Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2003-200429034 nr. A

29 034
Wijziging van enkele belastingwetten in verband met de implementatie van Richtlijn 2003/49/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende de gemeenschappelijke belastingregeling inzake uitkeringen van interest en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten

A
VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIËN1

Vastgesteld 5 december 2003

Het voorbereidend onderzoek gaf de commissie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

De leden van de CDA-fractie vroegen allereerst een reactie op de door Mr.Drs.S.A.W.J.Strik opgeworpen vraag of een hybride lening op «stand alone»-basis onder omstandigheden kan leiden tot een kwalificerend belang in de zin van de moeder/dochter richtlijn (zie Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht 2 oktober 2003).

Het nieuwe tweede lid van art. 17a Wet Vpb 1969 bevat een EU uitzondering op het heffingsrecht onder art. 17a, eerste lid, Wet Vpb 1969, onderdeel c ter zake van rente ontvangen op schuldvorderingen verstrekt door aanmerkelijkbelanghouders. Het wetsvoorstel regelt echter niets met betrekking tot onderdeel b van art. 17a, eerste lid, Wet Vpb 1969, zo merkten deze leden op. Niet uitgesloten kan worden dat met betrekking tot schuldvorderingen mogelijk ook art. 17a, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969 (rechten op aandelen in de winst niet voortspruitend uit effectenbezit) kan worden toegepast, zodat de vraag rijst of in de relatie met onderdeel b van art. 17a, eerste lid, Wet Vpb 1969 de richtlijn niet ook moet worden geïmplementeerd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan winstdelende leningen die niet worden geacht te functioneren als eigen vermogen in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d. Het in het wetsvoorstel voorgestelde nieuwe tweede lid van art. 17a verwijst alleen naar onderdeel c («het eerste lid onderdeel c, is niet van toepassing»). Moet hier ook niet onderdeel b worden genoemd? Anders gezegd, door dit niet te doen, implementeert Nederland de richtlijn dan wel goed? Overigens is het zeer de vraag of op dergelijke winstdelende leningen onderdeel b van art. 17a, eerste lid wel van toepassing is, zo meenden deze leden. Door in het voorgestelde tweede lid van art. 17a ook een verwijzing op te nemen naar onderdeel b, is in elk geval de mogelijke strijdigheid met de rente/royaltyrichtlijn op voorhand beëindigd. Indien de staatssecretaris van Financiën van mening is dat op dit punt geen sprake is van strijdigheid met de richtlijn, zou hij dan de volgende vragen willen beantwoorden?

a. Kunnen zijns inziens vergoedingen op winstdelende leningen die niet worden geacht te functioneren als eigen vermogen, onder het bereik van art. 17a, eerste lid, onderdeel b worden gebracht?

b. Hoe ruim of beperkt legt de staatssecretaris de in de praktijk als bijzonder onduidelijk ervaren term «effectenbezit» uit?

c. Indien de staatssecretaris de mening is toegedaan dat vraag a. bevestigend moet worden beantwoord, kan Nederland zijns inziens dit nationale heffingsrecht onder de gesloten belastingverdragen effectueren? De vergoedingen op een lening die niet wordt geacht te functioneren als eigen vermogen kunnen, zo mag worden aangenomen, immers niet onder het dividendartikel worden gebracht, en, in afwezigheid van een «echte» Nederlandse vaste inrichting, lijkt heffing onder de Nederlandse verdragen niet mogelijk, aldus deze leden.

In de nota naar aanleiding van het verslag antwoordt de staatssecretaris op een voorstel van de Orde om het voorgestelde tweede lid van art. 17a uit te breiden met een fonds voor gemene rekening en een coöperatie, letterlijk het volgende: «Een dergelijke uitbreiding zou zonder betekenis zijn. De toepassing van artikel 17a, eerste lid, onderdeel c, beperkt zich namelijk tot schuldvorderingen op een Nederlandse «vennootschap». Omdat een fonds voor gemene rekening of coöperatie niet als vennootschap kan worden aangemerkt, worden schuldvorderingen op deze lichamen niet tot een Nederlandse onderneming in de zin van artikel 17a gerekend en strekt de buitenlandse belastingplicht zich dus niet uit tot de inkomsten uit deze vorderingen. Er is in die situaties dan ook geen reden om in het voorgestelde tweede lid de desbetreffende bepalingen buiten toepassing te verklaren.» Een schuldvordering van een buitenlands lichaam (die geen onderneming drijft) op een in Nederland gevestigd fonds voor gemene rekening of coöperatie, valt derhalve niet onder art. 17a, eerste lid, onderdeel c, Wet Vpb 1969, zo merkten deze leden op, omdat het geen schuldvordering op een in Nederland gevestigde vennootschap betreft. Met betrekking tot een dergelijke schuldvordering is er dus geen sprake van buitenlandse belastingplicht in Nederland. De vraag is of ditzelfde ook geldt voor art. 17, derde lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969; de vraag is dus of een buitenlands lichaam een aanmerkelijk belang kan hebben in een in Nederland gevestigd fonds voor gemene rekening of coöperatie. Ook voor deze bepaling is namelijk vereist dat er sprake is van een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde «vennootschap». Zou de staatssecretaris willen bevestigen, zo vroegen de leden van de CDA-fractie tot besluit, dat als een fonds voor gemene rekening of een coöperatie voor de toepassing van art. 17a, eerste lid, onderdeel c, Wet Vpb 1969 geen «vennootschap» is, dit evenzeer geldt voor de toepassing van art. 17, derde lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969, daarmee in zoverre de «gelijkstellingen» van art. 4.4 en art. 4.5a Wet IB 2001 (die blijkens art. 18, tweede lid, Wet Vpb 1969 ook gelden voor de buitenlandse belastingplicht in de vennootschapsbelasting) terzijde schuivend.

Vertrouwende, dat deze vragen tijdig zullen worden beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over het onderhavige wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

Essers

De griffier van de commissie,

Janssen


XNoot
1

Samenstelling: Schuyer (D66), Ketting (VVD), Rabbinge (PvdA), Platvoet (GL), Terpstra (CDA), Van Driel (PvdA), Doek (CDA), Van Middelkoop (CU) Biermans (VVD) (plv.voorzitter), Essers (CDA) (voorzitter), Van Raak (SP), Leijnse (PvdA).