de prestatiebeurs eenmalig met 1 jaar indien de deelnemer blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis niet in staat is het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 met goed gevolg af te ronden binnen dat aantal jaren prestatiebeurs.

Artikel 4.13. Arbeidsongeschiktheid

Indien een deelnemer op enig moment binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs 80% of meer arbeidsongeschikt wordt in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift.

Artikel 4.14. Bijzondere omstandigheden

1. Indien een deelnemer als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.

2. Indien een deelnemer als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is met goed gevolg het afsluitend examen van een opleiding niveau 3 of 4 te behalen, wordt de aan hem toegekende prestatiebeurs omgezet in een gift. Onder bijzondere omstandigheden van structurele aard kunnen in ieder geval worden verstaan functiebeperking of chronische ziekte.

3. Indien een deelnemer als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, ontvangt de deelnemer bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak op studiefinanciering.

4. De IB-Groep stelt op aanvraag van de deelnemer vast of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van dit artikel. De bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond door gedagtekende verklaringen van een arts en de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven. Indien de bijzondere omstandigheden uitsluitend van niet-medische aard zijn, volstaat een gedagtekende verklaring van de natuurlijke persoon of het bestuur van de rechtspersoon van de onderwijsinstelling waar de deelnemer is ingeschreven.

Artikel 4.15. Tenietgaan rente

Bij omzetting van een prestatiebeurs of een deel daarvan in een gift gaat de over het om te zetten bedrag opgebouwde rente teniet.

AFDELING 4.2. BEROEPSONDERWIJS BUITEN NEDERLAND

Paragraaf 4.2.1. Algemeen

Artikel 4.16. Reikwijdte beroepsonderwijs buiten Nederland

Deze afdeling is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven voor het volgen van beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.13a.

Paragraaf 4.2.2. Opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland

Artikel 4.17. Reikwijdte

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven voor het volgen van een opleiding die Onze Minister heeft aangewezen ingevolge artikel 2.13a en waarvan hij heeft aangegeven dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 1 of 2.

Artikel 4.18. Studiefinanciering

1. Studiefinanciering wordt gedurende ten hoogste 4 jaren verstrekt in de vorm van een gift.

2. Studiefinanciering wordt gedurende 36 maanden na de periode, bedoeld in het eerste lid, verstrekt in de vorm van een lening. Het bedrag dat per maand kan worden geleend, bedraagt in afwijking van de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, 3.13 en 3.18, naar de maatstaf van 1 januari 2004€ 770,53. Tevens kan een reisvoorziening worden verstrekt.

Artikel 4.19. Studievoortgang

1. Een deelnemer verstrekt jaarlijks binnen een door de IB-Groep te bepalen termijn aan de IB-Groep een gewaarmerkt afschrift van het bewijs waaruit blijkt voor welke maanden van het desbetreffende studiejaar hij is ingeschreven voor de opleiding waarvoor hij studiefinanciering heeft aangevraagd.

2. Een deelnemer verstrekt jaarlijks binnen een door de IB-Groep te bepalen termijn aan de IB-Groep een gewaarmerkt afschrift van een overzicht van in het desbetreffende studiejaar behaalde studieresultaten.

Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland

Artikel 4.20. Reikwijdte

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op deelnemers die zijn ingeschreven voor het volgen van een opleiding die Onze Minister heeft aangewezen ingevolge artikel 2.13a en waarvan hij heeft aangegeven dat deze wordt aangemerkt als een opleiding niveau 3 of 4.

Artikel 4.21. Studiefinanciering

1. De artikelen 4.7, eerste, derde en vierde lid, 4.8, 4.9, 4.10, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 4.11, 4.12, 4.13, 4.14 en 4.15 zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Artikel 4.19 is van overeenkomstige toepassing voorzover de studiefinanciering in de vorm van een gift is toegekend.

Artikel 4.22. Berichtenstroom tussen deelnemer en IB-Groep

1. De deelnemer zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn, een gewaarmerkt bewijs van het met goed gevolg afleggen van het afsluitend examen van de opleiding aan de IB-Groep en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs. Op het gewaarmerkt bewijs vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten.

2. De omzetting, bedoeld in artikel 4.10, vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag. Zo spoedig mogelijk na de omzetting stelt de IB-Groep de deelnemer daarvan in kennis.

Paragraaf 4.2.4. Afwijkingsmogelijkheid afdeling 4.2

Artikel 4.23. Afwijkingsmogelijkheid afdeling 4.2

Voorzover deze afdeling daarin niet voorziet, alsmede indien noodzakelijk, kunnen in afwijking van het in deze afdeling bepaalde bij ministeriële regeling regels worden vastgesteld ten behoeve van een goede uitvoering van deze afdeling.

M

In artikel 5.3, derde lid, wordt «wordt omgezet in lening» vervangen door: niet kan worden omgezet in een gift.

N

Artikel 5.5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het opschrift wordt toegevoegd: hoger onderwijs.

2. Na «diplomatermijn» wordt ingevoegd: hoger onderwijs.

O

Artikel 5.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het opschrift wordt toegevoegd: hoger onderwijs.

2. In het eerste en het tweede lid wordt na «diplomatermijn» telkens ingevoegd «hoger onderwijs» en wordt na «van een opleiding» telkens ingevoegd: in het hoger onderwijs.

P

Artikel 5.9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en het tweede lid wordt «vindt plaats op 1 januari» vervangen door: vindt plaats per 1 januari.

2. In het tweede lid wordt na «diplomatermijn» ingevoegd: hoger onderwijs.

Q

In artikel 5.15 wordt na «diplomatermijn» ingevoegd: hoger onderwijs.

R

In artikel 5.16, eerste lid, wordt na «diplomatermijn» ingevoegd: hoger onderwijs.

S

In artikel 6.2, tweede lid, wordt «ingevolge hoofdstuk 5» vervangen door: ingevolge de hoofdstukken 4 of 5.

T

In artikel 9.1 wordt «2.13, onderdeel d» vervangen door: 2.13, onderdeel c.

U

In artikel 9.5, zevende lid, wordt na «afsluitend examen» ingevoegd: van een opleiding in het hoger onderwijs.

V

In artikel 11.1 wordt na «aanvullende beurs,» ingevoegd: 4.7, 4.18,.

W

Na artikel 12.1a wordt ingevoegd artikel 12.1aa, luidende:

Artikel 12.1aa. Afwijking van artikel 2.3

Op de deelnemer die voor 1 augustus van het jaar waarin deze wet in werking treedt, voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving, blijft artikel 2.3, vierde lid, zoals dat luidde op 31 juli van het jaar waarin deze wet in werking treedt, van toepassing zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering geniet.

ARTIKEL II. WIJZIGING VAN DE WET EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS

Aan artikel 8.1.7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs wordt een negende lid toegevoegd, luidende:

9. Onder «deelnemer» als bedoeld in het vijfde en zevende lid wordt verstaan de deelnemer die

a. een assistentopleiding of een basisberoepsopleiding volgt als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a of b,

b. een andere opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel f, volgt waarvan bij ministeriële regeling is aangegeven dat deze voor de toepassing van de Wet studiefinanciering 2000 wordt aangemerkt als een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a of b, of

c. voor 1 augustus van het jaar waarin deze wet in werking treedt, studiefinanciering in de zin van de Wet studiefinanciering 2000 ontving.

ARTIKEL III. WIJZIGING VAN DE WET INKOMSTENBELASTING 2001

In artikel 6.29, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt «artikel 5.2» vervangen door «artikel 4.7, eerste en tweede lid, of artikel 5.2» en wordt «hoofdstuk 5» vervangen door: hoofdstuk 4, respectievelijk hoofdstuk 5.

ARTIKEL IV. WIJZIGING VAN DE WET TEGEMOETKOMING ONDERWIJSBIJDRAGE EN SCHOOLKOSTEN

In artikel 2.22 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt na «in de zin van» ingevoegd: de hoofdstukken 5 of 10 van.

ARTIKEL V. EVALUATIE

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt over de eerste twee jaren na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens over de eerste vier jaren na de inwerkingtreding van deze wet, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet voor wat betreft afdeling 4.2 in de praktijk.

ARTIKEL VI. JAARTAL VAN INWERKINGTREDING

In deze wet wordt bij de plaatsing in het Staatsblad in artikel I waar het betreft de artikelen 2.7a, 2.15a, 2.16, 4.1, 4.6 en 12.1aa van de Wet studiefinanciering 2000 en artikel II waar het betreft artikel 8.1.7, vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs «van het jaar waarin deze wet in werking treedt,» telkens vervangen door het jaartal van inwerkingtreding.

ARTIKEL VII. INWERKINGTREDING

Deze wet treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,