E
NADERE MEMORIE VAN ANTWOORD
Ontvangen 9 november 2004
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het nader voorlopig verslag
van de Eerste Kamer met betrekking tot de wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen
in verband met de invoering van de bestuurlijke boete.
De leden van de fractie van de PvdA vragen in dit verslag naar de positie
van zelfstandigen uit Bulgarije en Roemenië die in Nederland werkzaamheden
als zelfstandigen uitoefenen en hoe het Nederlandse beleid en de uitvoering
daarvan zich verhouden tot het recht op vestiging van zelfstandigen uit deze
landen, zoals dat is neergelegd in de Associatieovereenkomsten die de Europese
Unie met deze landen heeft afgesloten.
Op grond van artikel 45 van het Associatieverdrag met Bulgarije (het verdrag
met Roemenië kent een identieke bepaling) verleent Nederland voor de
vestiging van Bulgaarse vennootschappen en onderdanen een behandeling die
niet minder gunstig is dan voor Nederlandse vennootschappen en onderdanen.
Onder vestiging wordt verstaan:
1. voor onderdanen, het recht op toegang tot en uitoefening van economische
activiteiten anders dan in loondienst, alsmede het recht ondernemingen, met
name vennootschappen waarover zij daadwerkelijk zeggenschap hebben, op te
richten en te beheren. De toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst
en de exploitatie van een handelsonderneming door onderdanen strekt zich niet
uit tot het zoeken naar of aannemen van werk op de arbeidsmarkt van een andere
Partij en geeft evenmin recht op toegang tot de arbeidsmarkt van de andere
Partij. Het bepaalde in dit hoofdstuk is niet van toepassing op degenen die
niet uitsluitend zelfstandig zijn;
2. voor vennootschappen, het recht op toegang tot en de uitoefening van
economische activiteiten door middel van de oprichting en het beheer van dochterondernemingen,
filialen en agentschappen.
Het Hof-EG heeft in een aantal arresten aangegeven dat dit artikel een
rechtstreekse werking heeft (o.a. arresten Gloszczuk, C-63/99, 27-09-2001
en Jany, C -268/99, 20–11–2001).
Zoals in de memorie van antwoord al is weergegeven, is het recht op vestiging
niet absoluut, maar kan het worden beperkt door regels betreffende de toelating,
verblijf en vestiging van de lidstaat van ontvangst. Zo zal de IND bij de
aanvraag om een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige
toetsen of de desbetreffende persoon daadwerkelijk zelfstandige is en ook
of hij voldoende middelen van bestaan heeft.
Pas nadat de Bulgaarse of Roemeense burger aan deze voorwaarden voldoet,
kan hij worden toegelaten tot Nederland en mag hij zijn economische activiteiten
als zelfstandige uitoefenen.
Hierbij dient te worden opgemerkt dat bij een beoogd verblijf van ten
hoogste drie maanden (de zogenoemde «vrije termijn») de Bulgaarse
en Roemeense onderdaan, geen verblijfsvergunning behoeft aan te vragen (artikel
12 Vreemdelingenwet 2000). Echter, indien het voornemen bestaat om langer
dan drie maanden in Nederland te verblijven, verstrijkt de eerder genoemde
vrije termijn reeds op de achtste dag na binnenkomst (artikel 3.3, derde lid,
Vreemdelingenbesluit 2000).
Wat betreft de toepasbaarheid van de Wet arbeid vreemdelingen en de uitvoering
daarvan, kan ik het volgende meedelen. Vanwege het brede werkgeversbegrip
van de Wet arbeid vreemdelingen (art.1, sub b, Wav) bestaat er in beginsel
voor alle arbeid die verricht wordt door een vreemdeling, ongeacht de juridische
vorm, voor de werkgever/opdrachtgever een verplichting te beschikken over
een tewerkstellingsvergunning. Alleen indien de wet expliciet een uitzondering
maakt, vervalt deze verplichting. In art. 3, tweede lid, Wav is een dergelijk
uitzondering gemaakt voor vreemdelingen die beschikken over een vergunning
tot verblijf voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. Omdat een zelfstandige
die meer dan drie maanden in Nederland beoogt te verblijven over een verblijfsvergunning
voor het verrichten van arbeid als zelfstandige moet beschikken, hoeft een
opdrachtgever van deze zelfstandige geen tewerkstellingsvergunning aan te
vragen. Een zelfstandige die korter dan drie maanden in Nederland wil verblijven,
behoeft, zoals hierboven is weergegeven, geen verblijfsvergunning aan te vragen.
De uitzondering van art. 3, tweede lid Wav is daarom niet van toepassing en
zijn opdrachtgever moet eerst over een tewerkstellingsvergunning beschikken
alvorens de zelfstandige voor hem een opdracht mag uitvoeren.
Evenmin als de IND de verblijfsvergunning toetst op de aanwezigheid van
een wezenlijk Nederlands economisch belang, zal CWI de aanvraag om een tewerkstellingsvergunning,
indien het om een Bulgaar of Roemeen gaat die daadwerkelijk arbeid als zelfstandige
verricht, mogen toetsen op de aanwezigheid van prioriteitgenietend arbeidsaanbod.
De rechtstreekse werking van het hierboven genoemde art. 45 van de Associatieovereenkomst
staat dit in de weg. De toets die CWI verricht heeft slechts betrekking of
de betrokken Bulgaar of Roemeen metterdaad zelfstandige is, dan wel of er
niet – formeel of feitelijk – sprake is van arbeid in loondienst.
Zoals reeds in de memorie van antwoord is vermeld, laten de Associatieovereenkomsten
de mogelijkheid van toetsing vooraf of de betrokkene daadwerkelijk zelfstandige
is. Bij een verblijf langer dan 3 maanden, voert de IND deze toets uit, bij
een verblijf korter dan 3 maanden, de CWI. De maximale duur van de tewerkstellingsvergunning
bedraagt dan ook 3 maanden.
Naar aanleiding van de door u genoemde brief van CWI heeft het Ministerie
van SZW contact gehad met CWI. CWI heeft daarin aangegeven dat zij conform
de rechten die de Associatieovereenkomsten toekennen aan zelfstandigen, een
aanvraag om een tewerkstellingsvergunning voor Bulgaarse of Roemeense
zelfstandigen niet meer zal toetsen aan de aanwezigheid van prioriteitgenietend
arbeidsaanbod.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H. A. L. van Hoof