B
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 4 december 2003
De leden van de fractie van het CDA hebben met instemming kennisgenomen
van het voorstel van wet strekkende tot materiële implementatie van het
initiatiefwetsvoorstel Hillen en hebben geen verdere schriftelijke vragen.
De leden van de fracties van de PvdA en de VVD hebben in het verslag wel enkele
aanvullende vragen gesteld, die in het navolgende zullen worden beantwoord.
De leden van de fracties van de PvdA en de VVD verzoeken in te gaan proportionaliteit
van de voorgestelde maatregel, te meer gezien de onzekere economische tijden.
De maatregel vindt zijn oorsprong in het Strategisch Akkoord (Kamerstukken
II, 2001/02, 28 375, nr. 5, bijlage 3). Hierin werd aangekondigd dat
het initiatiefwetsvoorstel Hillen (materieel) zou worden ingevoerd. Het kabinet
Balkenende I wilde op deze wijze de aflossing van de eigenwoningschuld stimuleren.
Het kabinet Balkenende II heeft dit beleidsvoornemen overgenomen (zoals ook
blijkt uit de bij het Hoofdlijnenakkoord gevoegde doorrekening van het CPB,
zie Kamerstukken II, 2002/03, 28 637, nr. 19, p. 42). De regering wil
op deze wijze de financiering van de eigen woning met eigen middelen bevorderen.
De voorgestelde lastenverlichting geldt bijvoorbeeld voor eigenwoningbezitters
die hun eigen woning door middel van aflossing van de eigenwoningschuld of
direct bij aankoop met eigen middelen financieren. Deze maatregel, in samenhang
met de maatregelen rondom de eigen woning in het Belastingplan 2004, is erop
gericht de totale eigenwoningschuld in Nederland in de toekomst beheersbaar
te houden. Het voorgaande rechtvaardigt naar de mening van de regering een
maatregel in de vorm van lastenverlichting als voorgesteld.
De leden van de fractie van de VVD vragen voorts in te gaan op de evaluatie
van de doelstelling van de voorgestelde maatregel, die volgens deze leden
nauwelijks is gekwantificeerd. Hiervoor is reeds beschreven dat deze maatregel
in het bijzonder is bedoeld als aflossingsprikkel voor eigenwoningbezitters
met nog slechts een geringe eigenwoningschuld. Daarnaast is de regering ervan
overtuigd dat de voorgestelde maatregel ook voor de overige eigenwoningbezitters
een (zij het kleinere) prikkel tot aflossing met zich draagt. Deze doelstelling
wordt uiteindelijk getoetst aan het aantal eigenwoningbezitters
zonder of met een geringe eigenwoningschuld in 2008 ten op zichte van het
aantal in 2003.
De leden van de fracties van de PvdA en de VVD vragen vervolgens uiteen
te zetten waarom de voorgestelde regeling, anders dan neergelegd in het initiatiefwetsvoorstel
Hillen, in de ogen van de regering niet in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel.
Het juridische risico in relatie tot het gelijkheidsbeginsel is tweeledig.
Het risico van het initiatiefwetsvoorstel betreft in de eerste plaats
het verschil in behandeling binnen de eigenwoningregeling van eigenwoningbezitters
die hun woning hebben gefinancierd met eigen vermogen en degenen die hiertoe
een geldlening zijn aangegaan. Het eigenwoningforfait is een forfaitaire benadering
voor de inkomsten uit de eigen woning en een deel van de op de eigen woning
drukkende kosten en staat los van de financieringswijze. Het woongenot en
bijvoorbeeld onderhoudskosten beperken zich immers niet tot eigen woningen
die ofwel met eigen middelen, ofwel met geleend geld ofwel met een combinatie
hiervan gefinancierd zijn. Het eigenwoningforfait dient dan ook, ongeacht
de wijze van financiering van de eigen woning, van toepassing te zijn. De
maatregel in het voorliggende voorstel handhaaft dit uitgangspunt. De regering
is er dan ook van overtuigd dat deze maatregel niet in strijd komt met het
gelijkheidsbeginsel. De maatregel in het initiatiefwetsvoorstel, een directe
correctie op het eigenwoningforfait, zou daarentegen wel tot gevolg hebben
dat voor de toepasselijkheid en de omvang van het eigenwoningforfait de financieringswijze
van belang is. De kans dat een dergelijke maatregel in strijd komt met het
gelijkheidsbeginsel wordt zeker niet ondenkbeeldig geacht, wat uiteindelijk
een forse budgettaire derving kan betekenen.
Indien een gerechtelijke uitspraak de heffing over het eigenwoningforfait
niet meer mogelijk zou maken, valt een vervolgprocedure niet uit te sluiten.
Voor de goede orde wordt benadrukt dat de regering ervan overtuigd is dat
het navolgende risico enkel van belang is in het geval de maatregel wordt
vormgegeven zoals voorgesteld in het initiatiefwetsvoorstel. Het verlies van
de heffing over het eigenwoningforfait zou leiden tot aantasting van het bronkarakter
van de eigen woning, de belastbare inkomsten uit eigen woning zullen dan vrijwel
altijd nihil of negatief bedragen. De hypotheekrente bezit als het gevolg
van het ontbreken van een bron van inkomen, het karakter van een persoonlijke
verplichting. De zogenoemde aftrek voor «persoonlijke verplichtingen»-rente
is per 1 januari 2001 afgeschaft. Bepaalde groepen belastingplichtigen,
die geen eigen woning bezitten maar wel zogenoemde «persoonlijke verplichtingen»-rente
betalen, zullen zich vervolgens beroepen op het gelijkheidsbeginsel, en proberen
af te dwingen dat ook zij deze rente mogen aftrekken. Ook dit (vervolg)risico
wordt naar het oordeel van de regering voorkomen met de thans gekozen systematiek.
De leden van de fractie van de VVD verzoeken tevens de kritische houding
van de Raad van State en de toenmalige regering ten tijde van de parlementaire
behandeling van het initiatiefwetsvoorstel te betrekken bij de juridische
houdbaarheid omtrent de voorgestelde vormgeving. De Raad van State lijkt de
destijds geuite kritiek niet meer te onderschrijven en de zienswijze van de
regering te ondersteunen. Zij spreekt immers in relatie tot de voorgestelde
vormgeving niet meer over een inbreuk op de wetsystematiek maar betitelt de
regeling expliciet als een belastinguitgave. De conclusie dat de destijds
door het toenmalige kabinet geuite kritiek op het initiatiefwetsvoorstel ook
opgeld zou doen met betrekking tot dit voorstel van wet, zoals de deze leden
menen, deel ik niet. Steun hiervoor wordt gevonden in de uitspraak van de
toenmalige staatssecretaris dat zijn kritische kanttekeningen
anders waren geweest als de maatregel bijvoorbeeld zou zijn vormgegeven als
een heffingskorting (Handelingen II, 2001/02, p. 4745). Hoewel de maatregel
niet is vormgegeven als een heffingskorting, geldt ook voor de thans voorgestelde
maatregel dat de destijds geformuleerde kritiek niet meer van toepassing is.
Het voorgaande alsmede de onderschrijving van de doelstelling die het
voormalige lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal Hillen met zijn initiatiefwetsvoorstel
trachtte te realiseren, hebben tot de nu voorgestelde vormgeving geleid. De
regering is de heer Hillen in deze dank verschuldigd. Daarnaast is de regering
ervan overtuigd dat de voorgestelde maatregel juridisch veel minder kwetsbaar
is en het een bijdrage levert aan de beheersbaarheid van de totale eigenwoningschuld.
De Staatssecretaris van Financiën,
J. G. Wijn