Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2004-2005 | 29494 nr. B |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2004-2005 | 29494 nr. B |
Vastgesteld: 6 juli 2005
Het voorbereidend onderzoek gaf de commissie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
De fractie van het CDA had met belangstelling en waardering kennisgenomen van het voorstel tot wijziging van de Wet op de orgaandonatie. Zij kon zich vinden in het continueren van het zogenaamde toestemmingssysteem en in de voorgestelde verbeteringen van het flankerende beleid. Toch had zij nog een aantal vragen.
De leden van de fractie van de PvdA hadden eveneens met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Ook zij stelden nog een aantal vragen.
Gezien de uitvoerige bespreking van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer, achtten de leden van de VVD-fractie het onnodig om in de Eerste Kamer een dergelijke bespreking te herhalen. Alle relevante punten zijn in de Tweede Kamer aan de orde geweest: met name de invoering van een Actief Donor Registratiesysteem en ook het gezichtspunt van de wederkerigheid. Evenwel zijn moties die deze twee zaken zouden moeten bevorderen, niet aangenomen. Men was – niet zonder redenen – van mening dat er binnen het huidige registratiesysteem nog voldoende te verbeteren valt, teneinde het aantal gemelde donoren te doen toenemen. Op dit en op een ander punt hadden deze leden nog een aantal vragen.
Het wetsvoorstel wijzigt de Wet op de orgaandonatie teneinde daarmee het aanbod van geschikte donororganen te bevorderen. Evenals de fractie van de SP in de Tweede kamer waren de leden van de fractie van de SP blij met de aanpassingen, temeer daar die alle beogen het aanbod te verhogen. We weten allemaal dat er te weinig aanbod en te veel vraag is naar geschikte donororganen. De inspanningen om daartoe te komen, liggen met name in verduidelijking van een aantal zaken rondom de procedure van donatie en in verhoging van de activiteiten om te komen tot registratie van potentiële donoren. De leden van de fractie van de SP hadden na lezing van het wetsvoorstel en de discussie nog de volgende vragen.
De leden van de SGP-fractie, mede namens de leden van de fractie van de ChristenUnie, hadden nog een drietal vragen.
Met de wetswijziging wordt een verhoging van het aantal donororganen beoogd, zo begrepen de leden van de PvdA-fractie. De minister heeft in de Tweede Kamer gezegd als richtsnoer aan te houden dat er in vier jaar tijd 10% extra wilsverklaringen zouden moeten komen, maar koppelt dat niet alleen aan deze wetswijziging, maar ook aan de publiekscampagnes, zoals die welke in mei jl. heeft plaatsgevonden. De leden van de PvdA-fractie vroegen in hoeverre bij de meting van het succes van het voorliggende wetsvoorstel rekening wordt gehouden met de jaarlijkse fluctuaties in het aantal postmortale donoren. Het was deze leden niet duidelijk hoeveel nieuwe donoren als gevolg van het inwerking treden van deze wet verwacht kunnen worden. Tevens vroegen zij waarom de overheid zich niet zelf nadrukkelijker met de wervingsacties gaat bezig houden.
Een onlangs in de media (Elsevier van 14 mei 2005) genoemd nieuw systeem van donorregistratie is in de Tweede Kamer niet aan de orde geweest. De leden van de VVD-fractie waren evenwel benieuwd naar het standpunt van de minister inzake dit voorstel, afkomstig van econoom en voormalig ziekenhuisdirecteur dr. Hans Hagen. Dit voorstel strekt ertoe dat jaarlijks verzekerden bij hun ziektekostenverzekeraar opgeven of zij wel of geen donor willen zijn. Dit is dan een vaste vraag bij de jaarlijkse hernieuwing van de ziektekostenverzekering. De verzekeraar zou bij de invoering van dit systeem melding van donorschap kunnen belonen. Hij zou ook gemachtigd moeten zijn het donorschap van een verzekerde te melden bij het donorregister. Er lijkt bij zorgverzekeraars enige bereidheid aanwezig tot het uitvoeren van een pilot; ook de Nierstichting spreekt zich in genoemd artikel uit voor nader onderzoek. Gaarne vernamen de leden van de VVD-fractie de visie van de minister op dit voorstel en op de mogelijkheid genoemd onderzoek te doen plaats vinden.
Het wetsvoorstel is totstandgekomen naar aanleiding van de evaluatie. Het betreft onder meer een aantal technische wijzigingen, zo stelden de leden van de SGP-fractie, mede namens de leden van de CU-fractie. Deze leden ontwaarden de volgende hoofdlijnen:
– Het register moet geraadpleegd worden.
– Bij toestemming van overledenen hoeft geen toestemming meer aan anderen te worden gevraagd.
– Het donorregister mag al geraadpleegd worden als een persoon naar redelijke verwachting op korte termijn zal overlijden.
– Nieuw is dat mensen mogen worden aangeschreven die nog niet gereageerd hebben op eerdere mailing incl. nieuwe ingezetenen.
Deze leden vroegen of deze maatregelen voldoende zijn om het doel om de komende vier jaar voor 10% meer donoren te zorgen te realiseren. Is, zo wilden zij vervolgens weten, de ambitie van de minister niet te laag? Tot slot vroegen de aan het woord zijnde leden of door een nog beter flankerend beleid de wachttijd structureel kan worden teruggedrongen.
De CDA-fractie in de Tweede Kamer pleitte ervoor dat het donorformulier bij iedere afgifte van identiteitspapieren zoals paspoort en rijbewijs overhandigd zou dienen te worden (en voor het wettelijk verankeren van het toestemmingplussysteem). Hoe staat het met de pilots die de minister met het oog daarop in 2005 is gestart, zo vroegen de leden van de CDA-fractie. Kunnen zij de resultaten daarvan eind 2005 tegemoet zien? Wat zijn precies de vragen waarop de minister via deze pilots antwoord wil krijgen?
Deze leden sloten zich voorts aan bij degenen die stellen dat publiekscampagnes zich ook dienen te richten op mensen die in hun hoedanigheid van nabestaanden te maken krijgen met vragen rond orgaandonatie, hetzij als door de overledene gemachtigden om te beslissen over het al dan niet doneren van organen, hetzij als naasten van de overledene die worden geïnformeerd over diens wil tot het doneren van organen. Hoe is de stand van zaken rond dergelijke publiekscampagnes? De leden van de CDA-fractie zouden graag zien dat in deze campagnes de nadruk wordt gelegd op de diensten die via donatie aan de medemens worden bewezen. Kan de minister meedelen of ook daaraan is dan wel wordt gewerkt? Voor het verkrijgen van meer toestemmingen is het ook van belang dat potentiële donoren zicht hebben op de zorgvuldigheid waarmee met het menselijke lichaam wordt omgegaan na het overlijden.
Transparantie en zorgvuldigheid kunnen naar de inschatting van deze leden eventuele mentale belemmeringen die rond de afwegingen bij donorregistratie spelen, wellicht deels wegnemen. Hoe kijkt de minister daartegen aan? Heeft de minister zicht op de overwegingen die bij niet-donoren een doorslaggevende rol spelen?
In de wet wordt in artikel 10, vierde lid, een grondslag geboden voor het aanschrijven van nieuw ingezetenen en anderen die nog niet eerder een donatieformulier toegezonden hebben gekregen, aldus de leden van de PvdA-fractie. Zij vroegen of het niet denkbaar is dat een regeling waarbij alle ingezeten met enige regelmaat, bijvoorbeeld bij aanvraag van een rijbewijs of paspoort/identiteitsbewijs, gevraagd wordt een wilsverklaring af te leggen, het aantal donoren veel meer zou vergroten. Waarop is de taxatie dat een herinneringsmailing aan alle ingezetenen 25 mln. zou moeten kosten, gebaseerd? Voorts wilden deze leden weten in hoeverre de baten hiervan tegen de kosten zouden kunnen opwegen. Zijn er alternatieven onderzocht om de kosten zo laag mogelijk te houden? Tot welke inzichten heeft de pilot, waarover de minister in de Tweede Kamer heeft gesproken, om te onderzoeken op welke manier ingezetenen het best kunnen worden bereikt, geleid? Tot slot vroegen deze leden wat de reden is dat de overheid de verantwoordelijkheid voor het werven voor orgaandonatie aan derden overlaat en niet zelf actief gaat optreden.
De leden van de fractie van de SP stelden de vraag wanneer de pilots starten waarbij gekeken wordt op welke manieren donorwerving geïntensiveerd kan worden. Wordt hierbij ook de optie betrokken om het donorschap gelijk met de uitgifte van de Zorgpas vast te leggen, zo vroegen deze leden. Voorts vroegen deze leden of de minister ook een rol ziet voor zorgverzekeraars bij het werven van donoren en het beheren van de wachtlijsten. Misschien kunnen zij met de start van de nieuwe basisverzekering hun regisseursschap op dit terrein laten zien? Of vindt de minister dat hij zelf op dit terrein regisseur moet zijn, zo ja waarom?
Tot slot wilden de leden van de SP-fractie weten of er al iets bekend is over het verloop en de «opbrengst» van de actie om donoren te werven, die in mei is gehouden en waarbij naast een TV uitzending met bekende Nederlanders 6.5 miljoen adressen zijn aangeschreven met de aansporing donor te worden?
De leden van de CDA-fractie waardeerden het dat het kabinet zich ten doel stelt om het aantal donoren binnen vier jaar (vanaf 2004) met 10% te vermeerderen, maar moest tegelijkertijd constateren dat dit ver af ligt van de 20% waarvoor de Tweede Kamer zich uitsprak. Kan de minister aangeven welke resultaten naar zijn inschatting met de voorgenomen maatregelen zijn te behalen, zo vroegen deze leden. Gezien de nauwkeurigheid waarmee het aantal te verwachten donoren werd ingeschat op basis van een verkenning naar het bezwaarsysteem en naar het zogenaamde ADR-systeem waren deze leden benieuwd naar de ingeschatte gedragseffecten van het voorgenomen flankerende beleid. Hoe vaak wijkt bijvoorbeeld de wilsbeschikking van de overledene momenteel voor die van nabestaanden die momenteel anders beslissen? Heeft de minister daar zicht op? Voorts vroegen de aan het woord zijn de leden of er enig zicht is op de mate waarin artsen momenteel verzuimen de registers in te zien.
Verder wilden de aan het woord zijnde leden er aandacht voor vragen dat het momenteel nogal eens voorkomt dat echtparen elkaar machtigen om een beslissing te nemen over het al dan niet doneren van organen. Wat gebeurt er echter in de trieste omstandigheid dat beiden ten gevolge van bijvoorbeeld een auto-ongeval om het leven komen, zo vroegen deze leden. Is het niet zinvol mensen in kennis te stellen van het feit dat zij verschillende personen kunnen machtigen?
De leden van de PvdA-fractie ondersteunden het opnemen in artikel 20, derde lid, dat de verklaring van een overledene (van 16 jaar of ouder) die aangeeft donor te willen bepalend is voor de vraag of er organen uitgenomen worden. Zij vroegen echter of dit niet teniet wordt gedaan in de memorie van toelichting, waarin wordt gesteld dat in uitzonderlijke gevallen de beslissing toch in de handen van de arts ligt. Moet er niet een criterium in de wet worden opgenomen dat regelt in welke gevallen de arts anders kan beslissen dan de wens van de donor te volgen, als de nabestaanden een beroep op hem doen om niet tot uitname over te gaan? Deze leden vroegen zich af of zonder helder criterium de aanscherping in de wet niet bij de uitvoering teniet wordt gedaan. Zal de arts in de meeste gevallen waarin nabestaanden problemen hebben met de donatie niet afzien van het uitnemen van een orgaan of organen? Wat moet er gebeuren als er tussen de nabestaanden geen overeenstemming bestaat?
Op dit punt hadden ook de leden van de SP-fractie nog een vraag. De minister antwoordt op de vraag of de wil van de overledene ook niet gevolgd kan worden dat het tot de professionele verantwoordelijkheid van de arts behoort om de juiste keuze te maken. Dit kan betekenen dat, als de nabestaanden de donatie niet aan kunnen, hij/zij besluit om ondanks de wil van de overledene toch niet tot het verwijderen van organen van de overledene over te gaan. Dit is een duivels dilemma voor de arts, aldus de leden van de SP-fractie. Zij vroegen of het in dergelijke pijnlijke gevallen aanbeveling zou verdienen om de verplichting op te nemen om een tweede arts, vergelijkbaar met de zogenaamde SCEN arts bij een verzoek om euthanasie, te raadplegen. Is overigens ook de situatie denkbaar dat men heeft aangegeven geen donor te willen zijn, waarbij nabestaanden beslissen dat organen toch gebruikt mogen worden?
Vervolgens vroegen de leden van de SP-fractie of de verplichting om het donorregister te raadplegen in geval van een naderend levenseinde alleen bij behandelende ziekenhuisartsenartsen en donatiefunctionarissen ligt, of dat ook huisartsen daartoe verplicht zijn in geval van een overlijden thuis. Kunnen donatiefunctionarissen ook hun activiteiten in de eerste lijn ontplooien?
Na het overlijden dient een formulier ingevuld te worden waarin verantwoord wordt hoe is omgegaan met het ziekenhuisprotocol. Is dit een algemeen of een specifiek protocol – dat wil zeggen heeft ieder ziekenhuis zijn eigen protocol of is dat geüniformeerd, zo wilden deze leden weten. Dient het formulier bij elk overlijden, dus ook bij overlijden thuis ingevuld te worden, mogelijk gekoppeld aan de A- en B-formulieren die volgens de Wet op de Lijkbezorging dienen te worden ingevuld, of alleen bij voor orgaandonatie geschikte gevallen, of alleen in die gevallen waarin registratie in het donorregister bestond? Is de tekst van dit formulier al bekend, zo vroegen de aan het woord zijnde leden. Het zou per AMvB bekend worden. Is het inderdaad eenvoudig en per computer in te vullen, geënt op een formulier dat in Groningen is ontworpen?
Naar de leden van de CDA-fractie hadden vernomen valt er nog veel te verbeteren aan de technieken die toegepast worden bij de groep van non-heartbeating personen. In hoeverre klopt deze veronderstelling? Indien deze juist is, zouden deze leden graag vernemen hoe een en ander bespoedigd kan worden.
Voorts zouden de leden van de CDA-fractie graag inzichtelijk gemaakt zien hoe de bekostiging van de orgaandonatie in al zijn facetten in elkaar zit. Bij dat overzicht wilden zij ook betrokken zien hoe het zit met donatie door bijvoorbeeld levende verwanten. Deze leden vroegen zich verder af in hoeverre het werken met speciale donorfunctionarissen zal leiden tot extra kosten voor ziekenhuizen.
Feiten wijzen uit dat Nederland een aanzienlijk aantal in Nederland geworven organen naar het buitenland exporteert, omdat er in Nederland geen vraag naar is, aldus de leden van de VVD-fractie. Beschikt de minister over de precieze gegevens? Kan de minister uiteenzetten waardoor dit «overschot» ontstaat? Voorts vroegen deze leden of er te weinig capaciteit is in Nederland om transplantaties te verrichten, of dat van de bestaande capaciteit onvoldoende gebruik wordt gemaakt. En waardoor komt dat dan? Of zijn de protocollen voor toewijzing van een transplantatieorgaan te streng? Gaarne vernamen deze leden de visie van de minister op deze zaak.
Samenstelling: Werner (CDA), Van Leeuwen (CDA) (voorzitter), Van den Berg (SGP), Dupuis (VVD), Swenker (VVD) (plv. voorzitter), Hamel (PvdA), Nap-Borger (CDA), Slagter-Roukema (SP), Schouw (D66), Putters (PvdA), Thissen (GL).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-20042005-29494-B.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.