29 422
Wijziging van de Wet inzake de luchtverontreiniging (uitvoering EG-richtlijn nationale emissieplafonds)

D
NADERE MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 13 mei 2005

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het nader voorlopig verslag van de vaste commissie voor Milieu. De commissie stelt in dat verslag dat de memorie van antwoord een aantal vragen onbeantwoord laat omtrent het inzicht in de keten van beleid tot uitvoering en evaluatie van de wetswijziging. De commissie vraagt dan ook om een nadere toelichting op een aantal punten. Overigens hebben die punten geen directe relatie met het voorliggende wetsvoorstel. In het hierna volgende zal ik op die vragen ingaan voor zover daardoor onduidelijkheden met betrekking tot het onderhavige wetsvoorstel, die bij de commissie leven, worden weggenomen.

Allereerst merk ik nogmaals op dat het wetsvoorstel alleen voorziet in een wettelijke grondslag voor het opstellen van emissie-inventarissen en -prognoses en de aanwijzing van het RIVM als daarmee belaste instantie. Het wetsvoorstel heeft, anders dan de commissie kennelijk veronderstelt, geen betrekking op berekeningen van concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De constatering in het nader voorlopig verslag dat de wetswijziging de taken en bevoegdheden verankert van de instantie die de berekeningen maakt van overschrijdingen van de vastgestelde normen voor de luchtkwaliteit, berust dan ook op een misverstand. Op metingen en berekeningen van concentraties van luchtverontreinigende stoffen zijn het Besluit luchtkwaliteit (Stb. 2001, 269) en de Meetregeling luchtkwaliteit (Stcrt. 2001, 135) van toepassing.

De door de commissie gestelde vragen naar aanleiding van recente uitspraken van de Raad van State hebben inhoudelijk geen betrekking op de EG-richtlijn nationale emissieplafonds en het onderhavige wetsvoorstel. Die uitspraken betreffen namelijk het onderwerp luchtkwaliteit en de terzake geldende grenswaarden, terwijl onderhavig wetsvoorstel op emissieplafonds betrekking heeft.

De interpretatie van het Besluit luchtkwaliteit waarin bedoelde EG-luchtkwaliteitsnormen zijn opgenomen, blijkt in de praktijk niet altijd eenduidig, waardoor ongewenste gevolgen optreden. Het betreft met name de uitoefening van bevoegdheden door bestuursorganen in situaties waarin Europese grenswaarden worden overschreden. Een ander punt betreft verbetering van de luchtkwaliteit door maatregelen die zeer lokaal tot een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit leiden in een situatie waarin reeds Europese grenswaarden worden overschreden.

Hierdoor worden belemmeringen opgeworpen voor vergunningverlening aan inrichtingen en voor ruimtelijke en infrastructurele ontwikkelingen, ook wanneer die de luchtkwaliteit per saldo ten goede zouden komen of de blootstelling van mensen aan luchtverontreiniging zouden verminderen. De maatschappelijke en economische consequenties van deze interpretatie zijn aanzienlijk en vanuit het oogpunt van een correcte uitvoering van de betreffende EG-richtlijnen inzake luchtkwaliteit niet noodzakelijk. Indien een bepaald project geen negatieve en wellicht zelfs enige positieve invloed heeft op de luchtkwaliteit, waarbij de lucht overigens een zodanige concentratie heeft van een bepaalde stof dat daardoor de Europese grenswaarde wordt overschreden, valt niet in te zien waarom zo'n project op zichzelf bezien in strijd zou zijn met hetgeen de EG-richtlijnen inzake luchtkwaliteit vereisen.

Derhalve is aanpassing van het Besluit luchtkwaliteit dringend gewenst. Met dat doel is inmiddels, met instemming van de Tweede Kamer (tijdens een op 26 april 2005 gehouden algemeen overleg), en vooruitlopend op de toegezegde wet luchtkwaliteit, een algemene maatregel van bestuur strekkend tot vervanging van het Besluit luchtkwaliteit in procedure gebracht. Dit ontwerpbesluit zal op korte termijn worden voorgepubliceerd in de Staatscourant en overeenkomstig artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer aan beide kamers der Staten-Generaal worden toegezonden.

Een evaluatie van de EG-richtlijn waarop de commissie in het nader voorlopig verslag doelt, de eerste dochterrichtlijn luchtkwaliteit (richtlijn nr. 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999 betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (PbEG L 163)), vindt momenteel plaats in het kader van het EU-CAFE-programma (Clean Air for Europe), waarbinnen een thematische strategie voor luchtverontreiniging wordt voorbereid. Alle aspecten van de richtlijn worden daarbij betrokken.

In het Nationaal Luchtkwaliteitsplan 2004, dat bij brief van 18 februari 2005 is toegezonden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2004/05, 28 663, nr. 32) en op 19 april 2005 ter kennis van de Europese Commissie is gebracht, is aangegeven welke maatregelen op nationaal en lokaal niveau worden getroffen in Nederland met als inzet aan de grenswaarden te voldoen. Naar de inhoud daarvan verwijs ik de commissie kortheidshalve. Een aanscherping van het Nationaal Luchtkwaliteitsplan is in voorbereiding. Dat plan zal alle maatregelen en plannen bevatten van Rijk, provincies en gemeenten om te bewerkstelligen dat de luchtkwaliteit in Nederland aan de grenswaarden voldoet. De aanscherping van het Nationaal Luchtkwaliteitsplan wordt opgesteld in nauw overleg met provincies en gemeenten.

Het kabinet heeft besloten om bij de Miljoenennota 2006 extra middelen te reserveren voor luchtkwaliteit, in aanvulling op de reeds vastgestelde maatregelen uit de Nota Verkeers-emissies en het Nationaal Luchtkwaliteitsplan 2004. Met dit pakket aan maatregelen wordt een maximale inspanning verricht ter verbetering van de luchtkwaliteit in Nederland.

Tot slot merkt de commissie nog op dat zij het betreurt dat de prioriteitskeuze betreffende de implementatie van de EG-richtlijn nationale emissieplafonds ertoe heeft geleid dat Nederland onnodig lang formeel in gebreke is gebleven. Bedacht moet echter worden dat de feitelijke door de richtlijn voorgeschreven werkzaamheden en rapportages wel degelijk zijn uitgevoerd respectievelijk uitgebracht, zodat materieel aan de geldende verplichtingen is voldaan.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. L. B. A. van Geel

Naar boven