B
MEMORIE VAN ANTWOORD
Met belangstelling heeft de regering kennis genomen van het voorlopig
verslag van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het
doet ons genoegen dat de commissie bereid is geweest het verslag binnen een
korte termijn op te stellen.
In antwoord op de vragen van de leden van de CDA-fractie over de positie
van woonwagenbewoners en bezitters van woonboten merkt de regering op dat
op grond van het in de WWB geldende complementariteitsbeginsel in principe
alle middelen bij de bijstandsverlening in aanmerking dienen te worden genomen.
Dit geldt voor zowel het vermogen gebonden in de eigen woning als voor het
vermogen gebonden in de eigen woonwagen en eigen woonboot. Hierdoor ontstaat
bij de behandeling van dit vermogen rechtsgelijkheid tussen eigenaren van
een woning en eigenaren van een woonwagen of woonboot. Ook is hiermee een
door de rechtspraak op dit punt geconstateerd hiaat ingevuld.
Het vaartuigenbeleid wordt bepaald door gemeenten en kan nadere voorwaarden
bevatten ten aanzien van de ligplaats, de woonboot en de noodzakelijke voorzieningen.
De waarde van de woonboot in het economisch verkeer wordt onder meer bepaald
door de plaats, de omgeving van het schip, de verwachting dat het schip op
die plaats kan blijven liggen, de aanwezige voorzieningen en de staat van
onderhoud. Bij de vaststelling van het vermogen in de woonboot in het kader
van de vermogenstoets van de WWB worden deze criteria in het individuele geval
door de gemeente beoordeeld. Met dit maatwerk kunnen gemeenten recht doen
aan de feitelijke situatie van huizenbezitters, bezitters van een woonboot
en bezitters van een woonwagen.
De regering zegt toe in de bij de behandeling van het voorliggend wetsvoorstel
in de Tweede Kamer toegezegde notitie over de vermogensvrijlating van de eigen
woning in de bijstand in relatie tot de ontwikkeling van de huizenprijzen
ook aandacht te schenken aan de woonboten. Wellicht ten overvloede merkt de
regering op dat daarbij alleen gebruik wordt gemaakt van bestaande informatiestromen
en dat er geen extra onderzoek bij gemeenten zal plaatsvinden.
De leden van de CDA-fractie plaatsten enige kanttekeningen bij het door
de Tweede Kamer aanvaarde amendement over de vakantieduur van personen
ouder dan 57,5 jaar met een individuele ontheffing. Zij vragen waarom de suggestie
om deze problematiek te koppelen aan de wetgeving waarbij ook de leeftijdstoets
in alle socialezekerheidswetten tegen het licht worden gehouden niet is gevolgd.
De regering gaat ervan uit dat deze leden doelen op het overzicht van leeftijdsgrenzen
in wet- en regelgeving dat in april jongstleden aan het parlement is gezonden
(Kamerstukken II 2003/2004, 28 170, nr. 28). Dit overzicht heeft alleen
betrekking op de materiële werkingssfeer van de Wet gelijke behandeling
op grond van leeftijd bij arbeid (arbeid, beroep en beroepsonderwijs) en strekt
zich derhalve niet uit tot de socialezekerheidswetten.
Voorts zijn er vragen gesteld die betrekking hebben op het wetsvoorstel
Wijziging van de Invoeringswet Wet werk en bijstand in verband met het verlenen
van de bevoegdheid aan gemeentebesturen om in het kader van de Wet werk en
bijstand categoriale regelingen voor de kosten van chronische ziekte of handicap
voort te zetten of nieuwe categoriale regelingen terzake tot stand te brengen
(29 420).
In antwoord op de vragen van de leden van de PvdA-fractie hoe de regering
de implementatie van de categoriale regeling voor chronisch zieken en gehandicapten
bevordert en of zij het wenselijk acht dat alle gemeenten zo'n regeling kennen,
wijst de regering op haar inspanningen om de mogelijkheden voor de gemeenten
om in het kader van de WWB ten behoeve van de doelgroep chronisch zieken gehandicapten
en ouderen aanvullende inkomensondersteuning te bieden, maximale bekendheid
te geven. In de Handreiking voor de verlening van bijzondere bijstand aan
chronisch zieken, gehandicapten en ouderen, die onder alle gemeenten is verspreid,
zijn de gemeenten ideeën en suggesties aangereikt voor de ontwikkeling
van een specifiek gemeentelijk beleid bijzondere bijstand voor deze doelgroep.
Daarnaast worden ook regelmatig bijeenkomsten georganiseerd waarin de gemeenten
onder andere met betrekking tot dit beleidsveld ervaringen (best practices)
met elkaar kunnen uitwisselen, en vragen kunnen stellen. De gemeenten hebben
in het kader van de WWB een drietal mogelijkheden om genoemde doelgroep inkomensondersteuning
te bieden, te weten individuele bijzondere bijstand, categoriale bijzondere
bijstand en een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering. Het is uiteindelijk
aan de gemeenten zelf om te kiezen welke vorm van aanvullende inkomensondersteuning
of combinatie van vormen het meeste recht doet aan de positie van de chronisch
zieken en gehandicapten in de betreffende gemeente. Voorts is een gemeente
die geen gebruik maakt van de mogelijkheid om voor de kosten van chronische
ziekte en handicap een categoriale regeling te treffen, altijd gehouden aan
het individuele recht op bijzondere bijstand zoals neergelegd in artikel 35,
eerste lid WWB.
De vraag van de leden van de PvdA-fractie of de Wet werk en bijstand een
voldoende adequaat middel is indien blijkt dat veel gemeenten niet tot het
maken van een categoriale regeling overgaan, beantwoordt de regering als volgt.
De regering acht de WWB een voldoende adequaat middel en vangnet om de gemeenten
op lokaal niveau in staat te stellen chronisch zieken en gehandicapten een
passende aanvullende inkomensondersteuning te bieden. Zoals hiervoor is aangegeven,
is het aan de gemeenten om te kiezen welke rol de categoriale bijzondere bijstand
bij die aanvullende inkomensondersteuning speelt. De zorg die de leden van
de PvdA-fractie uitspreken over de inkomenspositie van de minima, omdat hun
inkomensachteruitgang naar hun mening ernstiger uitpakt dan het kabinet had
voorspeld, deelt de regering dan ook niet.
In antwoord op de technische vraag van de leden van de VVD-fractie waarom
de mogelijkheid van categoriale bijzondere bijstand in de vorm van
een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering in de Invoeringswet WWB
(artikel 10, tweede lid) is geregeld en niet in artikel 35 van de WWB, wijst
de regering op het tijdelijke karakter van de categoriale regeling voor chronisch
zieken en gehandicapten. Zoals uit de memorie van toelichting op de Invoeringswet
WWB blijkt, ziet de regering de categoriale bijzondere bijstand voor chronische
ziekte en handicap nadrukkelijk in samenhang met ontwikkelingen rond de voorliggende
voorzieningen, zoals de invoering van een nieuw zorgstelsel.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H. A. L. van Hoof