D
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 september 2004
Tijdens de plenaire behandeling door de Eerste Kamer van het voorstel
van wet1 dat heeft geleid tot de wet van 13 mei
2004 tot wijziging van de Mediawet (het vervallen van de verspreidingsbeperking
voor de programma's van lokale en regionale omroepinstellingen, wijziging
van de doorgifteplicht via omroepnetwerken van de programma's van lokale omroepinstellingen,
alsmede wijziging van bepalingen inzake programmaraden) (Stb. 233), heb ik
toegezegd om schriftelijk te zullen reageren op vragen van de heer Woldring
(CDA). Hieronder wordt op deze vragen ingegaan.
De heer Woldring vroeg op welke termijn de eerstvolgende periodieke heroverweging
van de doorgifteplicht in het licht van artikel 31 van de Universeledienstrichtlijn
zal plaatsvinden en welke instantie hiermee zal worden belast.
Voor een goed begrip van de opvatting van de regering over deze periodieke
heroverweging is het noodzakelijk eerst in te gaan op de voorgeschiedenis
van de vragen van de heer Woldring. De leden van de CDA-fractie stelden deze
vragen namelijk ook al in het voorlopig verslag van de vaste commissie voor
Cultuur2, waarbij zij tevens opmerkten dat aan
kabelexploitanten thans verplichtingen zijn opgelegd die hen op den duur in
een nadelige positie kunnen brengen vergeleken met exploitanten van omroepzendernetwerken,
die de bedoelde verplichtingen niet hebben. In de memorie van antwoord reageerde
de regering daarop als volgt3:
«Inderdaad rusten op de kabelexploitanten verplichtingen die de
exploitanten van omroepzendernetwerken niet hebben. Zoals hiervoor al is opgemerkt
vloeien deze verplichtingen voort uit het feit dat de kabelexploitanten vrijwel
monopolisten zijn op het gebied van omroepdistributie. De regering erkent
dat deze verplichtingen de kabelexploitanten op den duur in een nadelige concurrentiepositie
zouden kunnen brengen. Uit het gebruik van de woorden «op den duur»
door de leden van de CDA-fractie maakt de regering op dat deze leden met de
regering van mening zijn dat dit moment thans nog niet bereikt
is. Wanneer dit wel het geval zal zijn, hangt af van de vraag of de digitale
ether en de satelliet zich zullen ontwikkelen tot volwaardige concurrenten
van de kabel en in welk tempo dit proces zich zal voltrekken. De regering
houdt wat dit punt betreft de vinger aan de pols om te kunnen ingrijpen indien
de marktomstandigheden daartoe aanleiding geven. Gelet op de huidige aandelen
van de kabel, (digitale) aardse ether en satelliet in het totale aantal televisiehuishoudens
in Nederland is deze situatie thans nog niet aan de orde.»
Zoals gezegd stelde de heer Woldring dezelfde vragen tijdens de plenaire
behandeling van het hier bedoelde voorstel van wet tot wijziging van de Mediawet.
Het antwoord daarop luidde als volgt1:
«Wat mij betreft is een heroverweging van de doorgifteverplichting
niet aan de orde zolang de kabelexploitanten nog een dominante positie hebben.
Er moet natuurlijk regelmatig worden nagegaan of de kabelexploitanten nog
over een dominante positie beschikken. Dat bedoelde ik in de memorie van antwoord
met «vinger aan de pols houden». Op dit moment heb ik echter geen
uitgebreid onderzoek nodig om te constateren dat de kabelexploitanten in een
monopoliepositie verkeren, binnen hun infrastructuur.»
In reactie daarop merkte de heer Woldring het volgende op:
«Het wordt de lidstaten voorgeschreven. De vraag is niet of de staatssecretaris
het nodig acht of niet of dat zij het leuk vindt of niet, het wordt de lidstaten
voorgeschreven. Wanneer gebeurt dit en door wie?»
In dit verband is van belang dat artikel 31 van de Universeledienstrichtlijn
weliswaar een periodieke heroverweging voorschrijft2,
maar daarbij geen termijn vermeldt. Het is aan de lidstaten overgelaten om
te bepalen wanneer de hier bedoelde periodieke heroverweging dient plaats
te vinden. De lidstaten kunnen bovendien door feitelijk handelen aan deze
verplichting voldoen. Het is dus niet zo dat pas aan deze in de richtlijn
genoemde verplichting wordt voldaan indien er een concrete datum wordt genoemd
waarop de eerstvolgende heroverweging zal plaatsvinden. De regering heeft
er ook geen behoefte aan deze datum nu al vast te stellen. Zoals gezegd acht
de regering het thans en in de nabije toekomst niet zinvol om een heroverweging
ten aanzien van de doorgifteverplichtingen te doen plaatsvinden, omdat het
antwoord daarop reeds vaststaat. Zoals in de eerder aangehaalde memorie van
antwoord is opgemerkt, is het marktaandeel van de kabel vanaf het jaar 2000
vrij constant. In 2002 gaat het om 91,2% van het aantal televisiehuishoudens.
De kabelexploitanten beschikken derhalve nu en in de nabije toekomst over
een dominante positie, zodat de doorgifteverplichtingen voorshands gehandhaafd
blijven. Een heroverweging is pas aan de orde indien de regering door het
monitoren van het aandeel van kabel, satelliet en ether in het aantal televisiehuishoudens
in Nederland signalen ontvangt dat de kabelexploitanten niet langer over een
dominante positie beschikken.
Aangezien de bepaling inzake de doorgifteverplichtingen voor de kabelexploitanten
is opgenomen in de Mediawet, zal de eerstvolgende heroverweging worden gedaan
door de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Uiteraard zal
deze heroverweging plaatsvinden in nauw overleg met de Minister van Economische
Zaken.
Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. C. van der Laan
XNoot
1Kamerstukken I 2002/03, 28 639, nr. 308.
XNoot
2Kamerstukken I 2003/04, 28 639, A, blz 2–3.
XNoot
3Kamerstukken I 2003/04, 28 639, B, blz. 4.
XNoot
1Handelingen I 2003/04, nr. 27, blz. 1484.
XNoot
2Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de verplichting dat er een periodieke
heroverweging dient plaats te vinden wel is opgenomen in de Engelse en Franse
versie van artikel 31, eerste lid, van de Universeledienstrichtlijn zoals
deze in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen is gepubliceerd,
maar ontbreekt Nederlandse versie van dit artikellid. In de Engelse onderscheidenlijk
de Franse versie van de Universeledienstrichtlijn luidt artikel 31, eerste
lid, derde volzin als volgt: «The obligations shall be subject to periodical
review.» onderscheidenlijk «Ces obligations sont soumises à
un réexamen périodique.»