Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2003-200428924 nr. B

28 9241
Regeling van het conflictenrecht met betrekking tot het geregistreerd partnerschap (Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap)

28 836 2(R 1735)
Aanpassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap en de Rijkswet van 21 december 2000 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap (Stb. 618), mede in verband met de totstandkoming van de Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap

B
VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE3

Vastgesteld 30 juni 2004

Naar aanleiding van het wetsvoorstel Wet Conflictenrecht geregistreerd partnerschap en de daarbij betrokken aanpassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap heeft de vaste commissie voor Justitie van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) een juridisch-technische opmerking ontvangen over het onderdeel van het partnerschapsvermogensregime. Gezien de gewenste zorgvuldigheid van wetgeving en de aard van deze opmerking, heeft de commissie gemeend deze opmerking met verzoek om commentaar aan de regering te moeten voorleggen.

De artikelen 6 en 8 van het wetsvoorstel van de Wet Conflictenrecht geregistreerd partnerschap geven regels met betrekking tot de rechtskeuze die partners kunnen uitbrengen voor het recht dat van toepassing is op het partnerschapsvermogensregime.

Artikel 6 lid 2 bepaalt dat de aanstaande partners uitsluitend kunnen kiezen voor een recht dat het instituut van het geregistreerde partnerschap kent. Artikel 8 lid 2 kent een soortgelijke beperking. Op zich is deze beperking juist.

Wat evenwel bevreemdt is het volgende. De consequentie van deze regel is dat bijvoorbeeld twee Nederlanders die in Nederland woonachtig zijn, kunnen kiezen voor een rechtsstelsel (bijvoorbeeld het Deense recht), terwijl zij noch door nationaliteit van één van beide partners noch door woonplaats van één van beiden met Denemarken verbonden zijn. Naarmate het aantal landen met een geregistreerd partnerschap groter wordt, wordt de keuzevrijheid dus ook ruimer.

Deze regeling van de rechtskeuze in de Wet Conflictenrecht geregistreerd partnerschap strookt op dit punt niet met de regeling van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (dat de internationaal privaatrecht-regels met betrekking tot het huwelijksvermogensregime geeft voor echtparen), terwijl uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel blijkt dat op dit punt zoveel mogelijk getracht is aansluiting te vinden bij dit verdrag (zie MvT p. 12). De rechtskeuzeregeling van het verdrag ziet er namelijk anders uit dan de regeling uit de Wet Conflictenrecht geregistreerd partnerschap. Volgens de verdragsregeling kunnen (aanstaande) echtparen alleen kiezen voor een recht waarmee zij door nationaliteit (van één van beiden) of door woonplaats (van één van beiden) verbonden zijn.

Zouden dezelfde restricties uit het verdrag ook in de Wet Conflictenrecht geregistreerd partnerschap niet moeten worden opgenomen onder handhaving van artikel 6 lid 2 en artikel 8 lid 2?

Dit heeft dan tot gevolg dat de (aanstaande) geregistreerde partners kunnen kiezen voor een rechtsstelsel waarmee zij door nationaliteit of woonplaats zijn verbonden mits dit gekozen recht het geregistreerde partnerschap kent. Als deze aanpassing niet doorgevoerd wordt, dan krijgen partners een veel ruimere keuzevrijheid dan echtparen hebben onder het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, aldus de KNB.

Vertrouwende, dat deze vragen afdoende zullen worden beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over de onderhavige wetsvoorstellen voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

Van de Beeten

De griffier van de commissie,

Eliane Janssen


XNoot
1

Eindverslag 28 924 ek-A vervalt hiermee.

XNoot
2

Eindverslag 28 836 (R1735) ek-B vervalt hiermee.

XNoot
3

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Wagemakers (CDA), Rosenthal (VVD), Kohnstamm (D66), Witteveen (PvdA), De Wolff (GL), Van de Beeten (CDA), (voorzitter), Broekers-Knol (VVD), Kox (SP), Soutendijk-v. Appeldoorn (CDA) en Westerveld (PvdA).