D
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN
WERKGELEGENHEID1
Vastgesteld 16 november 2004
Na lezing van de memorie van antwoord bestond binnen de vaste commissie
voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid nog behoefte tot het stellen van enkele
nadere vragen en het maken van enkele nadere opmerkingen.
De leden van de CDA-fractie hadden na kennisneming
van de memorie van antwoord behoefte aan de navolgende opmerkingen, alsmede
aan een antwoord op een concreet voorstel.
Deze leden hadden allereerst moeten constateren, dat de minister de stelling,
dat de scholing té lang heeft geduurd omdat er geen sprake was van
een financiële prikkel om de uitkeringsduur te beperken vooralsnog niet
heeft kunnen onderbouwen. In de tweede plaats stelt de minister, dat er nu
een systeem is, waarbij de uitkeringsgerechtigde zoveel mogelijk verlenging
van de uitkering kan krijgen door zoveel mogelijk, zo laat mogelijk en zo
lang mogelijk te gaan scholen en dat deze opmerking in het licht van de thans
beschikbare gegevens eveneens niet kan worden onderbouwd. Bovendien zegt deze
stelling, naar het oordeel van deze leden, evenzo veel, ja zelfs meer over
de wijze, waarop de uitvoeringsorganen en reïntegratiebedrijven invulling
geven aan hun opdracht binnen het kader van de wetgeving en de bedoelingen
met de wetgeving. De uitkeringsgerechtigde kan immers niet zonder toestemming
beginnen aan een reïntegratietraject, waarvan nut en noodzaak door anderen
zijn vastgesteld.
Dat zo zijnde, ligt er de verplichting om zo snel mogelijk een scholingstraject
ook voor de gehandicapte werkloze te regelen en op grond van het wetsvoorstel
zoveel mogelijk af te stemmen op de duur van de uitkering. Ook duale trajecten
zijn hierbij onmisbaar. Het is immers al té gemakkelijk te veronderstellen,
dat een arbeidsgehandicapte werkloze de scholing zonder uitkering kan afmaken
(waarvan moet hij dan leven ?). Ook de scholing tezamen met betaalde arbeid
voortzetten kán onder bepaalde omstandigheden voor gehandicapte werklozen
een té zware opgave blijken, een brug té ver zijn.
Juist voor deze categorie is altijd de inzet geweest, dat een noodzakelijk
geacht traject van scholing, vaak ook omscholing, moet kunnen worden voltooid.
De leden van de CDA-fractie wilden er dan ook vooralsnog van uitgaan,
dat – voorzover na een uiterste krachtsinspanning om het scholingstraject
tijdens de duur van de uitkering te voltooien – dit toch niet mogelijk
blijkt te zijn en de arbeidsgehandicapte uitkeringsgerechtigde wel alle medewerking
heeft verleend, het voltooien van het scholingstraject met behoud van de uitkering
alsnog mogelijk zal worden gemaakt.
In de veronderstelling, dat het gestelde in de memorie van antwoord –
citaat – «voor het UWV en voor de reïntegratiebedrijven zijn
inmiddels systemen ontwikkeld, waarmede een effectieve en efficiënte
inzet van scholing wordt bevorderd» juist is, zal bij de hierboven gekozen
uitgangsstelling een fractie van de benodigde 32 miljoen euro voor de uitvoering
van het voorstel nodig zijn. De leden van de CDA-fractie meenden, dat het
noodzakelijk is aan de scholing van met name arbeidsgehandicapte werklozen
bijzondere aandacht te blijven geven. Uit dien hoofde wilden deze leden het
risico van afgebroken scholingen – buiten de schuld van deze gehandicapten –
niet lopen evenmin als de minister, naar zij veronderstelden. De leden van
de CDA-fractie gingen er dan ook vanuit, dat de minister hierop positief zal
willen reageren.
Het voorstel noodzaakt wel tot een extra alertheid een zorgvuldigheid
van het UWV en de reïntegratiebedrijven. Een dergelijke aanpak zal er
overigens ook toe kunnen bijdragen, dat de cliënt in de toekomst weet
wat hij van het UUWV kan verwachten, ook bij het afsluiten van reïntegratietrajecten.
(zie rapport Algemene Rekenkamer).
De leden van de fracties van VVD, GroenLinks, SP, D66,
CU, SGP, LPF en OSF sloten zich bij dit
voorstel aan.
In reactie op de memorie van antwoord van de minister hadden de leden
van de PvdA-fractie nog de volgende vragen:
De minister geeft aan het antwoord op de vraag naar de aard en duur van
gevolgde scholingen en de effectiviteit van deze scholingen schuldig te moeten
blijven. Ook een garantie over een spoedige aanvang van noodzakelijk geachte
reintegratietrajecten kan niet gegeven worden. Waarop is dan de stelling gebaseerd
dat het onderhavige wetsvoorstel zal bijdragen aan de effectiviteit en efficiëntie
van de reïntegratie, in het bijzonder van personen met een arbeidshandicap?
In de beantwoording van de vraag naar de verkieslijkheid van een eenmalige
investering in tijd en geld boven het steeds maar weer (her)plaatsen in zogenaamde
dead end jobs (tijdelijk werk zonder uitzicht op verbetering) verwijst de
minister naar «diverse onderzoeken», waaruit zou zijn gebleken
dat scholing niet per definitie tot een grotere kans op werk leidt. Ook is
uit deze onderzoeken niet gebleken van een direct verband tussen het volgen
van een scholing en de duurzaamheid van een plaatsing, aldus de minister.
Kan de minister dit nader preciseren? Welke onderzoeken ondersteunen deze
vaststelling? Hoe is naar een dergelijk direct verband gezocht? Is dit verband
niet gevonden of is na onderzoek gebleken dat zo'n verband niet bestaat? Zo
het dit laatste is, hoe verklaren de onderzoekers deze contra-intuitieve vaststelling?
Wat is opvatting van de Commissie Het Werkend Perspectief terzake?
In het antwoord op de vraag naar de gevolgen van de beëindiging van
de reïntegratieuitkeringen voor gemeenten geeft de minister aan dat het
«doorgaans niet het geval is», dat iemand na afloop van de WW-periode
en nog tijdens de scholing in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering.
Tevens geeft hij aan dat indien de scholing langer duurt dan de werkloosheidsuitkering
en de betrokkene niet tijdens de scholing ook kan gaan werken, hij in aanmerking
kan komen voor een uitkering op grond van de WWB, indien hij aan de voorwaarden
voldoet.
Waarop is de «doorgaans niet het geval» vaststelling gebaseerd?
Hoe verhoudt deze zich tot de tweede constatering?
De leden van de fracties van CDA, VVD, GroenLinks,
SP, D66, CU, SGP, LPF en OSF sloten zich
bij bovenstaande vragen aan.
De voorzitter van de commissie,
Van Driel
De griffier van de commissie,
Nieuwenhuizen