29 224
Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000, houdende verlenging van de tijdelijkheid van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

A
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

16 december 2003

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de tijdelijkheid van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, te verlengen tot vijf jaar;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Vreemdelingenwet 2000 wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 28, tweede lid, wordt «drie» telkenmale vervangen door: vijf.

B

In artikel 34 wordt «drie achtereenvolgende jaren» vervangen door: vijf achtereenvolgende jaren.

C

In artikel 40 wordt «vier weken voordat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afloopt» vervangen door: vier weken voordat de vreemdeling gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder c, heeft gehad.

D

Artikel 44 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het derde lid vervalt.

2. Het vierde en vijfde lid worden vernummerd tot derde en vierde lid.

ARTIKEL II

Deze wet is van toepassing, indien de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, is aangevraagd na het tijdstip waarop deze wet in werking is getreden.

ARTIKEL III

Indien dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven en in werking treedt voordat het bij koninklijke boodschap van 8 september 2003 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie richtlijn nr. 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequentie van de opvang van deze personen (PbEG L 212) (Kamerstukken II 2002–2003, 29 031, nrs. 1–3) tot wet wordt verheven en in werking treedt, vervalt artikel I, onderdeel C van laatstgenoemd wetsvoorstel.

ARTIKEL IV

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

Naar boven