Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2003-200428878 nr. B

28 878
Wijziging van artikel 94 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het mededelingsvereiste

B
VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1

Vastgesteld 27 april 2004

Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel heeft de leden van de vaste commissie aanleiding gegeven tot het stellen van de navolgende vragen en het maken van de navolgende opmerkingen.

De leden van de CDA-fractie hadden met instemming van dit wetsvoorstel kennisgenomen. Nu tijdens de schriftelijke behandeling in de Tweede Kamer reeds genoegzaam is gereageerd op hetgeen in de juridische literatuur ten aanzien van dit wetsvoorstel naar voren is gebracht, konden deze leden zich beperken tot een enkele vraag.

Brengt de omstandigheid dat dit wetsvoorstel met zich meebrengt dat qua leveringshandeling voor cessie en voor stille verpanding van vorderingen dezelfde eisen worden gesteld, het volgende met zich mee, zo vroegen deze leden. In beginsel zal voor overdracht van alle voor overdracht vatbare vorderingen van een bepaalde persoon of rechtspersoon toereikend zijn een authentieke of geregistreerde onderhandse akte waarin is neergelegd een clausule van globaal de navolgende strekking: «Middels deze akte worden overgedragen al onze vorderingen (of gedeelten daarvan) jegens derden die wij thans hebben of rechtstreeks uit thans bestaande rechtsverhoudingen met die derden zullen verkrijgen en die – thans of achteraf – met behulp van onze administratie vastgesteld (zullen) kunnen worden.» (Zie in dit verband Hoge Raad 20 september 2002, NJ 2004/182.) Gaarne ontvingen deze leden ook nog een reactie van de minister van Justitie op het gestelde in het artikel «Stille cessie: de verdere lotgevallen van het wetsvoorstel» van prof. mr A.F. Salomons, verschenen in WPNR nr 6572/jaargang 2004.

De leden van de VVD-fractie hadden met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij stelden vast dat het wetsvoorstel voor de praktijk, met name in geval van bulkcessies, van groot nut is. Met dit wetsvoorstel sluit Nederland aan bij de internationale praktijk op het terrein van cessies, hetgeen bevorderlijk is voor de concurrentiepositie van onder andere Nederlandse banken.

Deze leden stelden nog de volgende vraag. In 1992 is bij de invoering van het nieuwe vermogensrecht voor de cessie van een vordering het vereiste van mededeling aan de debiteur ingevoerd met het oog op de rechtszekerheid: voorkomen moet worden dat er een valse schijn van kredietwaardigheid bij de cedent wordt gewekt. Daaraan kan worden toegevoegd dat het voor de debiteur transparant moet zijn wie op welk moment eigenaar is van de vordering. Sinds 1992 is in de financiële wereld onder andere de figuur van de securitisatie ontwikkeld, waarbij het kan gaan om bulkcessies van duizenden tot tienduizenden vorderingen met evenzoveel schuldenaren. Voor die gevallen van bulkcessies brengt het mededelingsvereiste van art. 3:94 BW aanzienlijke kosten en administratieve lasten met zich. Bovendien, zo stelt de minister in de Nota naar aanleiding van het verslag van 10 november 2003, zijn er voor de oorspronkelijke schuldeiser commerciële redenen om het contact met zijn debiteuren te blijven onderhouden. Mededeling van de cessie, zonder dat de omstandigheden daartoe noodzaken, zou door een debiteur kunnen worden opgevat als een verstoring van die relatie, aldus de minister. Om die reden wordt dan ook in de praktijk dikwijls het beheer over de vorderingen bij de oorspronkelijke schuldeiser gelaten door middel van een overeenkomst van lastgeving tussen de cessionaris en de oorspronkelijke schuldeiser: voor de debiteur is er niets veranderd en hij heeft er ook geen weet van dát er iets veranderd is.

Hoewel de leden van de VVD-fractie het praktische nut inzien van het laten vallen van het mededelingsvereiste van art. 3:94 BW, vroegen zij zich toch af of de rechtszekerheid niet té zeer geweld wordt aangedaan door de gang van zaken in de praktijk zoals hierboven geschetst. Dat het mededelingsvereiste wordt geschrapt omdat het te veel rompslomp, tijd, administratie, kosten enz. met zich brengt en een complicerende factor vormt in internationale handelsrelaties, valt te rechtvaardigen. Het kostenaspect moet overigens niet te zeer overschat worden. Wanneer de cessionaris de aan hem geleverde vorderingen voldaan wil hebben, moet hij mededeling van de cessie doen aan de debiteur(en) van de vorderingen. Tot die mededeling kan de debiteur bevrijdend betalen aan de oorspronkelijke schuldeiser. Kortom, de kosten van een mededeling, al dan niet constitutief, moeten sowieso gemaakt worden. Het kostenaspect van het constitutieve mededelingsvereiste kan dus nauwelijks een rol spelen als onderbouwing van het wetsvoorstel. Dat geldt ook in het geval van bulkcessies, tenzij het beheer over de vorderingen bij de oorspronkelijke schuldeiser (de originator) wordt gelaten. In dat geval blijft de mededeling aan de debiteuren achterwege en zijn er dus geen mededelingskosten.

Dat het mededelingsvereiste wordt geschrapt teneinde te kunnen voorkomen dat de debiteur ervan op de hoogte geraakt dat de vordering is overgedragen (de commerciële reden), is een overweging van een andere orde en staat naar het oordeel van de leden van de VVD-fractie op enigszins gespannen voet met het belang van debiteuren en anderen bij transparantie en rechtszekerheid. De leden van de VVD-fractie zouden hierover graag nog een nadere toelichting van de minister krijgen. Is de minister voornemens met het oog op dit aspect maatregelen te treffen bijvoorbeeld door voor effectiseringstransacties, securitisatie, één algemene mededeling voor te schrijven die wordt gepubliceerd in drie dagbladen, waaronder twee met een internationaal financieel karakter? (zie T.H.D. Struycken, WPNR 99/6351, p.228 en bijvoorbeeld het Italiaanse systeem bij effectisering, «cartolarizzione dei crediti»)

Vertrouwende, dat deze vragen afdoende zullen worden beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over het onderhavige wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,

Van de Beeten

De griffier van de commissie,

Janssen


XNoot
1

Samenstelling: Holdijk (SGP), Wagemakers (CDA), Rosenthal (VVD), Kohnstamm (D66), Witteveen (PvdA), De Wolff (GL), Van de Beeten (CDA) (voorzitter), Broekers-Knol (VVD), Kox (SP), Soutendijk-v. Appeldoorn (CDA), Westerveld (PvdA).