Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Eerste Kamer der Staten-Generaal2003-200429034 nr. B

29 034
Wijziging van enkele belastingwetten in verband met de implementatie van Richtlijn 2003/49/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende de gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten

B
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 11 december 2003

De leden van de CDA-fractie vragen een reactie op de door mr. drs. S.A.W.J. Strik opgeworpen vraag of een hybride lening op «stand alone»-basis onder omstandigheden kan leiden tot een kwalificerend belang in de zin van de Moeder-dochterrichtlijn (Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht 2003/1601).

Evenals Strik ben ik van mening dat dit niet het geval is. De Moeder-dochterrichtlijn is volgens artikel 3, eerste lid, van die richtlijn van toepassing als een moedermaatschappij een deelneming van tenminste 25% bezit in het kapitaal van een dochtermaatschappij. De Engelse tekst spreekt in dat verband over «a minimum holding of 25% in the capital». Vertaald naar het Nederlandse fiscale recht kan dat slechts zien op een bezit van 25% in het nominaal gestorte kapitaal en daarvan is bij een hybride schuldvordering geen sprake. Overigens geldt dit ook in puur nationale verhoudingen. Een hybride schuldvordering op zichzelf kan niet tot toepassing van de deelnemingsvrijstelling leiden, terwijl ook de vrijstelling van dividendbelasting ten aanzien van vergoedingen op een dergelijke schuldvordering toepassing mist als niet tevens sprake is van een eigenlijke deelneming.

De leden van de CDA-fractie merken voorts op dat het wetsvoorstel niets regelt met betrekking tot onderdeel b van artikel 17a, eerste lid, Wet Vpb. Deze leden vragen zich af of winstdelende leningen die niet worden geacht te functioneren als eigen vermogen in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, Wet Vpb, onder het toepassingsbereik van genoemd onderdeel b kunnen vallen, en zo ja of in dat geval een mogelijke strijdigheid met de Interest- en royaltyrichtlijn opdoemt.

Naar aanleiding hiervan merk ik op dat het gelet op de uitspraak van het Hof 's-Gravenhage van 6 maart 1961 (Rolno. 26/1961 MI), gepubliceerd in BNB 1961/324, niet is uitgesloten dat vergoedingen op winstdelende leningen onder het bereik van art. 17a, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb, kunnen worden gebracht. Die uitspraak betrof de toepassing van het met de onderhavige bepaling vergelijkbare artikel 39, eerste lid, ten tweede, letter b, Wet IB '41. Het Hof besliste dat het door een buitenlander als tegenprestatie tegenover de verstrekte geldlening bedongen aandeel in de winst, niet alleen met deze benaming in de akte van schuldbekentenis werd aangeduid, maar ook wezenlijk een aandeel in de winst voorstelt en dus op grond van eerder vermelde bepaling leidde tot belastingplicht. Ten aanzien van de vraag of daarmee een mogelijke strijdigheid met de Interest- en royaltyrichtlijn opdoemt, wijs ik erop dat op grond van artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de richtlijn winstdelende leningen niet onder het toepassingsbereik van de Interest- en royaltyrichtlijn vallen. Dit betekent dat er met betrekking tot winstdelende leningen geen strijdigheid met de richtlijn kan optreden, ongeacht de vraag of dergelijke leningen al dan niet onder het genoemde artikel 17a, eerste lid, onderdeel b van de Wet Vpb vallen.

Ten aanzien van de reikwijdte van de term «effectenbezit» merk ik op dat dit begrip conform het algemeen gangbare spraakgebruik dient te worden opgevat. Voor een invulling van het begrip effecten kan voorts aansluiting worden gezocht bij de definitie die wordt gegeven in artikel 1, onder a, van de Wet Toezicht Effectenverkeer, alwaar effecten worden omschreven als:

1. aandeelbewijzen, schuldbrieven, winst- en oprichtersbewijzen, optiebewijzen, warrants, en soortgelijke waardepapieren;

2. rechten van deelgenootschap, opties, rechten op overdracht op termijn van zaken, inschrijvingen in aandelen- en schuldregisters, en soortgelijke, al dan niet voorwaardelijke, rechten;

3. certificaten van waarden als hiervoor bedoeld;

4. recepissen van waarden als hiervoor bedoeld.

Of Nederland zijn nationale heffingsrecht onder de gesloten belastingverdragen zou kunnen effectueren, deze leden vragen daarnaar, kan niet in zijn algemeenheid worden beantwoord. Dit hangt af van het van toepassing zijnde belastingverdrag. Sommige verdragen scharen winstdelende leningen onder het interestartikel (bijvoorbeeld het belastingverdrag met Frankrijk) en in sommige verdragen worden dergelijke leningen geschaard onder het dividendartikel (bijvoorbeeld in het belastingverdrag met Finland). Nadat is uitgemaakt welk artikel op de betreffende situatie van toepassing is, zal moeten worden beoordeeld of aan Nederland als bronland onder dat artikel een heffingsrecht toekomt. Het gegeven dat in de door Nederland gesloten belastingverdragen aan het bronland doorgaans geen of slechts een beperkt heffingsrecht wordt toegekend, draagt er mede toe bij dat ten aanzien van winstdelende leningen de mogelijke de toepassing van artikel 17a, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb, in EG verband een zeer theoretische kwestie is.

Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie aandacht voor de opmerkingen gemaakt in de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer over de uitbreiding van het voorgestelde tweede lid van artikel 17a met een fonds voor gemene rekening en een coöperatie. Zij vragen zich af of de stelling in de nota dat een fonds voor gemene rekening en een coöperatie geen «vennootschap» zijn voor de toepassing van artikel 17a, eerste lid, onderdeel c, Wet Vpb, juist is.

In dat verband merk ik op dat in de nota ten onrechte de werking van de artikelen 4.5 en 4.5a, Wet IB 2001, waar door de leden van de CDA-fractie op wordt gewezen, buiten beschouwing is gebleven. Deze artikelen stellen fondsen voor gemene rekening en coöperaties voor de toepassing van de aanmerkelijk belangregeling gelijk met vennootschappen. Omdat artikel 17, derde lid, onderdeel b, wet Vpb rechtstreeks verwijst naar hoofdstuk 4 van de Wet IB 2001, terwijl artikel 17a, eerste lid, onderdeel c, Wet Vpb weer verwijst naar artikel 17, derde lid, onderdeel b, gelden deze gelijkstellingen evenzeer voor deze bepalingen in de Wet Vpb. Voor toepassing van de nationale wet vallen vorderingen op in Nederland gevestigde fondsen voor gemene rekening en coöperaties dus wel onder het bereik van artikel 17a, eerste lid, onderdeel c. Dit maakt de oorspronkelijk door de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs gedane suggestie om dergelijke vorderingen eveneens onder het toepassingsbereik van de uitzonderingsbepaling van het voorgestelde tweede lid te brengen, weer van belang. Hoewel de rechtsvormen fonds voor gemene rekening en coöperatie op grond van artikel 3, onderdeel a, van de Interest- en royaltyrichtlijn buiten het bereik van de richtlijn vallen, ben ik voornemens aan deze suggestie tegemoet te komen. Daarmee is de samenhang in de nationale wet gediend en wordt tevens geanticipeerd op een mogelijk latere uitbreiding van de reikwijdte van de Interest- en royaltyrichtlijn. Gezien de binnenkort te verwachten uitbreiding van de Moeder-dochterrichtlijn, waardoor ook fondsen voor gemene rekening en coöperaties zullen vallen onder de reikwijdte van die richtlijn, is een dergelijke toekomstige uitbreiding voor de Interest- en royaltyrichtlijn niet ondenkbeeldig.

De betreffende aanpassing van artikel 17a, tweede lid, zal worden opgenomen in één van de volgend jaar in te dienen wetsvoorstellen en zal terugwerken tot 1 januari 2004.

De Staatssecretaris van Financiën,

J. G. Wijn