29 507
Regels voor de financiële dienstverlening (Wet financiële dienstverlening)

A
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

5 oktober 2004

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen voor de financiële dienstverlening;

Zo is het dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1. REIKWIJDTE EN DEFINITIES

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt – voor zover niet anders is bepaald – verstaan onder:

a. aanbieden: het rechtstreeks of middellijk doen van een voldoende bepaald voorstel tot het als wederpartij aangaan van een overeenkomst met een consument inzake een financieel product;

b. adviseren: het aanbevelen van een of meer specifieke financiële producten aan een bepaalde consument;

c. adviseur: degene die adviseert, voorzover hij ten aanzien van het aanbevolen financiële product niet tevens optreedt als aanbieder, gevolmachtigde agent, ondergevolmachtigde agent of bemiddelaar;

d. beleggingsobject: een zaak of een recht op een zaak welke door een consument tegen betaling wordt verkregen, bij welke verkrijging aan de consument door de financiële dienstverlener een rendement in geld in het vooruitzicht wordt gesteld en waarbij het beheer van de zaak hoofdzakelijk door de financiële dienstverlener wordt uitgevoerd of door een derde in opdracht van de financiële dienstverlener of de consument. Onder beleggingsobject worden niet verstaan de financiële producten, bedoeld in onderdeel m, onder 1° tot en met 6°, 8° en 9°;

e. bemiddelen: alle werkzaamheden gericht op het als tussenpersoon tot stand brengen van overeenkomsten inzake financiële producten tussen consumenten en aanbieders, of, voor zover het overeenkomsten ten aanzien van verzekeringen of krediet betreft, bestaande uit het assisteren bij het beheer en de uitvoering van dergelijke overeenkomsten;

f. bijkantoor: een bijkantoor als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel k, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 of artikel 1, eerste lid, onderdeel n, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993;

g. consument: de niet in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep handelende natuurlijke persoon aan wie een financiële dienstverlener een financiële dienst verleent of aan wie deze voornemens is een financiële dienst te verlenen;

h. duurzame drager: ieder hulpmiddel dat een consument in staat stelt om persoonlijk aan hem gerichte informatie op te slaan op een wijze die deze informatie toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de informatie kan dienen, en die een ongewijzigde reproductie van de opgeslagen informatie mogelijk maakt;

i. effect: een effect als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 in samenhang met artikel 2 van die wet;

j. effectief kredietvergoedingspercentage: de bij de uitvoering van een overeenkomst inzake krediet overeenkomstig de betalingsregeling aan de consument in rekening te brengen kredietvergoeding, uitgedrukt in een percentage op jaarbasis van het uitstaand saldo, berekend op bij ministeriële regeling vast te stellen wijze;

k. elektronisch geld: een betaalmiddel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel p, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, uitgegeven door een onderneming of instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van die wet;

l. financiële dienst:

1° aanbieden;

2° adviseren, voorzover dit niet plaatsvindt door een financiële dienstverlener die tevens optreedt als aanbieder, bemiddelaar, gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent ten aanzien van het aanbevolen financiële product;

3° bemiddelen;

4° herverzekeringsbemiddelen;

5° het optreden als gevolmachtigde agent of als ondergevolmachtigde agent;

m. financieel product:

1° een betaalrekening met inbegrip van de daaraan verbonden betaalfaciliteiten;

2° een effect;

3° elektronisch geld;

4° krediet;

5° een spaarrekening met inbegrip van de daaraan verbonden spaarfaciliteiten;

6° een verzekering;

7° een beleggingsobject;

8° een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen ander financieel product;

9° een combinatie van twee of meer van de onder 1° tot en met 8° genoemde producten;

n. gemeentelijke kredietbank: een aanbieder van krediet, opgericht door een of meer gemeenten;

o. gevolmachtigde agent: degene die als gevolmachtigd vertegenwoordiger van een aanbieder voor diens rekening overeenkomsten aangaat met consumenten inzake verzekeringen.

p. Groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat indien een natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap:

1° via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur invloed kan uitoefenen op een of meer andere natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen; of

2° in een of meer andere rechtspersonen of vennootschappen een deelneming heeft als bedoeld in artikel 24c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel, voor zover het natuurlijke personen betreft, een met een deelneming overeenkomende positie, die natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap tezamen met die andere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap dan wel natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen wordt aangemerkt als groep;

q. herverzekeringsbemiddelen: alle werkzaamheden gericht op het als tussenpersoon tot stand brengen van overeenkomsten waarbij risico's uit overeenkomsten inzake verzekeringen worden overgenomen, of bestaande uit het assisteren bij het beheer en de uitvoering van dergelijke overeenkomsten;

r. krediet: geldkrediet of goederenkrediet, waarbij wordt verstaan onder:

1° geldkrediet: het aan een consument ter beschikking stellen van een geldsom, waarbij de consument gehouden is ter zake een of meer betalingen te verrichten;

2° goederenkrediet: het aan een consument verschaffen van het genot van een roerende zaak of een effect of het verlenen van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen dienst, dan wel het aan een consument of een derde ter beschikking stellen van een geldsom terzake van het aan die consument verschaffen van het genot van een roerende zaak of een effect of het verlenen van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen dienst, waarbij de consument gehouden is ter zake een of meer betalingen te verrichten;

s. levensverzekering: de verzekering, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993;

t. lidstaat: een staat die lid is van de Europese Unie alsmede een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

u. moederonderneming: een moederonderneming als bedoeld in artikel 1 van de zevende richtlijn nr. 83/349/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g, van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (PbEG L 193);

v. onderbemiddelaar: de bemiddelaar die bemiddelt voor een andere bemiddelaar;

w. ondergevolmachtigde agent: degene aan wie een gevolmachtigde agent of een ondergevolmachtigde agent een ondervolmacht heeft afgegeven;

x. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;

y. overeenkomst op afstand: elke overeenkomst inzake een financieel product tussen een financiële dienstverlener en een consument die wordt gesloten in het kader van een door de financiële dienstverlener georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverrichting op afstand, waarbij tot en met de totstandkoming van deze overeenkomst uitsluitend gebruik gemaakt wordt van een of meer technieken voor communicatie op afstand;

z. reclame-uitingen: iedere vorm van informatieverstrekking door, namens of mede namens een financiële dienstverlener, gericht op consumenten, die dient ter aanprijzing of een wervend karakter kent ter zake van een bepaalde financiële dienst;

aa. Richtlijn verzekeringsbemiddeling: richtlijn nr. 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling (PbEG L 9);

bb. techniek voor communicatie op afstand: ieder middel dat, zonder gelijktijdige fysieke aanwezigheid van financiële dienstverlener en consument, kan worden gebruikt voor het verlenen van financiële diensten tussen die partijen;

cc. toezichthouder: de Stichting Autoriteit Financiële Markten;

dd. verbonden bemiddelaar: de bemiddelaar bedoeld in artikel 12, eerste lid.

ee. verzekering: de verbintenis tot het doen van een of meer uitkeringen tegen het genot van een door de consument te betalen premie, waarbij voor partijen geen zekerheid bestaat, dat, wanneer of tot welk bedrag enige uitkering moet worden gedaan, of hoe lang de premiebetaling zal duren en waarbij de uitkering zowel een geldelijke als een niet-geldelijke prestatie kan zijn.

Artikel 2

1. Deze wet is niet van toepassing op financiële diensten die niet worden verricht in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

2. Deze wet is voorts niet van toepassing op:

a. financiële diensten die worden verleend door verenigingen en onderlinge waarborgmaatschappijen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf;

b. financiële diensten die worden verleend door verzekeraars als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdelen a tot en met f, en derde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993;

c. financiële diensten die worden verleend door effectenbemiddelaars als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;

d. financiële diensten die worden verleend door vermogensbeheerders als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;

e. het aanbieden van effecten bij uitgifte;

f. financiële diensten die worden verleend door beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, alsmede door beheerders als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van die wet, voor zover het betreft het verrichten van financiële diensten ten aanzien van rechten van deelneming in de betrokken beleggingsinstellingen door de beleggingsinstellingen zelf onderscheidenlijk door de aan die beleggingsinstellingen verbonden beheerders;

g. het bemiddelen in verzekeringen, voorzover:

1° de verzekering slechts kennis vergt van de verzekeringsdekking die geboden wordt;

2° de verzekering geen levensverzekeringovereenkomst is en geen aansprakelijkheidsrisico's dekt;

3° de betreffende bemiddelaar een andere hoofdberoepswerkzaamheid heeft dan verzekeringsbemiddeling;

4° de verzekering een aanvulling is op de levering van een zaak of de verrichting van een dienst door de betreffende bemiddelaar, hetgeen het geval is indien de betreffende verzekering het risico dekt van defect, verlies of beschadiging van door die bemiddelaar geleverde zaken dan wel het risico dekt van beschadiging of verlies van bagage of andere risico's die verband houden met een bij die bemiddelaar geboekte reis, ook indien de verzekering levensverzekering- of aansprakelijkheidsrisico's dekt mits dat een bijkomende dekking is ten opzichte van de hoofddekking betreffende de met die reis verband houdende risico's; en

5° het bedrag van de jaarlijkse premie niet hoger is dan € 500 en de volledige looptijd van de verzekering, met inbegrip van eventuele verlengingen, niet langer is dan een periode van vijf jaar.

h. financiële diensten ten aanzien van verzekeringen met betrekking tot buiten de lidstaten gesitueerde risico's en verplichtingen;

i. het door openbare lichamen ter uitvoering van een wettelijke taak aanbieden van krediet;

j. financiële diensten die worden verleend door geregistreerde geldtransactiekantoren als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren;

k. financiële diensten ten aanzien van krediet waarbij het effectief kredietvergoedingspercentage op het tijdstip van aangaan van de overeenkomst inzake het krediet niet meer bedraagt dan de wettelijke rente, bedoeld in artikel 120, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, indien geen openbaar aanbod wordt gedaan tot het deelnemen aan die overeenkomst;

l. financiële diensten ten aanzien van krediet bestaande uit een overeenkomst van huur en verhuur of waartoe een zodanige overeenkomst behoort, tenzij deze betrekking heeft op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen zaken en de strekking heeft dat het verschaffen van het genot van de zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft, al dan niet door verlenging van die overeenkomst of het aangaan van een nieuwe overeenkomst, langer dan zes maanden zal duren;

m. financiële diensten ten aanzien van krediet bestaande uit het in ontvangst nemen van roerende zaken van een consument tegen het ter beschikking stellen van een geldsom aan de consument waarbij de consument gehouden is terzake een of meer betalingen te verrichten, voor zover de vordering op de consument uit hoofde van deze betalingsverplichting teniet gaat indien de betreffende roerende zaken door de financiële dienstverlener te gelde worden gemaakt;

n. financiële diensten ten aanzien van krediet waarbij is overeengekomen dat geen van de terzake verschuldigde betalingen van de consument later plaatsvindt dan drie maanden nadat de geldsom ter beschikking is gesteld, het genot van een roerende zaak is verschaft, dan wel een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen dienst is verleend.

Artikel 3

1. Deze wet is niet van toepassing op financiële diensten die kunnen worden aangemerkt als dienst van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 15d, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, indien de dienstverlener is gevestigd in een andere lidstaat dan Nederland.

2. Indien ter bescherming van een van de belangen, bedoeld in het vierde lid, onder a, van artikel V van de Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel maatregelen noodzakelijk zijn, kan de toezichthouder, zonodig met toepassing van het vijfde lid van dat artikel, bepalen dat deze wet geheel of gedeeltelijk, in afwijking van het eerste lid, van toepassing is op een financiële dienst als bedoeld in dat lid.

Artikel 4

1. Hetgeen bij of krachtens de hoofdstukken 2 en 5, alsmede artikel 28, eerste lid, is bepaald is niet van toepassing op de financiële dienstverlening door een gemeentelijke kredietbank waarop artikel 55 van toepassing is.

2. Hetgeen bij of krachtens de artikelen 26, eerste en tweede lid, en 27, eerste lid, is bepaald is niet van toepassing op de gemeentelijke kredietbank die geen rechtspersoonlijkheid bezit.

Artikel 5

Hetgeen bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 is bepaald, is, met uitzondering van artikel 37, niet van toepassing op herverzekeringsbemiddeling.

Artikel 6

Ingeval van financiële diensten ten aanzien van een verzekering of ten aanzien van een financieel product dat bestaat uit een combinatie van financiële producten waarvan een verzekering deel uitmaakt, wordt voor de toepassing van deze wet met uitzondering van de artikelen 40 en 41 onder consument mede verstaan de in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep handelende natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een financiële dienstverlener een financiële dienst verleent of aan wie deze voornemens is een financiële dienst te verlenen.

Artikel 7

Voor de toepassing van deze wet wordt onder aanbieden van een financieel product mede verstaan het als wederpartij aangaan, beheren of uitvoeren van een overeenkomst met een consument inzake een financieel product.

Artikel 8

Paragraaf 2 van hoofdstuk 3 is niet van toepassing op financiële diensten ten aanzien van de verzekering van grote risico's als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.

Artikel 9

1. Indien de belangen die deze wet beoogt te beschermen anderszins voldoende worden beschermd kan bij ministeriële regeling vrijstelling worden verleend van het in artikel 10 bedoelde verbod en van hetgeen overigens bij of krachtens deze wet is bepaald.

2. Aan een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld.

HOOFDSTUK 2 TOEGANG TOT DE MARKT

§ 1. Vergunningplicht en ontheffingen

Artikel 10

Het is verboden in of vanuit Nederland een financiële dienst te verlenen zonder daartoe van de toezichthouder een vergunning te hebben verkregen.

Artikel 11

1. De toezichthouder verleent een vergunning indien de aanvrager heeft aangetoond te voldoen aan hetgeen bij en krachtens paragraaf 1 van hoofdstuk 3 van deze wet is bepaald.

2. De toezichthouder vermeldt in de vergunning de financiële producten en de financiële diensten waarvoor zij is verleend.

3. De toezichthouder kan aan een vergunning voorschriften verbinden en beperkingen stellen met het oog op een adequaat toezicht op de naleving van de bij en krachtens deze wet gestelde regels.

Artikel 12

1. Het verbod, bedoeld in artikel 10, is niet van toepassing op de bemiddelaar die bemiddelt voor een aanbieder, of meerdere aanbieders indien het niet om onderling concurrerende financiële producten gaat, en die, ingeval het bemiddeling in verzekeringen betreft, in naam en voor rekening van de aanbieder of aanbieders bemiddelt zonder daarbij premies of voor de consument bestemde bedragen te innen, indien de aanbieder voor wie de bemiddelaar bemiddelt:

a. volledig verantwoordelijk is voor de bemiddelaar, in die zin dat de aanbieder er voor zorg draagt dat de bemiddelaar voldoet aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, en

b. de betrokken bemiddelaar als «verbonden bemiddelaar» heeft aangemeld bij de toezichthouder.

2. De aanbieder die niet langer verantwoordelijk is als bedoeld in het eerste lid, onder a, voor een bemiddelaar, doet daarvan mededeling aan de toezichthouder en de betrokken bemiddelaar.

Artikel 13

1. Het verbod, bedoeld in artikel 10, is niet van toepassing op:

a. de verzekeraar met zetel buiten Nederland, voor zover het die verzekeraar ingevolge de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 of de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf is toegestaan in Nederland werkzaamheden te verrichten;

b. de verzekeringsbemiddelaar of herverzekeringsbemiddelaar die in een andere lidstaat is geregistreerd in de zin van artikel 3 van de Richtlijn Verzekeringsbemiddeling en aan wie het ingevolge artikel 3, vijfde lid, van die richtlijn is toegestaan zijn werkzaamheden in Nederland aan te vangen, voor zover het de werkzaamheden betreft die het deze bemiddelaar volgens het register van zijn lidstaat van herkomst is toegestaan te verrichten;

c. de kredietinstelling of de financiële instelling met zetel in een andere lidstaat, voor zover het die instelling ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992 is toegestaan in Nederland werkzaamheden te verrichten, met uitzondering van het aanbieden van krediet.

2. Paragraaf 1 van hoofdstuk 3 is niet van toepassing op de financiële dienstverleners, bedoeld in het eerste lid. In afwijking van de vorige volzin is artikel 28 van toepassing op de financiële dienstverlener aan wie het ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992 is toegestaan door middel van een bijkantoor in Nederland werkzaamheden te verrichten.

Artikel 14

1. De volgende financiële dienstverleners beschikken van rechtswege over een vergunning als bedoeld in artikel 10:

a. de kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° van de Wet toezicht kredietwezen 1992, die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a, van die wet is ingeschreven in het in dat artikel bedoelde register;

b. de kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a, van die wet is ingeschreven in het in dat artikel bedoelde register, voor zover het die kredietinstelling is toegestaan werkzaamheden als bedoeld in die wet te verrichten;

c. de kredietinstelling of financiële instelling die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder b, c, d, f of g, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is ingeschreven in het in dat artikel bedoelde register, voor zover het die instelling is toegestaan krediet aan te bieden;

d. de verzekeraar die in het bezit is van de in artikel 24, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 bedoelde vergunning, voor zover het die verzekeraar is toegestaan werkzaamheden als bedoeld in die wet te verrichten;

e. de verzekeraar die in het bezit is van de in artikel 11 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf bedoelde vergunning, voor zover het die verzekeraar is toegestaan werkzaamheden als bedoeld in die wet te verrichten.

2. De artikelen 20, onder b, c en e, 26, 27, eerste lid, 28, derde lid, en 29 zijn niet van toepassing op de financiële dienstverleners, bedoeld in het eerste lid.

3. De toezichthouder stuurt de in het eerste lid bedoelde financiële dienstverleners een bevestiging van de vergunning.

Artikel 15

1. Aan de financiële dienstverlener, bedoeld in artikel 14, eerste lid, waarvan de vergunning is ingetrokken op grond van artikel 20, verleent de toezichthouder op verzoek een vergunning indien de financiële dienstverlener aantoont dat de intrekkingsgrond op grond waarvan de van rechtswege verleende vergunning is ingetrokken, niet langer op hem van toepassing is.

2. Artikel 20, onder e, is niet van toepassing op een financiële dienstverlener aan wie de toezichthouder op grond van het eerste lid een vergunning heeft verleend.

Artikel 16

1. De toezichthouder kan aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid een vergunning verlenen die mede strekt ten behoeve van bij die rechtspersoon aangesloten instellingen, indien die rechtspersoon:

a. krachtens zijn statuten en de statuten van de bij hem aangesloten instellingen of krachtens een overeenkomst met de bij hem aangesloten instellingen beschikt over voldoende bevoegdheden jegens de aangesloten instellingen om een handelen van een zodanige instelling in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde tegen te kunnen gaan;

b. beschikt over voldoende mogelijkheden tot deskundige ondersteuning van de aangesloten instellingen; en

c. gemachtigd is die instellingen bij de vergunningaanvraag en ook overigens voor de toepassing van dit hoofdstuk te vertegenwoordigen.

2. Voor de toepassing van deze wet gelden handelingen van de aangesloten instelling als handelingen van de rechtspersoon.

3. Indien na het verlenen van een vergunning als bedoeld in het eerste lid een instelling zich aansluit bij de rechtspersoon geldt de vergunning mede voor die instelling, indien de rechtspersoon ten aanzien van deze instelling voldoet aan het eerste lid.

4. De houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid maakt bij de toezichthouder onverwijld melding van de aansluiting van een instelling als bedoeld in het derde lid en van de beëindiging van de aansluiting van een aangesloten instelling.

Artikel 17

1. De toezichthouder stelt regels ten aanzien van de wijze waarop de aanvraag om een vergunning wordt ingediend, de gegevens die daarbij worden verstrekt en de bescheiden die daarbij worden overgelegd.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de aanmelding, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder b, en de mededeling, bedoeld in artikel 12, tweede lid.

Artikel 18

1. De toezichthouder kan, op aanvraag, ontheffing verlenen van het in artikel 10 bedoelde verbod, en van hetgeen overigens bij of krachtens deze wet is bepaald, indien de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken anderszins voldoende worden bereikt.

2. De toezichthouder kan aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden of beperkingen stellen met het oog op het adequaat functioneren van de financiële markten of de positie van de consument op die markten.

§ 2. Intrekking en verval van de vergunning en ontheffing

Artikel 19

1. De vergunning of de ontheffing vervalt, behoudens het bepaalde in het tweede lid:

a. door overlijden van de houder;

b. indien de rechtspersoon waaraan de vergunning of ontheffing is verleend ophoudt te bestaan.

2. Indien zich een van de in het eerste lid bedoelde feiten of omstandigheden voordoet ten aanzien van een van de aangesloten instellingen als bedoeld in artikel 16, dan wel de aansluiting van een dergelijke instelling is beëindigd, vervalt de werking van de vergunning ten behoeve van de betrokken instelling. Indien zich de in het eerste lid, onder b, bedoelde omstandigheid voordoet ten aanzien van de in artikel 16 genoemde rechtspersoon zelf, vervalt de vergunning in haar geheel.

3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de financiële dienstverlener die beschikt over een vergunning op grond van de artikelen 14 of 15. Een zodanige vergunning vervalt zodra:

a. de inschrijving, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a, b of c, vervalt;

b. van het besluit tot intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder d, mededeling is gedaan in de Staatscourant overeenkomstig artikel 150, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993;

c. van het besluit tot intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder e, mededeling is gedaan in de Staatscourant overeenkomstig artikel 61, tweede lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf.

4. Indien op grond van het eerste of tweede lid een vergunning, dan wel de werking daarvan ten behoeve van een aangesloten instelling, vervalt, en de onderneming waarvoor de vergunning werd verleend, onderscheidenlijk waarvoor de vergunning mede geldt, aan een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon is overgedragen of op een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon is overgegaan, blijft de vergunning voor deze andere natuurlijke persoon of rechtspersoon gelden gedurende twee maanden na de dag waarop ingevolge het eerste of tweede lid de vergunning, dan wel de werking daarvan, zou vervallen en, indien binnen die periode door die natuurlijke of rechtspersoon een nieuwe vergunning is aangevraagd, daarna tot het tijdstip waarop de beslissing op de aanvraag onherroepelijk is geworden.

Artikel 20

De toezichthouder kan de voorschriften en beperkingen, bedoeld in de artikelen 11, derde lid, en 18, tweede lid, wijzigen, aanvullen of intrekken, alsnog voorschriften verbinden of beperkingen stellen aan een vergunning of ontheffing, dan wel de vergunning of ontheffing intrekken:

a. op verzoek van de houder;

b. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning of ontheffing zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat de vergunning of ontheffing zou zijn geweigerd, dan wel onder het verbinden van voorschriften of het stellen van beperkingen zou zijn verleend, als bij de behandeling van de aanvraag de juiste gegevens volledig bekend waren geweest;

c. indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de vergunning of ontheffing zou zijn geweigerd, dan wel onder het verbinden van voorschriften of het stellen van beperkingen zou zijn verleend, als deze omstandigheden of feiten op het tijdstip waarop de vergunning of ontheffing werd verleend zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest;

d. indien de houder in staat van faillissement is komen te verkeren, of indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, of indien door een rechterlijke beschikking één of meer goederen van de houder onder een bewind als bedoeld in artikel 380, 409 of 431 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zijn gesteld, of indien de ondercuratelestelling van de houder is uitgesproken;

e. indien de houder:

1° binnen een termijn van twaalf maanden na verlening van de vergunning of de ontheffing geen financiële diensten heeft verricht waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft;

2° het verrichten van financiële diensten waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft gedurende een termijn van meer dan zes maanden heeft gestaakt; of

3° kennelijk opgehouden heeft financiële dienstverlener te zijn;

f. indien de houder niet voldoet aan bij of krachtens deze wet gestelde regels.

Artikel 21

1. De toezichthouder kan aan een financiële dienstverlener als bedoeld in artikel 13 een verbod opleggen tot het verrichten van financiële diensten in Nederland, indien de financiële dienstverlener niet of niet genoegzaam uitvoering heeft gegeven aan een door de toezichthouder op grond van artikel 70 van deze wet gegeven aanwijzing.

2. De toezichthouder stelt de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van de zetel van de financiële dienstverlener in kennis van het door hem opgelegde verbod.

Artikel 22

1. Het in artikel 10 bedoelde verbod is, voor zover het de afwikkeling van overeenkomsten betreft, niet van toepassing op:

a. de voormalige vergunninghouder, onderscheidenlijk de voormalige aangesloten instelling, of de curator in het faillissement van de voormalige vergunninghouder, onderscheidenlijk de voormalige aangesloten instelling, vanaf het tijdstip waarop de vergunning is vervallen of ingetrokken, onderscheidenlijk de werking daarvan is vervallen;

b. de financiële dienstverlener, bedoeld in artikel 13, waarop dat artikel niet langer van toepassing is;

c. de financiële dienstverlener waaraan een verbod als bedoeld in artikel 21 is opgelegd;

2. De toezichthouder kan op een daartoe strekkend verzoek, met het oog op de voortzetting van het bedrijf van een bemiddelaar, indien dit verantwoord is in verband met de adequate functionering van de financiële markten en met de positie van de consument op die markten, ontheffing verlenen van het in artikel 10 bedoelde verbod aan:

a. een der personen die met een overleden bemiddelaar tot het tijdstip van diens overlijden een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad; of

b. een der niet tot de huishouding behorende kinderen van een overleden bemiddelaar.

3. De in het tweede lid bedoelde ontheffing kan met terugwerkende kracht worden verleend tot de datum van overlijden. De ontheffing geldt voor ten hoogste een jaar en kan ten hoogste tweemaal met een jaar worden verlengd.

4. Het eerste lid is niet van toepassing op de gevolmachtigde agent, indien de aanbieder ingeval van beëindiging van de volmacht gebruik maakt van het in artikel 61, tweede lid, bedoelde recht om op een andere wijze dan door belasting van de gevolmachtigde agent te voorzien in het beheer en de afwikkeling van de door de gevolmachtigde agent gevormde verzekeringsportefeuille.

5. De toezichthouder kan terzake van de afwikkeling van overeenkomsten en de voortzetting van een bedrijf door een financiële dienstverlener voorschriften geven met het oog op het adequaat functioneren van de financiële markten of de positie van de consument op die markten.

§ 3. Het register

Artikel 23

1. De toezichthouder houdt een register waarin de vergunninghouders, verbonden bemiddelaars, financiële dienstverleners als bedoeld in de artikelen 13, eerste lid, en 22, eerste lid, en ontheffinghouders zijn ingeschreven, alsmede de aan de desbetreffende vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en de daaraan gestelde beperkingen.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de gegevens betreffende de financiële dienstverleners die in het register worden opgenomen.

3. De toezichthouder haalt de inschrijving in het register door zodra de vergunning of ontheffing onherroepelijk is ingetrokken of vervallen, dan wel een mededeling als bedoeld in artikel 12, tweede lid, is gedaan.

4. De toezichthouder brengt de nodige wijzigingen in de ingeschreven gegevens aan indien zich de situatie, bedoeld in artikel 16, derde lid, voordoet, dan wel de werking van een vergunning voor een aangesloten instelling als bedoeld in artikel 16, eerste lid, vervalt ingevolge artikel 19, tweede lid.

5. De toezichthouder kan de nodige wijzigingen in de ingeschreven gegevens aanbrengen indien haar is gebleken dat de ten aanzien van een financiële dienstverlener ingeschreven gegevens niet overeenstemmen met de werkelijke situatie. Hij doet hiervan aan de financiële dienstverlener onverwijld schriftelijk mededeling.

Artikel 24

1. Het register is openbaar en ligt voor een ieder kosteloos ter inzage.

2. De toezichthouder verstrekt aan een ieder op aanvraag inlichtingen over, kopieën van of uittreksels uit in het register opgenomen gegevens.

3. De toezichthouder stelt de voor de schriftelijke verstrekking van de in het tweede lid bedoelde gegevens verschuldigde bedragen vast, op zodanige wijze dat deze bedragen niet hoger zijn dan de werkelijke kosten, en maakt deze bedragen openbaar.

§ 4. Vestiging bijkantoor en verrichten diensten

Artikel 25

1. De bemiddelaar in verzekeringen en de herverzekeringsbemiddelaar aan wie een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 10 of die beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a, die voornemens is voor het eerst in een of meer andere lidstaten te bemiddelen in verzekeringen, stelt de toezichthouder daarvan in kennis.

2. Binnen een maand na de in het eerste lid bedoelde kennisgeving stelt de toezichthouder de bevoegde autoriteiten van de betreffende lidstaten van dit voornemen in kennis. De toezichthouder meldt de bemiddelaar dat de betreffende lidstaten in kennis zijn gesteld.

3. De bemiddelaar kan één maand nadat hij de in het tweede lid bedoelde melding van de toezichthouder heeft ontvangen zijn bemiddelingswerkzaamheden in de betreffende lidstaat aanvangen.

4. De bemiddelaar kan zijn bemiddelingswerkzaamheden onmiddellijk aanvangen indien van de Europese Commissie is vernomen dat de betreffende lidstaat geen mededeling heeft gedaan als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Richtlijn verzekeringsbemiddeling. Indien dit het geval is meldt de toezichthouder dit aan de bemiddelaar.

HOOFDSTUK 3

§ 1. De financiële dienstverlener

Artikel 26

1. De financiële dienstverlener draagt er zorg voor dat de betrouwbaarheid van de personen die het beleid van de financiële dienstverlener bepalen of medebepalen buiten twijfel staat.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere bij financiële dienstverleners betrokken categorieën van personen worden aangewezen ten aanzien van wie de financiële dienstverlener er zorg voor draagt dat de betrouwbaarheid buiten twijfel staat.

Artikel 27

1. De financiële dienstverlener draagt er zorg voor dat de personen die het dagelijks beleid van de financiële dienstverlener bepalen deskundig zijn in verband met de bedrijfsvoering van de financiële dienstverlener.

2. De financiële dienstverlener draagt zorg voor de deskundigheid van zijn werknemers en van andere personen, die zich onder zijn verantwoordelijkheid rechtstreeks bezighouden met financiële dienstverlening. Hiertoe beschikt in ieder geval een zodanig aantal feitelijk leidinggevenden van de financiële dienstverlener over voldoende vakbekwaamheid dat de kwaliteit van de financiële dienstverlening aan de consument kan worden gewaarborgd.

Artikel 28

1. De administratieve organisatie en het systeem van interne controle van de financiële dienstverlener stellen de toezichthouder in staat toezicht te houden op de naleving van de bij en krachtens deze wet gestelde regels.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op het adequaat functioneren van de financiële dienstverlener en het toezicht op de naleving van de bij en krachtens deze wet gestelde regels, regels worden gesteld ten aanzien van een adequate administratieve organisatie en systeem van interne controle.

3. Met het oog op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, draagt de financiële dienstverlener zorg voor adequate maatregelen, gericht op:

a. het voorkomen van betrokkenheid van de financiële dienstverlener en van zijn werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in de financiële dienstverlener of in de financiële markten in het algemeen schaden;

b. andere bij algemene maatregel van bestuur te noemen onderwerpen.

Artikel 29

De bemiddelaar in verzekeringen en de herverzekeringsbemiddelaar beschikken over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening.

§ 2. De financiële dienstverlening

Artikel 30

1. De financiële dienstverlener draagt er zorg voor dat de door of namens hem verstrekte informatie terzake van een financieel product of financiële dienst, waaronder reclame-uitingen, geen afbreuk doet aan de bij of krachtens deze wet aan de consument te verstrekken informatie.

2. De krachtens deze wet door de financiële dienstverlener verstrekte informatie is feitelijk juist, voor de consument begrijpelijk en niet misleidend.

Artikel 31

1. Voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product verstrekt de financiële dienstverlener de consument informatie voor zover dit redelijkerwijs relevant is voor een adequate beoordeling van dat product.

2. In afwijking van het eerste lid kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat de financiële dienstverlener in daarbij te bepalen gevallen de in dat lid bedoelde informatie geheel of gedeeltelijk na het aangaan van de overeenkomst verstrekt.

3. Gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een financieel product verstrekt de financiële dienstverlener de consument tijdig informatie over:

a. wezenlijke wijzigingen in de informatie, bedoeld in het eerste lid, voor zover deze informatie redelijkerwijs relevant is voor de consument;

b. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere onderwerpen.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de informatie, bedoeld in het derde lid, in daarbij aan te wijzen gevallen uitsluitend op verzoek van de consument wordt verstrekt.

Artikel 32

1. Indien de financiële dienstverlener een consument adviseert:

a. wint hij in het belang van de consument informatie in over diens financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid, voor zover dit redelijkerwijs relevant is voor het advies;

b. draagt hij er zorg voor dat zijn advies, voor zover redelijkerwijs mogelijk, rekening houdt met de onder a. bedoelde informatie;

c. licht hij de overwegingen toe die ten grondslag liggen aan het advies, voorzover dit nodig is voor een goed begrip van het advies.

2. Indien de financiële dienstverlener bij het verlenen van een financiële dienst aan een consument deze niet adviseert, maakt hij dat bij aanvang van de dienstverlening aan deze kenbaar.

Artikel 33

1. Onverminderd de artikelen 31 en 32 informeert de bemiddelaar, voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product, de consument over de volgende onderwerpen:

a. of hij adviseert op grond van de in het tweede lid bedoelde verplichting tot een objectieve analyse; dan wel

b. of hij een contractuele verplichting heeft uitsluitend voor een of meer aanbieders te bemiddelen, in welk geval hij de consument tevens desgevraagd de namen van deze aanbieders mededeelt; dan wel

c. dat hij geen contractuele verplichting heeft uitsluitend voor een of meer aanbieders te bemiddelen en hij niet adviseert op grond van de in het tweede lid bedoelde verplichting tot een objectieve analyse, in welk geval hij de consument desgevraagd tevens de namen mededeelt van de aanbieders waarvoor hij bemiddelt of kan bemiddelen; en

d. op welke wijze hij wordt beloond; en

e. of hij een rechtstreeks of middelijke deelneming van 10% of meer van de stemrechten of van het kapitaal van een bepaalde aanbieder bezit; en

f. of een bepaalde aanbieder of een bepaalde moederonderneming van een aanbieder een rechtstreekse of middelijke deelneming van meer dan 10% van de stemrechten of van het kapitaal van de bemiddelaar bezit; en

g. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere onderwerpen.

2. Indien de bemiddelaar de consument adviseert op grond van een objectieve analyse, baseert hij zijn advies op een analyse van een toereikend aantal op de markt verkrijgbare vergelijkbare financiële producten, zodat hij in staat is een financieel product aan te bevelen dat aan de behoeften van de consument voldoet.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter zake van een beloning of vergoeding voor het bemiddelen in financiële producten, in welke vorm ook, alsmede ter zake van de wijze van uitbetaling daarvan.

Artikel 34

1. Onverminderd de artikelen 31 en 32 informeert de adviseur, voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een financieel product, de consument over de volgende onderwerpen:

a. of hij adviseert op grond van de in het tweede lid bedoelde verplichting tot een objectieve analyse; dan wel

b. of hij een contractuele verplichting heeft uitsluitend voor een of meer aanbieders te adviseren, in welk geval hij de consument tevens desgevraagd de namen van deze aanbieders mededeelt; dan wel

c. dat hij geen contractuele verplichting heeft uitsluitend voor een of meer aanbieders te adviseren en hij niet adviseert op grond van de in het tweede lid bedoelde verplichting tot een objectieve analyse, in welk geval hij de consument desgevraagd tevens de namen mededeelt van de aanbieders waarvoor hij adviseert of kan adviseren; en

d. op welke wijze hij wordt beloond; en

e. of hij een rechtstreeks of middelijke deelneming van 10% of meer van de stemrechten of van het kapitaal van een bepaalde aanbieder bezit; en

f. of een bepaalde aanbieder of een bepaalde moederonderneming van een aanbieder een rechtstreekse of middelijke deelneming van meer dan 10% van de stemrechten of van het kapitaal van de bemiddelaar bezit; en

g. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere onderwerpen.

2. Indien de adviseur de consument adviseert op grond van een objectieve analyse, baseert hij zijn advies op een analyse van een toereikend aantal op de markt verkrijgbare vergelijkbare financiële producten, zodat hij in staat is een financieel product aan te bevelen dat aan de behoeften van de consument voldoet.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter zake van een beloning of vergoeding voor het adviseren over financiële producten, in welke vorm ook, alsmede ter zake van de wijze van uitbetaling daarvan.

Artikel 35

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de informatievoorziening aan de consument door de financiële dienstverlener.

Artikel 36

1. Het bij of krachtens artikel 31, eerste en derde lid, bepaalde is niet van toepassing op de financiële dienstverlener die een financiële dienst verleent door tussenkomst van een bemiddelaar, een gevolmachtigde agent of een ondergevolmachtigde agent.

2. De financiële dienstverlener kan met de bemiddelaar, de gevolmachtigde agent of de ondergevolmachtigde agent overeenkomen dat in afwijking van het eerste lid, niet de bemiddelaar, de gevolmachtigde agent of de ondergevolmachtigde agent maar de financiële dienstverlener zelf aan artikel 31, eerste en derde lid, voldoet.

Artikel 37

1. De financiële dienstverlener draagt zorg voor een adequate behandeling van klachten van consumenten over financiële producten of financiële diensten van de financiële dienstverlener. Hiertoe:

a. beschikt de financiële dienstverlener over een interne klachtenprocedure, gericht op een spoedige en zorgvuldige behandeling van klachten; en

b. is de financiële dienstverlener aangesloten bij een door Onze Minister erkende geschilleninstantie, die geschillen behandelt ten aanzien van de financiële producten of financiële diensten van de financiële dienstverlener.

2. De in het eerste lid onder b genoemde verplichting geldt niet indien er geen erkende geschilleninstantie is die geschillen behandelt ten aanzien van de financiële producten of financiële diensten van de financiële dienstverlener.

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van de erkenning van geschilleninstanties.

Artikel 38

1. De financiële dienstverlener houdt zich aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen nadere regels ten aanzien van de bij de behandeling van de consument in acht te nemen zorgvuldigheid.

2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur die strekt tot wijziging van een reeds vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd, behoudens indien het vaststellen van de algemene maatregel van bestuur naar het oordeel van Onze Minister spoedeisend is.

Artikel 39

Indien de financiële dienstverlener werkzaamheden uitbesteedt aan een derde, draagt hij er zorg voor dat deze derde bij de uitvoering van die werkzaamheden de regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld ten aanzien van die werkzaamheden naleeft. Het uitbesteden van werkzaamheden aan een derde is niet toegestaan indien hierdoor het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt gehinderd.

Artikel 40

1. De consument kan een overeenkomst op afstand zonder een boete verschuldigd te zijn en zonder opgave van redenen ontbinden gedurende veertien kalenderdagen met ingang van de dag waarop die overeenkomst is aangegaan, dan wel, indien dit later is, gedurende veertien kalenderdagen met ingang van de dag waarop de informatie die de financiële dienstverlener hem overeenkomstig artikel 31, eerste lid, dient te verstrekken, door hem is ontvangen.

2. In afwijking van het eerste lid kan de consument een overeenkomst op afstand inzake een levensverzekering zonder boete en zonder opgave van redenen ontbinden gedurende dertig kalenderdagen met ingang van de dag waarop hij van het tot stand komen van de overeenkomst in kennis wordt gesteld, dan wel, indien dit later is, gedurende dertig kalenderdagen met ingang van de dag waarop de informatie die de financiële dienstverlener hem overeenkomstig artikel 31, eerste lid, dient te verstrekken, door hem is ontvangen.

3. Indien de consument gebruik wenst te maken van het in het eerste of tweede lid bedoelde recht, dient hij daarvan voor het verstrijken van de vastgestelde termijn kennis te geven aan de financiële dienstverlener volgens de instructies voor de uitoefening van het in eerste of tweede lid bedoelde recht die hem overeenkomstig artikel 31, eerste lid, zijn gegeven. De kennisgeving wordt als tijdig aangemerkt indien zij schriftelijk of op een voor de financiële dienstverlener beschikbare en toegankelijke duurzame drager is verzonden voor het verstrijken van de termijn.

4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op:

a. overeenkomsten inzake financiële producten waarvan de waarde gedurende de termijn, bedoeld in het eerste of tweede lid, afhankelijk is van ontwikkelingen op de financiële markten of andere markten;

b. overeenkomsten inzake kortetermijnverzekeringen met een looptijd van minder dan één maand;

c. overeenkomsten die op uitdrukkelijk verzoek van de consument volledig zijn uitgevoerd voordat de consument gebruik maakt van het in het eerste of tweede lid genoemde recht;

d. overeenkomsten inzake krediet die zijn ontbonden als bedoeld in de artikelen 7:46e en 7:48e van het Burgerlijk Wetboek;

e. overeenkomsten inzake krediet waarbij hypothecaire zekerheid wordt verleend;

f. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere overeenkomsten.

5. Indien aan de overeenkomst op afstand een andere overeenkomst verbonden is ten aanzien van een zaak of dienst die door de financiële dienstverlener wordt geleverd of door een derde op grond van een overeenkomst tussen de dienstverlener en deze derde, brengt de ontbinding van de overeenkomst op afstand overeenkomstig het eerste of tweede lid van rechtswege en zonder dat de consument een boete verschuldigd is, de ontbinding mee van die verbonden overeenkomst.

Artikel 41

1. Met de uitvoering van een overeenkomst op afstand wordt pas na toestemming van de consument een begin gemaakt.

2. Indien de consument gebruik maakt van zijn in artikel 40, eerste of tweede lid, bedoelde recht, kan de financiële dienstverlener uitsluitend een vergoeding vragen voor het financiële product dat krachtens de overeenkomst op afstand is geleverd. Deze vergoeding is:

a. niet hoger dan een bedrag evenredig aan de verhouding tussen het reeds geleverde product en de volledige uitvoering van de overeenkomst op afstand; en

b. in geen geval zo hoog dat deze als een boete kan worden opgevat.

3. De financiële dienstverlener kan slechts betaling op grond van het tweede lid verlangen indien hij:

a. kan aantonen dat de consument overeenkomstig artikel 31, eerste lid, is geïnformeerd over de in het tweede lid bedoelde vergoeding; en

b. op uitdrukkelijk verzoek van de consument met de uitvoering van de overeenkomst is begonnen voor het verstrijken van de in artikel 40, eerste of tweede lid, genoemde ontbindingstermijn.

4. De financiële dienstverlener betaalt de consument zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen 30 kalenderdagen nadat hij de kennisgeving van de in artikel 40 bedoelde ontbinding heeft ontvangen, al hetgeen hij krachtens de overeenkomst op afstand van hem ontvangen heeft terug, verminderd met het in het tweede lid bedoelde bedrag.

5. De consument geeft de financiële dienstverlener onverwijld, en uiterlijk binnen 30 kalenderdagen nadat hij de kennisgeving van de in artikel 40 bedoelde ontbinding heeft verzonden, alle geldbedragen of zaken terug die hij van de financiële dienstverlener heeft ontvangen.

§ 3. De verhouding tussen aanbieder en bemiddelaar

Artikel 42

1. Met uitzondering van artikel 43 is het bepaalde in deze paragraaf met betrekking tot de verhouding tussen de aanbieder en de bemiddelaar van overeenkomstige toepassing op:

a. de verhouding tussen de gevolmachtigde agent en de bemiddelaar;

b. de verhouding tussen de ondergevolmachtigde agent en de bemiddelaar; en

c. de verhouding tussen de bemiddelaar en de onderbemiddelaar.

2. Het bepaalde in deze paragraaf met betrekking tot de verhouding tussen de aanbieder en de gevolmachtigde agent is van overeenkomstige toepassing op:

a. de verhouding tussen de gevolmachtigde agent en de ondergevolmachtigde agent;

b. de verhouding tussen de ondergevolmachtigde agent en een andere ondergevolmachtigde agent aan wie hij een ondervolmacht heeft verleend.

Artikel 43

De aanbieder draagt ervoor zorg dat de verbonden bemiddelaar, via welke hij overeenkomsten met consumenten aangaat, voldoet aan hetgeen bij en krachtens deze wet is bepaald.

Artikel 44

1. Het is verboden te bemiddelen of als gevolmachtigde agent op te treden voor een aanbieder waarop het verbod, bedoeld in artikel 10, van toepassing is en die niet is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 23, of voor een aanbieder als bedoeld in artikel 13 waaraan een verbod als bedoeld in artikel 21 is opgelegd. Het verbod te bemiddelen of op te treden als gevolmachtigde agent geldt niet voor zover het de aanbieder is toegestaan overeenkomsten af te wikkelen op grond van artikel 22.

2. De bemiddelingsactiviteiten en de activiteiten van de gevolmachtigde agent hebben slechts betrekking op de financiële producten die de aanbieder op grond van deze wet mag aanbieden.

3. Het is een aanbieder verboden financiële producten aan te bieden door middel van een bemiddelaar of een gevolmachtigde agent die niet is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 23, of door een bemiddelaar als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel b, waaraan een verbod als bedoeld in artikel 21 is opgelegd. Het verbod geldt niet voor zover het de bemiddelaar of de gevolmachtigde agent is toegestaan overeenkomsten af te wikkelen op grond van artikel 22.

4. Indien een aanbieder financiële producten aanbiedt door middel van een bemiddelaar of een gevolmachtigde agent, hebben de activiteiten van de aanbieder slechts betrekking op de financiële producten ten aanzien waarvan het de bemiddelaar of de gevolmachtigde agent op grond van deze wet is toegestaan te bemiddelen dan wel op te treden als gevolmachtigde agent.

Artikel 45

1. De aanbieder die door een bemiddelaar voor de eerste maal wordt benaderd met een voorstel tot het aangaan van een overeenkomst inzake een financieel product gaat slechts tot behandeling van dat voorstel over indien hij zich ervan heeft vergewist dat de bemiddelaar voor het bemiddelen in dat financiële product is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 23.

2. De aanbieder gaat eenmaal per twaalf maanden na of de bemiddelaar via wie hij overeenkomsten inzake financiële producten aangaat of die assisteert bij het beheer en de uitvoering van een overeenkomst inzake een financieel product, nog voor deze activiteit in het register, bedoeld in artikel 23, is ingeschreven.

3. De aanbieder gaat tevens na of de bemiddelaar, bedoeld in het tweede lid, nog voor de in dat lid bedoelde activiteit is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 23, indien hij in het kader van de normale bedrijfsvoering signalen ontvangt die bij hem twijfel oproept over deze inschrijving.

Artikel 46

1. De aanbieder gaat pas over tot het verlenen van een volmacht, indien hij zich ervan heeft vergewist dat de gevolmachtigde agent is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 23.

2. De aanbieder gaat eenmaal per twaalf maanden na of de gevolmachtigde agent aan wie hij een volmacht heeft verleend, nog in het register, bedoeld in artikel 23, is ingeschreven.

3. De aanbieder gaat tevens na of de gevolmachtigde agent aan wie hij een volmacht heeft verleend, nog in het register, bedoeld in artikel 23, is ingeschreven, indien hij in het kader van de normale bedrijfsvoering signalen ontvangt die bij hem twijfel oproept over deze inschrijving.

Artikel 47

1. Indien de aanbieder in het kader van de normale bedrijfsvoering constateert dat een bemiddelaar of een gevolmachtigde agent het bij of krachtens paragraaf 1 van dit hoofdstuk bepaalde overtreedt, meldt de aanbieder de geconstateerde overtreding onverwijld aan de toezichthouder.

2. Indien de aanbieder in het kader van de normale bedrijfsvoering constateert dat een bemiddelaar of een gevolmachtigde agent het bij of krachtens deze wet bepaalde, met uitzondering van het bepaalde in paragraaf 1 van dit hoofdstuk, stelselmatig overtreedt, meldt de aanbieder de geconstateerde overtreding onverwijld aan de toezichthouder.

Artikel 48

Degene die tot een melding op de voet van artikel 47 is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij gelet op alle feiten en omstandigheden in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.

Artikel 49

Financiële dienstverleners stellen elkaar over en weer in staat te voldoen aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, voor zover zij daarvoor van elkaar afhankelijk zijn.

Artikel 50

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de in deze paragraaf geregelde verhoudingen tussen financiële dienstverleners.

HOOFDSTUK 4

§ 1. Krediet

Artikel 51

1. De aanbieder wint in het belang van de consument voorafgaande aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet, informatie in over de financiële positie van de consument en beoordeelt, ter voorkoming van overkreditering van de consument, of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is.

2. De aanbieder gaat geen overeenkomst inzake krediet aan met een consument, indien dit, met het oog op voorkoming van overkreditering van de consument, onverantwoord is.

Artikel 52

De aanbieder van krediet neemt deel aan een stelsel van kredietregistratie.

Artikel 53

1. Het is de bemiddelaar verboden voor het verlenen van bemiddeling terzake van krediet een beloning of vergoeding, in welke vorm ook, te bedingen of te aanvaarden van, dan wel in rekening te brengen aan een ander dan de aanbieder van het krediet.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, ten einde een zorgvuldige bemiddeling in krediet te bevorderen, regels worden gesteld ter zake van de beloning of vergoeding, bedoeld in het eerste lid, alsmede ter zake van de wijze van uitbetaling daarvan.

3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op overeenkomsten inzake krediet, bij het aangaan waarvan hypothecaire zekerheid wordt verleend, dan wel overeenkomsten inzake krediet met betrekking waartoe reeds hypothecaire zekerheid bestaat, mits het krediet wordt verleend tegen een voor hypothecaire financieringen van de betrokken aanbieder gebruikelijk effectief kredietvergoedingspercentage.

Artikel 54

Een gemeentelijke kredietbank wordt opgericht en opgeheven bij een daartoe strekkend besluit van burgemeester en wethouders. Het besluit wordt onderworpen aan de goedkeuring van gedeputeerde staten.

Artikel 55

1. Burgemeester en wethouders stellen voor de bedrijfsvoering van de gemeentelijke kredietbank een reglement vast, waaruit voor het aanbieden van krediet in het kader van het uitoefenen van de publieke taak ten minste blijkt op welke wijze zal worden voldaan aan hetgeen is bepaald bij of krachtens deze paragraaf, hoofdstuk 3 van deze wet en de hoofdstukken IV en V van de Wet op het consumentenkrediet.

2. Het reglement wordt onderworpen aan de goedkeuring van gedeputeerde staten.

3. Burgemeester en wethouders zien toe op de naleving door de gemeentelijke kredietbank van het reglement, bedoeld in het eerste lid.

§ 2. Verzekeringen

Artikel 56

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op financiële dienstverlening inzake verzekeringen.

Artikel 57

Het bepaalde in deze paragraaf met betrekking tot de verhouding tussen de aanbieder en de bemiddelaar is van overeenkomstige toepassing op:

a. de verhouding tussen de bemiddelaar en de onderbemiddelaar;

b. de verhouding tussen de gevolmachtigde agent en de bemiddelaar; en

c. de verhouding tussen de ondergevolmachtigde agent en de bemiddelaar.

Artikel 58

Een verzekering welke door bemiddeling van een bemiddelaar tot stand is gekomen of naar de portefeuille van een bemiddelaar is overgeboekt behoort in de relatie tot de betrokken aanbieder tot de portefeuille van die bemiddelaar zolang die verzekering daaruit niet is overgeboekt.

Artikel 59

1. De aanbieder kan slechts met toestemming van de bemiddelaar of diens rechtverkrijgenden een deel of het geheel van diens portefeuille overboeken naar de portefeuille van een andere bemiddelaar.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid boekt de aanbieder op schriftelijk verzoek van een consument diens verzekering uit de portefeuille van een bemiddelaar over naar die van een andere bemiddelaar, tenzij de aanbieder gegronde bezwaren heeft tegen die bemiddelaar.

3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op het door een aanbieder in eigen beheer nemen van een verzekering.

4. De aanbieder verleent op schriftelijk verzoek van een bemiddelaar zijn medewerking aan de gehele of gedeeltelijke overdracht van de portefeuille van die bemiddelaar aan een andere bemiddelaar, tenzij de aanbieder gegronde bezwaren heeft tegen die bemiddelaar.

Artikel 60

1. Tenzij anders wordt overeengekomen of de bemiddelaar zich bij de verzekering tegenover de aanbieder tot betaling van premie en kosten als eigen schuld heeft verbonden, verzorgt de bemiddelaar voor de aanbieder het incasso van de premies. Ter zake van dit premie-incasso is hij jegens de aanbieder te allen tijde rekening en verantwoording schuldig.

2. Tenzij tussen een aanbieder en een bemiddelaar anders is overeengekomen kan de aanbieder de bemiddelaar van het premie-incasso ontheffen, indien:

a. de bemiddelaar niet meer is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 23;

b. de bemiddelaar het premie-incasso in ernstige mate verwaarloost;

c. de bemiddelaar in gebreke blijft namens de aanbieder door hem geïnde premies tijdig aan deze af te dragen; of

d. de bemiddelaar zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen, die de vrees wettigen dat hij niet zal voldoen aan zijn uit het premie-incasso voortvloeiende verplichtingen.

3. In de gevallen waarin in verband met het bepaalde in het tweede lid het premie-incasso door een bemiddelaar eindigt, wordt dit door de aanbieder overgenomen.

§ 3. Volmachten

Artikel 61

1. De beëindiging van een volmacht van een gevolmachtigde agent heeft geen werking tegen derden tot het tijdstip waarop de aanbieder of de gevolmachtigde agent van die beëindiging mededeling heeft gedaan aan de toezichthouder en de toezichthouder het register heeft aangepast.

2. Ingeval een volmacht is beëindigd, kan de aanbieder de gevolmachtigde agent, wiens volmacht is vervallen, belasten met het beheer en de afwikkeling van de door hem gevormde verzekeringsportefeuille. Aan de aanbieder blijft het recht voorbehouden op andere wijze in het beheer en de afwikkeling van die portefeuille te voorzien.

Artikel 62

1. Het bepaalde in artikel 61 met betrekking tot de gevolmachtigde agent is van overeenkomstige toepassing op de ondergevolmachtigde agent.

2. Voor de toepassing van artikel 61 wordt onder de aanbieder mede verstaan de gevolmachtigde agent in zijn kwaliteit van verlener van ondervolmachten.

HOOFDSTUK 5 UITVOERING VAN DE WET

§ 1. De verhouding tussen Onze Minister en de toezichthouder

Artikel 63

Het toezicht op de naleving van hetgeen bij en krachtens deze wet is bepaald, berust bij de toezichthouder.

Artikel 64

De toezichthouder verstrekt Onze Minister desgevraagd de inlichtingen die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van voorgenomen wettelijke voorschriften en algemene beleidsvoornemens, voor zover deze betrekking hebben op het gedrag van financiële dienstverleners jegens consumenten en op het adequaat functioneren van de financiële markten.

Artikel 65

1. Onze Minister kan aan de toezichthouder de gegevens of inlichtingen vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de toezichthouder deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het toezicht, bedoeld in artikel 63, nodig blijkt.

2. De toezichthouder verstrekt aan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen. Indien Onze Minister de toezichthouder vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die onder artikel 84 vallen, is de toezichthouder niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te verstrekken, indien:

a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke financiële dienstverlener die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 11 of waarvan die vergunning is ingetrokken of vervallen, tot een afzonderlijke verbonden bemiddelaar of tot een afzonderlijke financiële dienstverlener als bedoeld in artikel 13, eerste lid, en ten aanzien waarvan overeenkomstig artikel 66 van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, artikel 156 van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 of artikel 71 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 de noodregeling is uitgesproken, surseance van betaling is verleend of die in staat van faillissement is verklaard, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;

b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een aanbieder in staat te stellen zijn bedrijf voort te zetten; of

c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 94, eerste lid, of zijn verkregen naar aanleiding van een verificatie bij een in een andere staat gelegen bijkantoor van een in Nederland gevestigde financiële dienstverlener, tenzij de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die instantie onderscheidenlijk van de toezichthoudende autoriteit van de staat waar de verificatie ter plaatse is verricht.

3. Onze Minister kan een derde opdragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.

4. Onze Minister gebruikt de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de toezichthouder deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.

5. Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen.

Artikel 84 is van toepassing.

6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.

7. De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze Minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.

Artikel 66

1. De toezichthouder brengt jaarlijks over zijn werkzaamheden en bevindingen ingevolge deze wet aan Onze Minister verslag uit.

2. De toezichthouder maakt het verslag openbaar.

Artikel 67

Onze Minister kan de toezichthouder voorschriften geven ter implementatie van richtlijnen van de Raad van de Europese Unie dan wel van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk op het gebied van financiële dienstverlening in de zin van deze wet.

§ 2. Het verkrijgen van informatie door de toezichthouder

Artikel 68

1. De toezichthouder kan bij:

a. de aanvrager van een vergunning;

b. de vergunninghouder;

c. degene op wie een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in de artikelen 9 onderscheidenlijk 18 van toepassing is;

d. degene die deel uitmaakt van een groep waartoe een vergunninghouder behoort;

e. degene waarvan kan worden vermoed dat deze handelt in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels, alle inlichtingen inwinnen, of doen inwinnen, die redelijkerwijs geacht kunnen worden nodig te zijn voor het toezicht op de naleving van deze wet.

2. Degene van wie de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden verlangd, verstrekt deze binnen een door de toezichthouder te stellen termijn.

Artikel 69

Ten aanzien van de personen die door de toezichthouder zijn belast met het inwinnen van inlichtingen of met de uitoefening van andere taken en bevoegdheden die de toezichthouder heeft op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien een onderzoek als bedoeld in artikel 95 wordt ingesteld, degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.

§ 3. Corrigerende en sanctionerende bevoegdheden van de toezichthouder

Artikel 70

1. De toezichthouder kan aan de financiële dienstverlener die handelt in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels of de aan een vergunning verbonden voorschriften of gestelde beperkingen, een aanwijzing geven om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen, teneinde deze strijdigheid op te heffen. De financiële dienstverlener volgt de gegeven aanwijzing op binnen een door de toezichthouder te stellen termijn.

2. De aanwijzing vermeldt de handelingen welke de financiële dienstverlener naar het oordeel van de toezichthouder dient te verrichten of na te laten.

3. Indien de toezichthouder een aanwijzing geeft aan een instelling als bedoeld in artikel 13, stelt de toezichthouder de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van de zetel van de financiële dienstverlener daarvan in kennis.

Artikel 71

1. Indien naar het oordeel van de toezichthouder niet of onvoldoende gevolg is gegeven aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 70, kan de toezichthouder, indien hij dit met het oog op het adequaat functioneren van de financiële markten en het vertrouwen van de consument daarin noodzakelijk acht, de financiële dienstverlener met een vergunning, bedoeld in artikel 11, schriftelijk aanzeggen, dat vanaf een bepaald tijdstip alle of bepaalde organen van de financiële dienstverlener hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring van door een of meer door de toezichthouder aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen, welke aanzegging terstond van kracht wordt.

2. De in het eerste lid bedoelde aanzegging kan ook zonder voorafgaande aanwijzing worden gedaan indien de toezichthouder oordeelt dat ten aanzien van de betreffende financiële dienstverlener onverwijld maatregelen noodzakelijk zijn, nadat hij de financiële dienstverlener in de gelegenheid heeft gesteld zijn mening over de onmiddellijke uitvoering te geven.

3. Met betrekking tot een aanzegging, bedoeld in het eerste of tweede lid, is het volgende van toepassing:

a. de organen van de financiële dienstverlener verlenen de door de toezichthouder aangewezen personen alle medewerking;

b. de toezichthouder kan de betrokken organen van de financiële dienstverlener toestaan bepaalde handelingen zonder machtiging te verrichten;

c. de door de toezichthouder aangewezen personen oefenen hun bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaren na de aanzegging, bedoeld in het eerste lid, behoudens de bevoegdheid van de toezichthouder om deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te verlengen, welke verlenging terstond van kracht wordt;

d. de toezichthouder kan te allen tijde de door hem aangewezen personen vervangen;

e. voor schade ten gevolge van handelingen, welke zijn verricht in strijd met een aanzegging als bedoeld in het eerste lid, zijn degenen die deel uit maken van het orgaan van de financiële dienstverlener dat deze handelingen verrichtte, persoonlijk aansprakelijk tegenover de financiële dienstverlener; de financiële dienstverlener kan de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij wist dat de vereiste goedkeuring ontbrak of daarvan redelijkerwijs niet onkundig kon zijn;

f. zodra de toezichthouder van oordeel is dat de naleving van de regels, bedoeld in artikel 70, eerste lid, voldoende is gewaarborgd, beslist hij dat de betrokken organen van de financiële dienstverlener hun bevoegdheden weer onbeperkt kunnen uitoefenen.

4. Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing op de financiële dienstverleners, bedoeld in de artikelen 13, 14 en 15.

Artikel 72

1. De toezichthouder kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van de voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 9, tweede lid, 10, 11, derde lid, 18, tweede lid, 22, vijfde lid, 25, derde lid, 27, eerste en tweede lid, 28, eerste, tweede en derde lid, 29, 30, eerste en tweede lid, 31, eerste, derde en vierde lid, 32, eerste en tweede lid, 33, eerste tot en met derde lid, 34, eerste tot en met derde lid, 35, 37, eerste lid, 38, 39, 43, 44, eerste, tweede, derde en vierde lid, 45, eerste en tweede lid, 46, eerste en tweede lid, 49, 50, 51, eerste en tweede lid, 52, 53, eerste en tweede lid, 68, tweede lid, 70, eerste lid, 71, derde lid, 95, tweede lid, 97, tweede lid en 100.

2. De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.

3. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 73

1. De toezichthouder kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 9, tweede lid, 10, 11, derde lid, 12, tweede lid, 16, vierde lid, 18, tweede lid, 22, vijfde lid, 25, derde lid, 26, eerste en tweede lid, 27, eerste en tweede lid, 28, eerste, tweede en derde lid, 29, 30, eerste en tweede lid, 31, eerste, derde en vierde, 32, eerste en tweede lid, 33, eerste tot en met derde lid, 34, eerste tot en met derde lid, 35, 37, eerste lid, 38, 39, 43, 44, eerste, tweede, derde en vierde lid, 45, eerste, tweede en derde lid, 46, eerste, tweede en derde lid, 47, eerste en tweede lid, 49, 50, 51, eerste en tweede lid, 52, 53, eerste en tweede lid, 68, tweede lid, 70, eerste lid, 71, derde lid, 95, tweede lid, 97, tweede lid en 100.

2. De bestuurlijke boete komt toe aan de toezichthouder.

3. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 74

1. Het bedrag van de boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt.

2. De bijlage bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen boete.

3. De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd.

4. De toezichthouder kan het bedrag van de boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval onevenredig hoog is.

5. Voor overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 26, tweede lid, 28, tweede lid, 31, tweede en vierde lid, 35, 38, 50, 53, tweede lid of 100 wordt het bedrag van de boete bepaald op de wijze als voorzien in die algemene maatregel van bestuur. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 75

Degene jegens wie door de toezichthouder een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

Artikel 76

1. Indien de toezichthouder voornemens is een boete op te leggen, geeft zij de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.

2. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht, stelt de toezichthouder de betrokkene in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd, tenzij het een overtreding betreft die in de bijlage, bedoeld in artikel 74, is aangewezen.

Artikel 77

1. De toezichthouder legt de boete op bij beschikking.

2. De beschikking vermeldt in ieder geval:

a. het feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift;

b. het bedrag van de boete en de gegevens op basis waarvan dit bedrag is bepaald; en

c. de termijn, bedoeld in artikel 79, waarbinnen de boete moet worden betaald.

Artikel 78

1. De werking van de beschikking tot oplegging van een boete wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

2. In afwijking van het eerste lid wordt de werking van de beschikking tot oplegging van een boete voor een overtreding die op grond van artikel 76, tweede lid, is aangewezen, opgeschort totdat de bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het bezwaar is beslist.

Artikel 79

1. De boete wordt betaald binnen zes weken na de inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.

2. De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken zijn verstreken, tenzij het een overtreding betreft die op grond van artikel 76, tweede lid, is aangewezen.

3. Indien de boete niet tijdig is betaald, stuurt de toezichthouder schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging dat de boete, voor zover deze niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het vierde lid zal worden ingevorderd.

4. Bij gebreke van tijdige betaling kan de toezichthouder de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering, bij dwangbevel invorderen.

5. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

6. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de rechtspersoon die de boete heeft opgelegd.

7. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de voorzieningenrechter desgevraagd anders beslist.

8. Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de boete ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Artikel 80

1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt indien ter zake van de overtreding een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.

2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een overtreding als bedoeld in artikel 72 vervalt, indien de toezichthouder ter zake van die overtreding reeds een boete heeft opgelegd.

Artikel 81

1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt drie jaren na de dag waarop de overtreding is begaan.

2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij een boete wordt opgelegd.

Artikel 82

De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Artikel 83

1. Met het oog op het adequaat functioneren van de financiële markten en de positie van de consument op die markten, kan de toezichthouder, in afwijking van artikel 84, eerste en tweede lid, het feit ter zake waarvan de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, het overtreden voorschrift, het feit dat de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, alsmede de naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, ter openbare kennis brengen.

2. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

§ 4. Geheimhouding en publicatie

Artikel 84

1. Gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde omtrent financiële dienstverleners zijn verstrekt of zijn verkregen en gegevens die van een instantie als bedoeld in artikel 95 zijn ontvangen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim.

2. Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt, of van een instantie als bedoeld in artikel 94 en 95 ontvangen, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van zakelijke gegevens en bescheiden verkregen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.

3. Het eerste en tweede lid laten, ten aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.

4. Het eerste en tweede lid laten evenzo, ten aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en van artikel 66 van de Faillissementswet die betrekking hebben op het als getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak, voor zover het gaat om gegevens of inlichtingen omtrent een financiële dienstverlener die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden. De vorige volzin is niet van toepassing op gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op financiële dienstverlener die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging de desbetreffende financiële dienstverlener in staat te stellen haar beroep of bedrijf voort te zetten.

5. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de toezichthouder met gebruikmaking van gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, mededelingen doen mits deze niet kunnen worden herleid tot individuele instellingen.

Artikel 85

De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 84, teneinde de naleving van de wet te bevorderen ter openbare kennis brengen:

a. haar weigering om een aangevraagde vergunning of ontheffing te verlenen, wanneer deze weigering niet meer in beroep kan worden getroffen en de aanvrager handelt als was hem de vergunning of de ontheffing verleend;

b. het feit dat een financiële dienstverlener waarop naar haar oordeel het verbod, bedoeld in artikel 10 van toepassing is, niet over een vergunning beschikt en handelt als was hem een vergunning verleend;

c. het feit dat degene op wie een vrijstelling als bedoeld in artikel 9 van toepassing is zich niet houdt aan de voorschriften die aan die vrijstelling zijn verbonden;

d. het feit dat een financiële dienstverlener een op grond van artikel 70 gegeven aanwijzing niet heeft opgevolgd.

e. het feit dat aan een financiële dienstverlener bedoeld in artikel 13 een verbod bedoeld in artikel 21 is opgelegd.

Artikel 86

Degene jegens wie door de toezichthouder een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat de toezichthouder zijn handelen of nalaten op grond van artikel 85 ter openbare kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

Artikel 87

1. De toezichthouder geeft, indien hij voornemens is op grond van artikel 85 een handelen of nalaten ter openbare kennis te brengen, de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.

2. In aanvulling op artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht is de toezichthouder niet gehouden de betrokkene in de gelegenheid te stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met redelijke inspanning kan worden verkregen.

Artikel 88

De beschikking om op grond van artikel 85 een feit ter openbare kennis te brengen vermeldt in ieder geval:

a. het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht;

b. de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht; en

c. de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht.

Artikel 89

Tenzij de bevordering van de naleving van deze wet geen uitstel toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 85 een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Artikel 90

In afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht treedt de beschikking in werking op de dag waarop het feit ter openbare kennis is gebracht zonder dat de werking voor de duur van de beroepstermijn of, indien beroep is ingesteld, van het beroep wordt opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.

Artikel 91

1. De bevoegdheid om op grond van artikel 85 een feit ter openbare kennis te brengen vervalt indien ter zake van het feit een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.

2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als bedoeld in artikel 85 vervalt, indien de toezichthouder het feit reeds ter openbare kennis heeft gebracht.

Artikel 92

1. De bevoegdheid om op grond van artikel 85 een feit ter openbare kennis te brengen vervalt drie jaren na de dag waarop het feit heeft plaats gehad.

2. De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis wordt gebracht.

Artikel 93

De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 85 ter openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het daaraan voorafgaande onderzoek.

§ 5. Samenwerking nationaal en internationaal

Artikel 94

1. De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 84, eerste lid, gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel aan Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen die op die markten werkzaam zijn, tenzij:

a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is;

b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen die op die markten werkzaam zijn;

c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;

d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;

e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of

f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.

2. Indien een buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste lid aan de toezichthouder verzoekt om de gegevens of inlichtingen die op grond van dat lid zijn verstrekt te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, wordt dat verzoek slechts ingewilligd:

a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste lid; dan wel

b. indien die buitenlandse instantie op een andere wijze dan in deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor geldende procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen.

3. Indien het in het tweede lid bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten wordt dit niet ingewilligd dan na toestemming van Onze Minister van Justitie.

Artikel 95

1. Ter uitvoering van verdragen tot uitwisseling van gegevens of inlichtingen dan wel ter uitvoering van bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties met betrekking tot het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen die op die markten werkzaam zijn, kan de toezichthouder ten behoeve van een instantie die werkzaam is in een Staat die met Nederland partij is bij een verdrag of die met Nederland valt onder eenzelfde bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, en die in die Staat belast is met de uitvoering van wettelijke regelingen inzake het toezicht op financiële dienstverleners, inlichtingen vragen aan of een onderzoek instellen of doen instellen bij iedere financiële dienstverlener die ingevolge deze wet onder hun toezicht valt dan wel bij een ieder waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van de wettelijke regelingen als hiervoor bedoeld.

2. Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid worden gevraagd, verstrekt deze gegevens of inlichtingen binnen een door de toezichthouder te stellen termijn.

Artikel 96

1. De toezichthouder verstrekt aan de autoriteiten die ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, de Wet toezicht beleggingsinstellingen of de Wet toezicht effectenverkeer 1995, belast zijn met het toezicht op kredietinstellingen, verzekeraars, beleggingsinstellingen onderscheidenlijk effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders, de gegevens of inlichtingen die hij heeft verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak en die betrekking hebben op de betrouwbaarheid van de personen, bedoeld in artikel 26, voor zover deze naar het oordeel van de toezichthouder van belang zijn of zouden kunnen zijn voor het toezicht dat door die andere autoriteiten wordt uitgeoefend.

2. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet in het geval de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van een buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 94.

Artikel 97

1. De toezichthouder kan toestaan dat een functionaris van een buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 95, eerste lid, deelneemt aan de uitvoering van een verzoek als bedoeld in dat lid.

2. Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in artikel 95, eerste lid, wordt ingesteld, verleent aan de in het eerste lid bedoelde functionaris alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts gehouden is tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.

3. De in het eerste lid bedoelde functionaris volgt de aanwijzingen op van de persoon die met de uitvoering van het verzoek is belast.

§ 6. Kosten toezicht

Artikel 98

De toezichthouder kan de kosten die zijn verbonden aan de uitvoering van het toezicht op de naleving van deze wet volgens bij ministeriële regeling te stellen regels in rekening brengen bij financiële dienstverleners. Tot de kosten behoren tevens de kosten die hij heeft gemaakt ter voorbereiding van de uitvoering van deze wet.

§ 7. Bezwaar en beroep

Artikel 99

In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.

§ 8. Krachtens deze wet te stellen regels

Artikel 100

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van het bepaalde in de artikelen 16, eerste lid onder a en b, 26, eerste lid, 27, eerste en tweede lid, 28, derde lid, aanhef en onder a, 29, 31, eerste en derde lid, 32, eerste en tweede lid, 33, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, en tweede lid, 34, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, en tweede lid, 37, eerste lid, 39, 43, 47, eerste en tweede lid, 49 en 51, eerste en tweede lid.

Artikel 101

Van hetgeen bij of krachtens de artikelen 40 en 41 is bepaald, kan niet ten nadele van de consument worden afgeweken.

HOOFDSTUK 6 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 102

1. Het is een financiële dienstverlener die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet:

a. beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 9 van de Wet op het consumentenkrediet;

b. is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 3 of artikel 20 van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf;

c. beschikt over een ontheffing als bedoeld in artikel 5 of 21a van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf of de artikelen 6, derde lid, of 31, vijfde lid, of 32, vierde lid, of artikel 38, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;

d. bemiddelt in krediet en in dat verband een schriftelijke provisieovereenkomst is aangegaan met een financiële dienstverlener als bedoeld in onderdeel a;

e. optreedt als adviseur; of

f. overeenkomsten inzake krediet, bij het aangaan waarvan hypothecaire zekerheid wordt verleend, dan wel met betrekking waartoe reeds hypothecaire zekerheid bestaat, aanbiedt of daarin bemiddelt, toegestaan zonder vergunning of ontheffing zijn werkzaamheden voort te zetten, onder de in het tweede lid genoemde voorwaarden.

2. De financiële dienstverlener vraagt binnen een maand na inwerkingtreding van deze wet een vergunning of ontheffing aan bij de toezichthouder en legt binnen drie maanden na deze aanvraag de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 17, aan de toezichthouder over.

3. Het eerste lid is van toepassing op de financiële dienstverlener totdat de toezichthouder op zijn vergunningaanvraag heeft beslist. Indien een vergunningaanvraag door de toezichthouder is afgewezen, is op deze financiële dienstverlener artikel 22 van overeenkomstige toepassing.

4. De toezichthouder beslist binnen 12 maanden na inwerkingtreding van deze wet op een aanvraag als bedoeld in het tweede lid. Bij ministeriële regeling kan deze termijn twee maal worden verlengd met een periode van maximaal een half jaar.

5. De financiële dienstverlener die op grond van het tweede lid een vergunning of ontheffing heeft aangevraagd wordt ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 23. De toezichthouder haalt de inschrijving door zodra hij op de aanvraag heeft beslist.

Artikel 103

Artikel 25 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid komt de aanhef als volgt te luiden:

De belasting ter zake van verzekeringen welke zijn gesloten door tussenkomst van een door Onze Minister aangewezen bemiddelaar in verzekeringen, aan wie een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 10 van de Wet financiële dienstverlening, wordt geheven van die bemiddelaar, indien hij ter zake van de verzekering de premie int of doet innen en bovendien:.

2. In het eerste lid, onderdeel 1°, en het tweede lid, wordt «Wet assurantiebemiddelingsbedrijf» vervangen door: Wet financiële dienstverlening.

3. In het eerste lid, onderdeel 3°, en het derde lid, wordt «tussenpersoon» vervangen door: bemiddelaar.

4. In het vijfde lid wordt de zinsnede «tussenpersoon als bedoeld in de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf» vervangen door: bemiddelaar in verzekeringen als bedoeld in de Wet financiële dienstverlening.

Artikel 104

In artikel 21, eerste lid, onderdeel b, van de Wet bescherming persoonsgegevens wordt de zinsnede «tussenpersonen en sub-agenten als bedoeld in artikel 1, onder b en c, van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf» vervangen door: financiële dienstverleners die bemiddelen in verzekeringen als bedoeld in artikel 1 van de Wet financiële dienstverlening.

Artikel 105

Aan de bijlage bij de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel 15 door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

16. de Wet financiële dienstverlening.

Artikel 106

Titel 1 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:

A.

In artikel 7, vierde lid, vervallen de woorden «die niet een financiële dienst is».

B.

Artikel 46a wordt als volgt gewijzigd:

1. De onderdelen d tot en met f worden geletterd e tot en met g.

2. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

d. financiële dienst: iedere dienst van bancaire aard of op het gebied van kredietverstrekking, verzekering, individuele pensioenen, beleggingen en betalingen;

3. In onderdeel g (nieuw) wordt «richtlijn:» vervangen door: richtlijn nr. 97/7/EG:.

4. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g (nieuw) door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

h. richtlijn nr. 2002/65/EG: richtlijn nr. 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten (PbEG L 271).

C.

Artikel 46i wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt vervangen door:

1. De artikelen 46b lid 2, 46c, 46d leden 1–3 en 4, onderdeel a, 46e en 46f leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op de overeenkomst op afstand tot het verrichten van diensten die niet een financiële dienst zijn. De artikelen 46g-46h zijn van overeenkomstige toepassing op overeenkomsten op afstand tot het verrichten van diensten.

2. In het tweede lid vervalt onderdeel a. De onderdelen b en c worden geletterd a en b.

3. Na het zesde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

7. Een beding in een overeenkomst op afstand tot het verrichten van financiële diensten dat de wederpartij belast met het bewijs ter zake van de naleving van de verplichtingen die krachtens richtlijn nr. 2002/65/EG op de dienstverlener rusten, is vernietigbaar.

D.

In artikel 46j, derde lid, wordt «de richtlijn» telkens vervangen door: richtlijn nr. 97/7/EG respectievelijk richtlijn nr. 2002/65/EG.

E.

In artikel 428 wordt «Wet assurantiebemiddelingsbedrijf» vervangen door: Wet financiële dienstverlening.

Artikel 107

Artikel 1, eerste lid, van de Colportagewet wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a komt te luiden:

a. geldkrediet en goederenkrediet: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onderdeel r, van de Wet financiële dienstverlening;

2. Onderdeel d wordt geletterd g.

3. Er worden drie onderdelen ingevoegd, luidende:

d. kredietgever: een aanbieder van krediet als bedoeld in de Wet financiële dienstverlening;

e. kredietnemer: degene die een overeenkomst inzake krediet aangaat als bedoeld in de Wet financiële dienstverlening;

f. leverancier: degene die een geldsom ter beschikking krijgt gesteld van de kredietgever terzake van het aan een kredietnemer verschaffen van het genot van een roerende zaak;

Artikel 108

Artikel 1 van de Wet op de economische delicten wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel 4° wordt de zinsnede met betrekking tot de Wet op het consumentenkrediet vervangen door: de Wet op het consumentenkrediet, de artikelen 34, 36, 38, 47 en 48, tweede lid, voor zover artikel 69 van die wet niet anders bepaalt;.

2. In onderdeel 4° vervalt de zinsnede met betrekking tot de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf.

3. In onderdeel 2° wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: de Wet financiële dienstverlening, de artikelen 10, 44, eerste, tweede en derde lid, en 84, eerste en tweede lid.

Artikel 109

De Faillissementswet wordt als volgt gewijzigd:

A.

Artikel 285, eerste lid, onderdeel e, laatste volzin, komt te luiden: Het college kan deze bevoegdheid mandateren aan een gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet financiële dienstverlening of aan krachtens artikel 48, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op het consumentenkrediet aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel categorieën daarvan.

B.

Artikel 297, tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. het aangaan van een overeenkomst inzake krediet als bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van de Wet financiële dienstverlening;

Artikel 110

Artikel 199, eerste lid, van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek komt als volgt te luiden:

1. De bepalingen van afdeling 9A van titel 1 van Boek 7 zijn niet van toepassing op overeenkomsten die vóór het tijdstip van het in werking treden van die bepalingen zijn gesloten.

Artikel 111

Artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van de Wet identificatie bij dienstverlening komt als volgt te luiden:

5°. een financiële dienstverlener die bemiddelt in verzekeringen, als bedoeld in artikel 1 van de Wet financiële dienstverlening;

Artikel 112

In artikel 26, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf wordt de zinsnede «een termijn van tenminste twee weken» vervangen door: een termijn van 30 kalenderdagen.

Artikel 113

De Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 wordt als volgt gewijzigd:

A.

In artikel 53 wordt de zinsnede «een termijn van ten minste twee weken» vervangen door: een termijn van 30 kalenderdagen.

B.

Artikel 181 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt de laatste volzin vervangen door: Behoort de overeenkomst evenwel tot de portefeuille van een bemiddelaar in verzekeringen als bedoeld in de Wet financiële dienstverlening, dan doet de gemachtigde binnen twee weken de kennisgeving aan deze bemiddelaar.

2. In het derde en zevende lid wordt «tussenpersoon» vervangen door: bemiddelaar.

Artikel 114

In artikel 49, onderdeel a, onder 1°, van de Wet werk en bijstand wordt «Wet op het consumentenkrediet» vervangen door: Wet financiële dienstverlening.

Artikel 115

De Wet op het consumentenkrediet wordt als volgt gewijzigd:

A.

De hoofdstukken I, met uitzondering van de artikelen 1, 2, 3, eerste lid, 4, eerste en derde lid, en 5, tweede lid, II, III en VI tot en met X vervallen.

B.

In artikel 5, tweede lid, vervalt de aanduiding «2» voor dat lid.

C.

Artikel 69 komt te luiden:

Artikel 69

Overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 34, 36 en 38 is slechts strafbaar voor zover deze van toepassing zijn op een leverancier.

Artikel 116

De Wet assurantiebemiddelingsbedrijf wordt ingetrokken.

Artikel 117

Onze Minister zendt binnen 4 jaar na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens telkens na 5 jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 118

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 119

Deze wet wordt aangehaald als: Wet financiële dienstverlening.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Financiën,

BIJLAGE

Bijlage bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Wet financiële dienstverlening

Artikel 1

Voor de overtredingen genoemd in tabel 1 en tabel 2, begaan na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, zijn de boetebedragen vastgesteld als volgt:

Tariefnummer:Bedrag (vast tarief):
1.€ 453
2.€ 907
2a.€ 1 815
3.€ 5 445
4.€ 21 781
5.€ 87 125

Artikel 2

Voor de toepassing van deze bijlage worden de volgende financiële dienstverleners onderscheiden:

a. financiële dienstverleners bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel c, en financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, b en c, van deze wet;

b. financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a en financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel d, van deze wet, die schadeverzekeringen aanbieden;

c. financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van deze wet en financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel d, van deze wet, die levensverzekeringen aanbieden;

d. financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel e, van deze wet;

e. andere financiële dienstverleners, opgenomen in het register, bedoeld in artikel 23 van deze wet.

Artikel 3

1. Indien een boete wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling als genoemd in tabel 11, is bij de vaststelling van de hoogte van deze boete de volgende categorie-indeling naar balanstotaal, dan wel naar personeelsbezetting in fte's, van toepassing met de daarbij behorende factor2:

Categorie-indeling normgeadresseerden

Categorie I:

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, met een balanstotaal van minder dan € 45 378 000;

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, met een balanstotaal van minder dan € 4 538 000;

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, met een balanstotaal van minder dan € 13 613 000;

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2 onderdeel d, met een balanstotaal van minder dan € 4 538 000; en Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel e, met een personeelsbezetting waarvan het aantal werknemers dat zich rechtstreeks bezighoudt met financiële dienstverlening minder dan 5 fte bedraagt; Factor: 1;

Categorie II:

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, met een balanstotaal van ten minste € 45 378 000 maar minder dan € 453 780 000;

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, met een balanstotaal van ten minste € 4 538 000 maar minder dan € 22 689 000;

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, met een balanstotaal van ten minste € 13 613 000 maar minder dan € 68 067 000;

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2 onderdeel d, met een balanstotaal van ten minste € 4 538 000 maar minder dan € 22 689 000;

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel e, met een personeelsbezetting waarvan het aantal werknemers dat zich rechtstreeks bezighoudt met financiële dienstverlening ten minste 5 fte maar minder dan 10 fte bedraagt; Factor: 2;

Categorie III:

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, met een balanstotaal van ten minste € 453 780 000 maar minder dan € 4 537 800 000;

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, met een balanstotaal van ten minste € 22 689 000 maar minder dan € 113 445 000;

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, met een balanstotaal van ten minste € 68 067 000 maar minder dan € 340 335 000; en Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2 onderdeel d, met een balanstotaal van ten minste € 22 689 000 maar minder dan € 113 445 000;

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel e, met een personeelsbezetting waarvan het aantal werknemers dat zich rechtstreeks bezighoudt met financiële dienstverlening ten minste 10 fte maar minder dan 15 fte bedraagt; Factor: 3;

Categorie IV:

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, met een balanstotaal van ten minste € 4 537 800 000 maar minder dan € 45 378 020 000;

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, met een balanstotaal van ten minste € 113 445 000 maar minder dan € 453 780 000;

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, met een balanstotaal van ten minste € 340 335 000 maar minder dan € 1 361 340 000;

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2 onderdeel d, met een balanstotaal van ten minste € 113 445 000 maar minder dan € 453 780 000;

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel e, met een personeelsbezetting waarvan het aantal werknemers dat zich rechtstreeks bezighoudt met financiële dienstverlening ten minste 15 fte maar minder dan 20 fte bedraagt; Factor: 4;

Categorie V:

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, met een balanstotaal van ten minste € 45 378 020 000;

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, met een balanstotaal van ten minste € 453 780 000;

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, met een balanstotaal van ten minste € 1 361 340 000;

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2 onderdeel d, met een balanstotaal van ten minste € 453 780 000;

Financiële dienstverleners, bedoeld in artikel 2, onderdeel e, met een personeelsbezetting waarvan het aantal werknemers dat zich rechtstreeks bezighoudt met financiële dienstverlening ten minste 20 fte bedraagt; Factor: 5.

2. De boete wordt vastgesteld door het bedrag, bedoeld in artikel 1, te vermenigvuldigen met de factor behorende bij de categorie naar balanstotaal, dan wel naar personeelsbezetting in fte's, bedoeld in het eerste lid.

3. Indien de gegevens omtrent de balanstotaal of de personeelsbezetting in fte's niet aan de toezichthouder beschikbaar zijn gesteld, kan de toezichthouder aan degene aan wie de boete wordt opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door hem te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete categorie V van toepassing.

Artikel 4

Op grond van artikel 76, tweede lid, van deze wet behoeft de betrokkene niet in de gelegenheid te worden gesteld om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd, indien het een overtreding betreft waarvoor tariefnummer 1 of 2 is vastgesteld.

Tabel 1

Overtreding door een financiële dienstverlener van voorschriften, gesteld bij artikel:Tariefnummer:
9, tweede lid3
105
11, derde lid3
12, tweede lid2
16, vierde lid2
18, tweede lid3
22, vijfde lid3
25, derde lid4
26, eerste lid2a
27, eerste lid3
27, tweede lid3
28, eerste lid2a
28, derde lid2a
292a
30, eerste lid3
30, tweede lid3
31, eerste lid2a
31, derde lid2a
32, eerste lid2a
32, tweede lid2a
33, eerste lid2a
33, tweede lid2a
34, eerste lid2a
34, tweede lid2a
37, eerste lid2a
392a
432a
44, eerste lid4
44, tweede lid4
44, derde lid4
44, vierde lid4
45, eerste lid2
45, tweede lid2
46, eerste lid2
46, tweede lid2
47, eerste lid3
47, tweede lid3
492a
51, eerste lid2a
51, tweede lid2a
522
53, eerste lid2
68, tweede lid3
70, eerste lid, laatste volzin4
71, derde lid3
95, tweede lid3
97, tweede lid3

Tabel 2

Overtreding door een niet-financiële dienstverlener van voorschriften, gesteld bij artikel:Tariefnummer:
68, tweede lid3
71, derde lid3
95, tweede lid3
97, tweede lid3

XNoot
1

In tabel 1 zijn de bepalingen genoemd die zich uitsluitend richten tot financiële dienstverleners. In tabel 2 zijn de bepalingen opgesomd die zich in beginsel tot een ieder (al dan niet financiële dienstverlener) richten.

XNoot
2

Onder fte wordt verstaan: fulltime-equivalent, een rekeneenheid waarin de personeelsomvang wordt uitgedrukt. Eén fte staat gelijk aan één fulltime medewerker.

Naar boven