28 483
Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met regels over verkeer langs elektronische weg tussen burgers en bestuursorganen en daarmee verband houdende aanpassing van enige andere wetgeving (Wet elektronisch bestuurlijk verkeer)

B
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1

Vastgesteld 9 december 2003

De memorie van antwoord gaf de commissie nog aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

De leden van de CDA-fractie namen belangstellend kennis van de verduidelijkingen en aanscherpingen in de memorie van antwoord van het bepaalde in dit wetsvoorstel.

Hierbij trad de regering hier en daar zelfs buiten hetgeen in het voorlopig verslag werd gevraagd, zoals in de beschouwing over de betekenis van de vermelding van het faxnummer door een bedrijf. Er bleven bij deze leden toch nog enkele vragen bestaan waarover zij een nadere beantwoording op prijs zouden stellen.

De regering maakt bekend – bij wijze van vooraankondiging van het kabinetsstandpunt over het grondwettelijke recht van petitie – dat het schriftelijkheidsvereiste in verband met art. 5

Grondwet, voor zover het van haar afhangt, wordt gehandhaafd. De regering is voorts van oordeel dat dit woord «schriftelijk» ruim kan worden uitgelegd, waardoor daaronder ook petities langs elektronische weg kunnen worden begrepen. De grondwetgever van 1983 heeft een modaliteit als e-mail echter zeker niet voor ogen kunnen staan. Kan de regering zo een substantiële «dynamische oprekking» van het begrip «schriftelijk» in retrospectief ook aanmerken als een interpretatie van de grondwetgever? Zou de grondwetgever zelf zulks niet moeten uitspreken? Waarschijnlijk heeft de regering ter zake een andere opvatting; daarover worden deze leden graag geïnformeerd.

In veel wetten in formele zin wordt de schriftelijke vorm van het verkeer tussen burgers en bestuursorganen voorgeschreven. Deze leden noemden reeds de schriftelijke ontslagname van een wethouder in art. 43 eerste lid Gemeentewet. Er zijn zeer veel andere voorbeelden. Zagen deze leden het goed, dan is de regering van opvatting dat in al deze wetten «schriftelijk» mag worden uitgelegd op een wijze dat daaronder elektronische berichten worden begrepen mits deze voldoen aan het gestelde in Afdeling 2:3 AWB (zoals voorgesteld) en het daaromtrent overwogene in onder andere de memorie van toelichting («Functioneel equivalent» e.d.). Zagen de leden van de CDA-fractie het verder goed dat de regering van opvatting is dat art. 2:13, eerste lid van het voorstel niet derogeert aan al die oudere voorschriften in wetten in formele zin die de schriftelijke communicatie voorschrijven, maar dat ex post de wil van al die historische wetgevers op dit punt nader wordt geconcretiseerd?

Door dit wetsvoorstel wordt ook feitelijk een discretionaire bevoegdheid ter zake geschapen voor bestuursorganen die de wet uitvoeren. Zo kan de ene burgemeester wel en de andere niet de mogelijkheid openstellen om elektronisch ontslag te nemen als wethouder. De een kan deze, gene die voorwaarden aan de elektronische weg verbinden. Betekent dit niet naar de opvatting van de regering dat terzake ongelijkheden kunnen ontstaan nu de facto dit wetsvoorstel met terugwerkende kracht in al die situaties waarin wetten een geschrift (in de traditionele uitleg) vergen, het besluit of hier de facto al dan niet de elektronische weg kan worden bewandeld (en onder welke voorwaarde) overlaat aan het oordeel van «uitvoerende» bestuursorganen? Kennelijk heeft de regering deze ruimte voor bestuursorganen – welke voorheen niet bestond nu de wetgever schriftelijk (enge uitleg) bericht voorschreef – aanvaardbaar geoordeeld en dus de prijs daarvan ongelijkheid in de sfeer van art. 2:15, in alle gevallen aanvaardbaar geoordeeld. Waar bijvoorbeeld voorheen de wetgever de schriftelijke vorm (in enge interpretatie) voorschreef opdat men hiermee te grote impulsiviteit wilde voorkomen (bij bijvoorbeeld wethouder of raadslid die ontslag willen nemen), laat zij het oordeel daaromtrent nu feitelijk over aan de burgemeester. De leden van de CDA-fractie hadden daarover nog duidelijk aarzelingen en stelden nadere toelichting op prijs.

Dienen na aanvaarding van dit wetsvoorstel alle decentrale verordeningen te worden aangepast indien de raad of Provinciale Staten nadrukkelijk de schriftelijke (enge interpretatie) vorm voor een vergunningenaanvrage, subsidie, verzoek enz. wensen en het besluit daarover niet willen overlaten aan college en/of burgemeester, Gedeputeerde Staten en/of Commissaris van de Koningin? Het gaat dan uiteraard om bevoegdheden die door raad of Provinciale Staten zijn opgedragen of overgedragen aan deze laatste bestuursorganen.

De leden van de VVD-fractie hadden met waardering kennisgenomen van de memorie van antwoord. Toch hadden ook zij nog enkele vragen.

De minister stelt in zijn antwoord op een vraag van de leden van de VVD-fractie wat de meerwaarde is van de zorgvuldige regeling van de elektronische handtekening in art.2:16 van het wetsvoorstel, dat deze zorgvuldige regeling is opgenomen ter implementatie van Richtlijn nr. 99/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen (PbEG L 13). Nu is deze Richtlijn geïmplementeerd in Boek 3 BW. De Richtlijn opent echter de mogelijkheid voor lidstaten in de openbare sector aanvullende eisen te stellen aan het gebruik van elektronische handtekeningen. Aan welke gevallen denkt de minister voor het stellen van aanvullende, verdergaande eisen? Aan wat voor aanvullende eisen valt te denken buiten hetgeen wettelijk is geregeld in Boek 3 BW?

Een bestuursorgaan deelt aan een burger per brief mee dat de communicatie voortaan via elektronisch berichtenverkeer zal plaats vinden, zo vervolgden de leden van de VVD-fractie. De betrokkene laat vervolgens niets van zich horen. Mag het bestuursorgaan daaruit afleiden dat betrokkene impliciet instemt met het elektronisch verkeer? De memorie van toelichting is daarover op pag. 11 en 12 duidelijk: de geadresseerde moet uitdrukkelijk kenbaar gemaakt hebben dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. De leden van de VVD-fractie vroegen of dit niet expliciet in de wet zou moeten worden vastgelegd in plaats van uitgelegd via de memorie van toelichting?

Naar het oordeel van de leden van de VVD-fractie vat de minister het kostenprobleem té lichtvaardig op. De minister stelt dat tegenover de kosten besparingen staan die gerealiseerd worden door een vermindering van fysieke of papieren processen. Het wetsvoorstel verplicht overheden al hun elektronische uitingen, inclusief de niet-verplichte, ook op papier uit te geven. Dit beginsel van nevenschikking brengt hoge kosten met zich. Voeg daarbij de vrij aanzienlijke (investerings)kosten voor een beveiligingsstructuur volgens de regels van het BW en bestuursorganen komen voor grote financiële lasten te staan. Deelt de minister de vrees van de leden van de VVD-fractie dat bestuursorganen vanwege de grote financiële lasten wellicht terughoudend zullen zijn met (de implementatie van) elektronisch berichtenverkeer? Hoe schat hij de effecten van die terughoudendheid in, zo vroegen deze leden tot besluit.

De voorzitter van de commissie,

Van de Beeten

De griffier van de commissie,

Janssen


XNoot
1

Samenstelling: Holdijk (SGP), Wagemakers (CDA), Rosenthal (VVD), Kohnstamm (D66), Witteveen (PvdA), De Wolff (GL), Van de Beeten (CDA) (voorzitter), Broekers-Knol (VVD), Kox (SP), Soutendijk-v. Appeldoorn (CDA), Westerveld (PvdA).

Naar boven