Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Eerste Kamer der Staten-Generaal2003-200428924 nr. C

28 924
Regeling van het conflictenrecht met betrekking tot het geregistreerd partnerschap (Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap)

28 836 (R 1735)
Aanpassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap en de Rijkswet van 21 december 2000 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap (Stb. 618), mede in verband met de totstandkoming van de Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap

C
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 2 juli 2004

Het verheugt mij dat de wetsvoorstellen gunstig ontvangen zijn. Naar aanleiding van het verzoek om commentaar in het verslag zou ik graag als volgt willen reageren.

Huwelijksvermogensrecht

Door de Vaste Commissie voor Justitie is naar aanleiding van een juridisch-technische opmerking van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) verzocht om commentaar.

Het betreft de rechtskeuzemogelijkheid zoals opgenomen in artikel 6, tweede lid, en 8, tweede lid, van het wetsvoorstel.

Gesteld wordt dat, hoewel uit de memorie van toelichting blijkt dat getracht is aan te sluiten bij het op 14 maart 1978 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime (Trb. 1988, 130, hierna: verdrag), de voorgestelde rechtskeuzemogelijkheid voor geregistreerde partners niet met dit verdrag strookt. Op grond van dit verdrag kunnen echtparen – kort gezegd – kiezen voor het recht waarmee zij door nationaliteit (van één van beiden) of door woonplaats (van één van beiden) verbonden zijn. Blijkens genoemde bepalingen in het wetsvoorstel gelden deze beperkingen niet voor geregistreerde partners en krijgen geregistreerde partners een ruimere keuzemogelijkheid dan echtgenoten hebben onder het verdrag, aldus de KNB.

In het wetsvoorstel is, in lijn met het advies van de Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht, inderdaad getracht zo veel mogelijk aansluiting te vinden bij de verwijzingsregels voor het huwelijksvermogensregime. Even als door de Staatscommissie is onder ogen gezien dat volledige aansluiting bij het verdrag voor wat betreft de rechtskeuzemogelijkheid niet goed mogelijk is. Indien namelijk aan de rechtskeuzemogelijkheid dezelfde beperkingen gesteld zouden worden als in artikel 3, tweede lid, van het verdrag, zou dit kunnen leiden tot aanpassingsproblemen; de Nederlandse rechter zou dan genoopt kunnen worden om bepalingen uit een vreemd rechtsstelsel toe te passen die zijn bedoeld voor een instituut dat niet gelijk kan worden gesteld met het Nederlandse geregistreerd partnerschap. Met name zijn problemen te verwachten als een recht wordt gekozen dat het geregistreerd partnerschap niet kent. Derhalve is de beperking opgenomen dat het gekozen recht een stelsel is dat (een vorm van) het geregistreerd partnerschap kent.

Bezien is voorts of de rechtskeuzemogelijkheid nog verder beperkt zou moeten worden in die zin dat alleen een rechtskeuze voor het nationale recht (van één van de partners) of het recht van de gewone verblijfplaats (van één van de geregistreerde partners) mogelijk zou moeten zijn, mits dat recht een vorm van het geregistreerd partnerschap kent.

Hoewel het instituut van het geregistreerd partnerschap geleidelijk steeds meer ingang vindt, is het nog steeds niet wijdverbreid.

De keuzevrijheid van de aanstaande partners zou, gelet op het nog steeds beperkte aantal landen dat dit instituut kent, in dat geval aanzienlijk beperkt worden en in bepaalde gevallen zelfs illusoir worden. Aangezien het wenselijk is om geregistreerde partners een reële keuzemogelijkheid te bieden is gekozen voor de beperking van de keuzemogelijkheid zoals voorgesteld (artikel 6, tweede lid, en 8, tweede lid). Deze keuzemogelijkheid is overigens niet al te ruim, omdat het aantal landen dat het geregistreerd partnerschap kent niet groot is. Van een ruimere keuzemogelijkheid dan voor echtparen is dan ook geen sprake. Zowel voor echtparen als voor geregistreerde partners gelden beperkingen bij de rechtskeuze.

Alleen verschillen deze beperkingen om redenen zoals hierboven uiteengezet. Daarbij merk ik op dat ik verwacht dat partners veelal een rechtsstelsel zullen kiezen waarmee zij op enigerlei wijze verbonden zijn, al dan niet door nationaliteit of gewone verblijfplaats.

Voorts teken ik hierbij aan dat denkbaar is dat op termijn, als het instituut geregistreerd partnerschap meer ingang heeft gevonden, de betreffende bepalingen aangepast worden in die zin dat de rechtskeuzemogelijkheid – net als bij echtparen – beperkt wordt tot het recht waarmee zij door nationaliteit (van één van beiden) of door woonplaats (van één van beiden) verbonden zijn.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner