D
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1
Vastgesteld 23 maart 2004
De memorie van antwoord gaf de commissie aanleiding tot het maken van
de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
De leden van de CDA-fractie hadden met belangstelling
kennisgenomen van het gestelde in de memorie van antwoord. Zij wilden op één
kwestie nog nader ingaan.
Vaststaat dat indien men de voorgestelde twee leden van het nieuwe art.
16ga in hun onderlinge samenhang beziet, geen aansprakelijkheid van de verkoper
bestaat, indien uit de door hem overgelegde bescheiden blijkt wie de fabrikant
of importeur is. Het is deze leden gebleken dat Nederlandse fabrikanten van
opneembare audio cd's vrijwel niet bestaan. Er is ook slechts sprake van enkele
Nederlandse fabrikanten van audio- en videobanden. Het gaat hier derhalve
om producten die vrijwel altijd vanuit het buitenland worden geïmporteerd.
Anders dan de tekst van het voorgestelde artikel letterlijk stelt, antwoordt
de minister van Justitie naar aanleiding van een door deze leden gestelde
vraag dat een verkoper (in vrijwel alle gevallen die zich in ons land voordoen)
niet aan aansprakelijkheid zal kunnen ontkomen door de naam van de fabrikant
van de desbetreffende voorwerpen te noemen. Hij zou, omdat het vrijwel altijd
om geïmporteerde goederen gaat, per se de naam van de importeur dienen
te noemen. De minister stelt dat dit laatste voldoende duidelijk blijkt uit
de systematiek van de regeling inzake de thuiskopievergoeding.
Deze leden vroegen zich af of die laatste stelling houdbaar is. Zij hebben
in dit verband de stukken geraadpleegd die betrekking hebben op het wetsvoorstel
waarbij de hier aan de orde zijnde regeling inzake de thuiskopievergoeding
is ingevoerd. In de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel wordt gesteld
dat ingevolge het tweede lid zowel op de importeur als de fabrikant van de
desbetreffende producten de verplichting rust tot betaling van de vergoeding.
Uit de verdere toelichting blijkt voorts dat voor wat betreft die fabrikant
daarbij gedoeld werd op zowel Nederlandse als buitenlandse fabrikanten.
In lid 3 van art. 16c is vermeld dat voor de fabrikant de verplichting
ontstaat tot betaling van de vergoeding op het tijdstip dat de door hem vervaardigde
voorwerpen in het verkeer kunnen worden gebracht. Voor de importeur ontstaat
deze verplichting op het tijdstip van invoer. Het gaat derhalve duidelijk
om twee in beginsel naast elkaar staande verplichtingen, waarbij de verplichting
van de fabrikant ook niet automatisch komt te vervallen zodra de verplichting
voor de importeur is ontstaan. Teneinde te vermijden dat die naast elkaar
staande verplichtingen zouden leiden tot tweemaal een uitgevoerde betalingsverplichting,
is in lid 5 van art. 16c vastgelegd dat de vergoeding slechts een maal per
voorwerp verschuldigd is. Naar de indruk van deze leden volgt uit deze systematiek
dat niet betoogd kan worden dat de importeur de primaire verplichting heeft
en de fabrikant ter zake een ondergeschikte verplichting. Het ontstaan van
de verplichting van de importeur doet de eveneens aanwezige verplichting van
de fabrikant niet verdwijnen. Dit alles laat overigens onverlet dat men uiteraard
in de praktijk over het algemeen zal trachten de vergoeding te verhalen op
de importeur omdat dat het meest eenvoudige is, gelet op het feit dat die
importeur per definitie in Nederland gevestigd is.
Dit alles doet echter niet af aan het feit dat bij invoering van de verlengde
aansprakelijkheid voor verkopers thans expliciet wordt gesteld dat men van
die aansprakelijkheid kan worden bevrijd door hetzij bescheiden te tonen over
wie de fabrikant is danwel bescheiden te tonen over wie de importeur is. Het
lijkt erop dat men in beide gevallen dan van bedoelde aansprakelijkheid bevrijd
wordt. Deze leden hadden derhalve vooralsnog de indruk dat bezwaarlijk kan
worden betoogd dat uit de systematiek van de wettelijke regeling dwingend
volgt dat in het overgrote deel van de in Nederland zich voordoende gevallen
enkel de importeur kan worden genoemd, ook al spreekt het voorgestelde artikel
expliciet over zowel fabrikant als importeur. Dit alles was simpel te verhelpen
geweest, als de formulering was gevolgd zoals voorgesteld door deze leden
in het voorlopig verslag. De leden van de CDA-fractie zagen met belangstelling
de reactie van de minister op het vorenstaande tegemoet.
De leden van de VVD-fractie waren de minister
erkentelijk voor de beantwoording van de vragen gesteld in het voorlopig verslag.
Zij hadden nog een enkele vraag met betrekking tot het Contact Comité.
In de memorie van antwoord van 2 februari 2004 stelt de minister dat
het Contact Comité onder meer tot taak heeft de gevolgen van de richtlijn,
in het bijzonder voor de werking van de interne markt, te bestuderen, eventuele
moeilijkheden onder de aandacht te brengen en daarover van gedachten te wisselen.
De leden van de VVD-fractie zouden graag van de minister vernemen of daarvoor
een tijdsbestek is gegeven. Kunnen zij de taak van het Contact Comité
zó opvatten dat het Contact Comité jaarlijks rapporteert? Wat
is vervolgens de bedoeling als het Contact Comité moeilijkheden constateert?
Met wie wordt «van gedachten gewisseld» en wat wordt met de uitkomst
van de gedachtewisseling gedaan?
In de memorie van antwoord zegt de minister dat hij graag bereid is de
noodzaak van verdere harmonisatie van de thuiskopieregeling en de daaraan
verbonden voorwaarde van een billijke compensatie in het kader van het Contact
Comité onder de aandacht te brengen. Kunnen de leden van de VVD-fractie
dit zó opvatten dat de minister dit bij de eerste daartoe geëigende
gelegenheid daadwerkelijk zal doen? Kan de minister enige indicatie geven
of en zo ja op welke wijze, hij verwacht dat vervolgens het Contact Comité
serieuze aandacht aan dit punt schenkt nu over dit punt al eerder, bij de
totstandkoming van de richtlijn, uitvoerig is gesproken en is vastgesteld
dat harmonisatie moeilijk zou zijn? Anders gezegd: verwacht de minister dat
er, mede in het licht van het Actieplan van de Europese Commissie
«Een coherenter Europees verbintenissenrecht», een inspanning
zal worden geleverd om op Europees niveau tot harmonisatie te komen, ondanks
de verschillen die er bestaan?
De voorzitter van de commissie,
Van de Beeten
De griffier van de commissie,
Janssen