C
MEMORIE VAN ANTWOORD
Ontvangen 22 november 2004
Het verheugt ons dat de leden van de fracties van het CDA en de VVD positief
staan tegenover het onderhavige wetsvoorstel. Mede namens de Staatssecretaris
van Financiën beantwoord ik de gestelde vragen als volgt.
Algemeen
De leden van de VVD-fractie vragen of inwerkingtreding van het wetsvoorstel
op 1 januari 2005 nog steeds tot de mogelijkheden behoort. Het antwoord
luidt bevestigend. Weliswaar heeft het wetgevingsproces, zoals deze leden
terecht constateren, ten opzichte van de planning enige vertraging opgelopen,
maar onder meer de beperkte omvang van het voorlopige verslag geeft het vertrouwen,
dat dit proces toch nog tijdig zal kunnen worden afgerond. De implementatie
ligt geheel op schema: de rechterlijke organisatie is er klaar voor!
Inhoud wetsvoorstel
De leden van de fracties van het CDA en de SGP stelden de vraag of de
omvang van het beroep – waarmee deze leden doelden op het zogeheten
«gesloten» stelsel – voldoende duidelijk is om enerzijds
het aantal mogelijke beroepen te kunnen beperken en anderzijds competentieproblemen
met andere rechterlijke colleges te voorkomen. In antwoord op deze vraag zij
benadrukt, dat het onderhavige wetsvoorstel inhoudelijk geen enkele wijziging
behelst van de categorie besluiten waartegen beroep mogelijk is; alleen de
wetstechnische constructie is anders dan in de huidige wet. Gelet daarop is
er geen aanleiding te vrezen voor een toename van het aantal beroepen. Om
dezelfde reden behoeft evenmin te worden gevreesd voor competentieproblemen
met andere rechterlijke colleges. Competentieproblemen tussen de fiscale bestuursrechter
en andere bestuursrechters of de civiele rechter hebben zich in het verleden
maar hoogst zelden voorgedaan. Nu de bevoegdheid van de fiscale bestuursrechter
materieel niet verandert, is de verwachting gewettigd dat dergelijke
competentieproblemen ook in de toekomst hoge uitzondering zullen blijven.
De leden van de fracties van het CDA en de PvdA veronderstellen terecht,
dat de nadelen die voor de justitiabele voortvloeien uit de beoogde concentratie
van rijksbelastingzaken, in voldoende mate kunnen worden gecompenseerd door
gebruik te maken van nevenzittingsplaatsen. Er zij overigens op gewezen dat
de geografische bereikbaarheid van de belastingrechtspraak door deze concentratie
in beginsel niet verslechtert: thans zijn vijf over het land verspreide colleges
bevoegd en dat zal ook in de toekomst zo zijn. Voor zaken betreffende de belastingen
van de decentrale overheden leidt het wetsvoorstel zelfs tot een aanzienlijke
verbetering van de geografische bereikbaarheid van de belastingrechtspraak.
Wij betreuren het dat de leden van de VVD-fractie niet overtuigd zijn
door de argumenten om naast de mogelijkheid van sprongcassatie niet ook nog
eens de mogelijkheid van prorogatie in te voeren. Meer in het bijzonder gaan
deze leden naar mijn oordeel te lichtvaardig voorbij aan het argument, dat
het fiscale procesrecht niet meer dan nodig moet afwijken van het algemene
bestuursprocesrecht. Sinds de invoering van de Algemene wet bestuursrecht
in 1994 is het vast beleid van de opeenvolgende kabinetten geweest, dat van
de algemene regels van bestuursrecht slechts wordt afgeweken indien daarvoor
een voldoende zwaarwegende reden bestaat. Die zwaarwegende reden is er in
het geval van prorogatie niet. Invoering van prorogatie zou immers niet tot
meer versnelling van de procedure kunnen leiden dan reeds met de mogelijkheid
van sprongcassatie kan worden bereikt. Men kan immers niet in één
procedure zowel prorogatie als sprongcassatie toepassen, want dan zou men
geen feitelijke instantie meer overhouden. Het enige verschil met de voorgestelde
regeling zou zijn, dat de justitiabele in voorkomende gevallen zou kunnen
kiezen of hij de rechtbank of het gerechtshof overslaat. Niet kan worden staande
gehouden, dat dit een zo grote winst oplevert, dat dit een inbreuk op het
algemene systeem rechtvaardigt.
De leden van de VVD-fractie komen terug op het aspect van de onderzoeksbevoegdheid
bij verwijzing door de rechter naar de inspecteur. Zij zijn van mening dat
er het een en ander op valt af te dingen wanneer de inspecteur in een dergelijk
geval opnieuw volledig gebruik kan maken van zijn controlebevoegdheden. De
opvatting van deze leden kan ik niet delen. In de situatie dat de zaak onder
de rechter is heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat het noodzakelijke evenwicht
van partijen met zich brengt dat de inspecteur in die fase niet langer gebruik
kan maken van zijn controlebevoegdheden (HR 10 februari 1988, nr. 23 925,
BNB 1988/160). Wanneer de rechter de zaak echter verwijst naar de inspecteur
is sprake van een nieuwe situatie. De rechter zal dan veelal de uitspraak
op bezwaar vernietigen en de inspecteur vragen opnieuw uitspraak op bezwaar
te doen. De rechter kan allerlei redenen hebben om te verwijzen, maar blijkbaar
wil hij dat de inspecteur opnieuw de zaak behandelt en uitspraak doet. In
dat kader moet de inspecteur ook de middelen hebben om opnieuw uitspraak te
doen en daarvoor kan hij zijn controlebevoegdheden nodig hebben. Zouden hem
die op dat moment worden ontzegd, dan ontstaat de paradoxale situatie dat
de inspecteur wordt gevraagd zijn werk te doen, maar hij met lege handen staat.
Naar aanleiding van de vraag over het risico in verband met verlaging
of kwijtschelding van opgelegde boeten wanneer de procedure te lang duurt,
merken wij op dat wij op thans geen reden hebben voor bezorgdheid daarover.
Zoals bij de behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer is aangegeven,
hebben weliswaar enkele gerechtshoven nog te hoge werkvoorraden, maar is wel
sprake van een daling. Het voorgestelde overgangsrecht, inhoudende dat reeds
aanhangige zaken in behandeling blijven bij de gerechtshoven, biedt ook de
mogelijkheid deze werkvoorraden verder terug te dringen. Voorts
biedt de nu voorgestelde procedure in zijn totaliteit garanties voor kwaliteit
zonder dat dit ten koste hoeft te gaan van snelheid. Er zijn bijvoorbeeld
mogelijkheden voor een versnelde procedure ingebouwd waar daar aanleiding
toe is.
De Minister van Justitie,
J. P. H. Donner