Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2004-200528863 nr. E

28 863
Aanpassing van enkele onderdelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met het nieuwe procesrecht

E
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1

Vastgesteld 14 juni 2005

De memorie van antwoord gaf aanleiding tot een enkele aanvullende opmerking en vraag zijdens de CDA-fractie.

De minister van Justitie antwoordt op de vraag of hij er thans zeker van is, dat met het voorliggende wetsvoorstel alle onjuiste, overbodige of achterhaalde verwijzingen zijn weggewerkt en ontbrekende verwijzingen of passages zijn toegevoegd, dat dat het geval is voorzover hij kan nagaan. De leden van de CDA-fractie zijn echter nog op een onvolkomenheid gewezen, namelijk dat in het wetsvoorstel een bepaling zonder nadere toelichting wordt geschrapt die van praktisch nut is. Zij doelden op artikel VII sub Na, waarin artikel 146, derde lid Rv wordt geschrapt, de bepaling die de geopposeerde het recht geeft te anticiperen. Door het ontbreken van iedere toelichting lijkt het de wil van de wetgever deze anticipatiemogelijkheid te schrappen. Of dat de bedoeling van de minister is, is niet duidelijk. In ieder geval zouden de leden hier aan het woord de schrapping als een cosmetische willen zien onder de aantekening, dat op grond van artikel 147 jo 126 Rv de anticipatiemogelijkheid van de gedaagde ook (onverminderd) openstaat voor de geopposeerde. Kan de minister daarmee instemmen?

De leden van de CDA-fractie vonden het onbevredigend, dat omtrent het (moment van het) nemen van de conclusie van antwoord onduidelijkheid blijft bestaan. Het argument dat bij toevoeging van een bepaling over het antwoord in reconventie het onzeker wordt welke bepalingen van de vijfde afdeling toepassing vinden, overtuigde hen niet, al was het maar omdat dit met zoveel woorden zou kunnen worden toegevoegd. Onbevredigend is ook, aldus deze leden, dat enkel wordt gesteld door de minister dat het niet wenselijk is een regeling in de wet op te nemen. Zagen de leden van de CDA-fractie het goed, dan lijkt het enige «inhoudelijke» argument voor die onwenselijkheid, dat de rechter flexibiliteit moet worden geboden. Dat wordt echter niet nader toegelicht. Waarom behoeft de rechter op dit punt flexibiliteit? Welke reden kan de rechter hebben om niet vóór de comparitie over de conclusie van antwoord in reconventie te willen of te hoeven beschikken? Waarom zou dit op gespannen voet staan met artikel 138, eerste lid Rv?

De voorzitter van de commissie

Van de Beeten

De griffier van de commissie,

Janssen


XNoot
1

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Wagemakers (CDA), Witteveen (PvdA), De Wolff (GL), Van de Beeten (CDA), voorzitter, Broekers-Knol (VVD), De Graaf (VVD), Kox (SP), Westerveld (PvdA), Engels (D66) en Franken (CDA).