B
MEMORIE VAN ANTWOORD
Ontvangen 6 november 2003
Met belangstelling heb ik kennis genomen van de schriftelijke inbreng
van uw commissie. Uw commissie stelt enkele punten aan de orde waarop ik in
deze memorie van antwoord inga, in overeenstemming met de Staatssecretaris
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
Uw commissie informeert naar de mate waarin externe factoren en de mate
waarin beleidsinstrumenten verantwoordelijk zijn voor de teruggang van het
mestoverschot.
Het mestoverschot wordt enerzijds bepaald door de normen voor het mestgebruik
en anderzijds door de omvang van de mestproductie. De mestproductie per dier
is verminderd dankzij veevoermaatregelen. De productierechten, met name de
varkens- en pluimveerechten, hebben geleid tot een stabilisatie en een zekere
beperking van de omvang van de mestproductie. Daarnaast is de mestproductie
fors afgenomen als gevolg van een succesvol flankerend beleid. In het bijzonder
de Regeling beëindiging veehouderijtakken heeft daarin een belangrijke
rol gespeeld. Autonome, externe factoren kunnen hebben bijgedragen aan de
gunstige resultaten van het flankerend beleid. Te denken valt aan de economische
vooruitzichten in de verschillende bedrijfstakken en de dierziektencrises.
Het is evenwel niet goed mogelijk de omvang te bepalen van de invloed die
dergelijke factoren op het mestoverschot hebben gehad.
Uw commissie benadrukt de noodzaak van het verminderen van de administratieve
lastendruk en het verkleinen van het aantal instrumenten onder de tegelijkertijd
versterkte werking van het overgebleven instrument.
Vermindering van de administratieve lastendruk is een speerpunt van het
hoofdlijnenakkoord van dit kabinet. Mijn beleidsprogramma «Vitaal en
Samen» voor de jaren 2004–2007 bevat vele concrete acties op het
punt van administratieve lastenverlichting.1 Meer
in het bijzonder ten aanzien van het mestbeleid wordt daarin een ingrijpende
herijking van het mestinstrumentarium aangekondigd. Deze strekt er niet alleen
toe de mestwetgeving volledig in overeenstemming te brengen met de EG-Nitraatrichtlijn,
maar ook om nog deze kabinetsperiode te komen tot een 40%-reductie van de
administratieve lasten en van de uitvoeringslasten. Op basis van het op 2 oktober
jl. gewezen arrest van het Hof van Justitie van de EG in de inbreukprocedure
tegen Nederland inzake de Nitraatrichtlijn, de uitkomst van het derogatie-overleg
met de Europese Commissie en de evaluatie Meststoffenwet 2004 worden komend
voorjaar nadere voorstellen gedaan voor een aanpassing van de wetgeving, die
naar verwachting per 2006 in werking kan treden. Overeenkomstig de wens van
uw commissie zullen daarbij de mogelijkheden tot het opschonen van regelgeving
en instrumenten ter verzekering van een grotere uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid,
doelmatigheid en doeltreffendheid uitdrukkelijk worden betrokken. Het onderhavige
wetsvoorstel moet tegen die achtergrond als een tussenstap worden gezien,
die met name van belang is voor de periode tot 1 januari 2006. Het voorstel
heeft geen nadelige consequenties voor de op basis van de herijking te maken
keuzen ten aanzien van het toekomstige beleid, maar leidt wel tot een aanmerkelijke
vermindering van de administratieve lasten, te weten ruim 21 miljoen euro.
In het verlengde van het voorgaande vraagt uw Commissie meer concreet
welke gevolgen het Hofarrest inzake de Nitraatrichtlijn heeft voor het Nederlandse
mestbeleid en welke keuzes met betrekking tot de bestaande instrumenten binnen
dat beleid worden gemaakt.
Nederland is verplicht het Hofarrest naar de letter en de geest uit te
voeren, zoals de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer mede namens mij aan uw Kamer en de Tweede Kamer heeft bericht
in zijn brief van 2 oktober jl. over dat arrest.1 Uit het arrest blijkt onder meer dat het stelsel van regulerende mineralenheffingen
(MINAS) niet toereikend is ter implementatie van de door de richtlijn voorgeschreven
«stikstofbalans» (i.e. de balans tussen de verwachte stikstofbehoefte
van de gewassen enerzijds en de stikstoftoevoer naar die gewassen uit de bodem
en uit bemesting anderzijds) en van het in die richtlijn opgenomen afzonderlijke
plafond voor het gebruik van dierlijke mest. Het arrest betekent dat Nederland
gebruiksnormen voor de totale bemesting – overeenkomstig de stikstofbalans –
in zijn wetgeving zal moeten opnemen, alsook gebruiksnormen voor dierlijke
meststoffen. De vormgeving van een dergelijk systeem van gebruiksnormen loopt
mee in het hiervoor genoemde herijkingstraject.
Duidelijk is dat de introductie van gebruiksnormen betekent dat het stelsel
van regulerende mineralenheffingen op termijn zal verdwijnen. Over het huidige
volume-instrumentarium, te weten het stelsel van mestafzetovereenkomsten en
de stelsels van productierechten, heeft het Hof geen inhoudelijke uitspraken
gedaan. Deze stelsels zijn evenwel betrokken in de evaluatie Meststoffenwet
2004. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie zal besluitvorming plaatsvinden
over het afschaffen van hetzij het stelsel van mestafzetovereenkomsten hetzij
het stelsel van productierechten. Om een zorgvuldige evaluatie mogelijk te
maken en rekening te kunnen houden met de uitkomsten van de andere trajecten
die van belang zijn voor de herijking van het mestinstrumentarium, is de afgelopen
zomer een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer dat ertoe strekt de in
de wet neergelegde expiratie van de productierechten per 1 januari 2005
op te schorten.2 Het streven is er echter op gericht
om op de kortst mogelijke termijn – uiterlijk in het voorjaar 2004 –
een beslissing te nemen over het al dan niet afschaffen van de onderscheiden
stelsels, en om samenloop van beide stelsels na 1 januari 2005 te voorkomen,
althans de duur van die samenloop zo beperkt mogelijk te houden.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
C. P. Veerman