C
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 18 oktober 2004
Het verheugt mij dat de leden van de CDA-fractie met instemming, en de
leden van de SGP-fractie in overwegende mate met instemming van het voorstel
hebben kennisgenomen. Graag beantwoord ik de door deze leden gestelde vragen.
De leden van de CDA-fractie wilden weten of de raadkamer in de beschikking
dient te motiveren waarom in het desbetreffende geval het bevel voor de duur
van negentig dagen wordt verleend. Een dergelijke verplichting vloeit niet
expliciet uit de wet voort. Artikel 78 Sv geeft voorschriften inzake de inhoud
van bevelen tot voorlopige hechtenis en verlengingen daarvan. Het strafbare
feit dient nauwkeurig te worden omschreven, en voorts de feiten of omstandigheden
waarop de ernstige bezwaren tegen de verdachte zijn gegrond, alsmede de gedragingen,
feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de in artikel 67a gestelde voorwaarden
zijn vervuld. Uit deze omschrijvingen zal gewoonlijk echter ook betrekkelijk
rechtstreeks kunnen worden afgeleid waarom de raadkamer een bevel voor de
duur van negentig dagen heeft gegeven: de ernst van het feit en de ernst van
de bezwaren zullen deze beslissing moeten kunnen dragen. Een expliciete additionele
motiveringsplicht komt in dit licht niet noodzakelijk voor en zou zich tegen
deze achtergrond al gauw vertalen in een standaardformule.
De aan het woord zijnde leden gingen vervolgens in op verzoeken tot opheffing
en schorsing van de voorlopige hechtenis. Ik ben het met deze leden eens dat
bij een verzoek om schorsing andere overwegingen gelden dan bij een verzoek
om opheffing. Familieomstandigheden kunnen inderdaad reden vormen voor een
schorsing, terwijl zij aan de gronden voor voorlopige hechtenis gewoonlijk
niet afdoen en daarom geen reden tot opheffing van de voorlopige hechtenis
zijn. De wijziging van artikel 80, vierde lid, Sv doet voorts in geen enkel
opzicht af aan de mogelijkheden die de rechter heeft om de verdachte te horen,
als hij dat wenselijk oordeelt. Waar het bij de voorgestelde wijziging om
gaat, en in dat opzicht is er gelijkenis met verzoeken om opheffing, is dat
herhaaldelijk verzoeken kunnen worden gedaan met een in de kern identieke
inhoud, alsmede verzoeken die redelijke grond ontberen. Dergelijke verzoeken
dienen, of zij nu opheffing of schorsing tot doel hebben, niet te noodzaken
tot het horen van de verdachte. Bij de opheffing is een beperking
van het hoorrecht tegen deze achtergrond al langer aanvaard (artikel 69, tweede
lid, Sv). Aan de betekenis van die beperking wordt echter afbreuk gedaan als
verzoeken die in de kern op opheffing zien – tevens – in de vorm
van schorsingsverzoeken tot de rechter kunnen worden gericht en in dat geval
wel tot horen nopen. Ik teken daarbij nog aan dat de verdachte die in voorlopige
hechtenis zit rechtsbijstand geniet, en zijn verzoek ook schriftelijk kan
toelichten.
De leden van de CDA-fractie informeerden voorts of de rechter-commissaris,
in het geval de verdachte of diens raadsman die zich wendt tot de rechter-commissaris
met bepaalde vragen over een lopend opsporingsonderzoek, gehouden is daarop
te reageren. Zij stelden deze vraag in verband met de voorgestelde wijziging
van artikel 180 Sv, dat de rechter-commissaris de taak geeft, te waken tegen
nodeloze vertraging van het opsporingsonderzoek. Uit de redactie van dit artikel,
gewijzigd als voorgesteld, volgt dat de verdachte of diens raadsman de rechter-commissaris
kan verzoeken zich de processtukken te doen overleggen en de onverwijlde of
spoedige beëindiging van het opsporingsonderzoek te bevelen. Op een dergelijk
verzoek is de rechter-commissaris gehouden te reageren. Dat betekent evenwel
niet dat hij gehouden zou zijn in enigerlei vorm informatie te verschaffen
over de voortgang van het onderzoek: artikel 180 Sv creëert geen informatieverplichting
jegens de verdachte. Uit artikel 30 Sv volgt dat de rechter-commissaris zelfs
niet de vrijheid heeft de verdachte tijdens het opsporingsonderzoek met de
inhoud van processtukken op de hoogte te brengen, waarvan deze door de officier
van justitie de kennisneming wordt onthouden. De reactie van de rechter-commissaris
op een verzoek als omschreven in artikel 180, tweede lid, Sv zal in dit licht
daarin bestaan dat hij bij een verzoek daartoe aangeeft of hij zich de processtukken
laat overleggen, en of hij aanleiding ziet de onverwijlde of spoedige beëindiging
van het opsporingsonderzoek te bevelen.
De aan het woord zijnde leden stelden vervolgens een vraag in verband
met de voorgestelde wijziging van artikel 493 Sv. Inderdaad ligt het in de
rede dat in gevallen waarin een verdachte mogelijk jonger is dan achttien
jaren, de rechtbank de verdachte hoort, indien een bevel tot gevangenhouding
of gevangenneming voor een termijn van dertig dagen of meer aan de orde is.
Dat brengt evenwel niet met zich mee dat de voorlopige hechtenis voortijdig
zou moeten worden beëindigd in gevallen waarin het horen is nagelaten
en nadien komt vast te staan dat sprake is van een verdachte jonger dan achttien
jaren. Het bevel tot voorlopige hechtenis kan in dit geval, ondanks de schending
van artikel 493, vierde lid, Sv worden verlengd. Meer in het algemeen gesproken
behoeft schending van voorschriften die verband houden met termijnen van voorarrest,
niet tot beëindiging van dat voorarrest te nopen. In dit verband kan
worden gewezen op HR 7 oktober 1988, NJ 1989, 510, waarin is aangegeven
dat gebreken in de inverzekeringstelling geen zelfstandige grond vormen om
de vordering tot bewaring af te wijzen. Daar komt in verband met het voorgestelde
artikel 493, vierde lid, Sv nog bij dat de verdachte in de beste positie is
om tijdig helderheid te verschaffen over zijn leeftijd. Laat hij dat na, dan
verspeelt hij het recht om zich op schending van het onderhavige voorschrift
te beroepen.
De leden van de SGP-fractie stelden een vraag in verband met de voorgestelde
wijziging van artikel 87, tweede lid, Sv. Zij wilden weten waarom geen onderscheid
wordt gemaakt tussen een verzoek om schorsing en een verzoek om opheffing
van de voorlopige hechtenis. Ik hecht eraan, te benadrukken dat de voorgestelde
wijziging van artikel 87, tweede lid, Sv geen beperking van bestaande beroepsmogelijkheden inhoudt. Uit het artikel volgt ook nu al dat maar eenmaal hoger beroep
kan worden ingesteld tegen een afwijzende beslissing op verzoeken om schorsing
of opheffing. Verduidelijkt is slechts, in lijn met een recent arrest van
de Hoge Raad, dat het hoger beroep niet enkel tegen de eerste afwijzende beslissing
is opgengesteld, maar één keer kan worden ingesteld tegen een
afwijzende beslising. Dat de beroepsmogelijkheden tegen deze afwijzende beslissingen
van de rechtbank beperkt worden, komt mij onverkort juist voor.
De Minister van Justitie,
J. P. H. Donner