B
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 4 december 2003
De leden van de fractie van het CDA hebben mijn mening gevraagd over het
voorstel van dr. S. A. Stevens om het BTW-compensatiefonds te vervangen
door een verruiming van het aftrekrecht voor publiekrechtelijke lichamen en
vrijgestelde ondernemers, in combinatie met een beperkte uitleg van het begrip
«handelen als overheid». In reactie hierop merk ik op, dat het
recht op aftrek van BTW en de uitleg van het begrip «handelen als overheid»
volledig worden beheerst door de Zesde Richtlijn inzake de omzetbelasting
en de daarop gebaseerde rechtspraak van het Hof van Justitie. Die richtlijn
en jurisprudentie bieden geen ruimte voor de aanpak die Stevens bepleit. Hij
is zich dat ook bewust, getuige de opmerking in zijn dissertatie dat voor
de door hem voorgestelde ruimere mogelijkheid tot BTW-aftrek een aanpassing
van de Zesde Richtlijn noodzakelijk is. Daarnaast geeft hij aan dat het lastig
zal zijn een dergelijke aanpassing budgettair neutraal uit te voeren. Ik ben
van oordeel dat het niet realistisch is te verwachten dat de door Stevens
bepleite, vrij fundamentele aanpassing van de Zesde Richtlijn met aanzienlijke
budgettaire gevolgen voor alle EU-landen, tot de mogelijkheden behoort. Dat
is ook de reden dat in Nederland, in navolging van verschillende andere EU-landen,
is gekozen voor de – budgettair neutrale – introductie van de
mogelijkheid tot compensatie door middel van het BTW-compensatiefonds. Met
dit fonds is binnen de bestaande mogelijkheden naar mijn mening het best haalbare
gerealiseerd om te komen tot een neutrale afweging tussen het zelf uitvoeren
van taken en het uitbesteden daarvan door gemeenten, provincies en regionale
openbare lichamen. In de notitie Verkenning van de wenselijkheid en mogelijkheid
van BTW-compensatie voor waterschappen, politiekorpsen, de zorg en het onderwijs
is overigens geconcludeerd, dat er onvoldoende aanleiding is om voor die sectoren
een BTW-compensatiefonds in te voeren (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001–2002,
27 293, nr. 17). De afweging tussen zelf doen en uitbesteden en de verstorende
werking van de BTW daarbij, speelt in die sectoren slechts een beperkte rol.
Met mijn brief van 30 juni 2003 (kenmerk Fipuli 2003–245m) heb ik
de besturen van gemeenten, kaderwetgebieden en provincies geïnformeerd
over de stand van zaken inzake het BTW-compensatiefonds. In deze brief is
een duidelijke richtlijn voor de omgang met specifieke uitkeringen en subsidies gegeven. In deze richtlijn is aangegeven dat bestaande –
die tot en met 2003 worden of zijn ingesteld – subsidies bruto (inclusief
BTW-component) moeten worden verstrekt en nieuwe subsidies die vanaf 2004
worden ingesteld netto (exclusief BTW) moeten worden verstrekt. Op dit moment
ben ik – in overleg met het IPO en de VNG – aan het bezien in
hoeverre specifieke uitkeringen in de toekomst netto kunnen worden verstrekt.
Tevens zijn de besturen met deze brief geïnformeerd over het standpunt
van de Europese Commissie betreffende EU-subsidies, waarmee werd geconcludeerd
dat de BTW die voor compensatie uit het BTW-compensatiefonds in aanmerking
komt, deel uit mag maken van de betalingsaanvragen aan de Commissie.
Ik heb vernomen dat er bij sommige gemeenten, kaderwetgebieden en provincies
toch onzekerheid bestaat over de compensabiliteit van BTW bij EU-subsidies.
Teneinde deze onzekerheid weg te nemen, werken mijn ambtenaren op dit moment
samen met andere betrokken departementen aan een nadere onderbouwing en uitleg
van de richtlijn voor de compensabele BTW bij EU-subsidies.
De Staatssecretaris van Financiën,
J. G. Wijn