A1
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE2
Vastgesteld: 10 oktober 2003
De memorie van antwoord gaf de commissie aanleiding tot het maken van
de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
De leden van de CDA-fractie hadden met belangstelling
kennisgenomen van de memorie van antwoord. Voorts hadden zij met interesse
de beantwoording gelezen van de vragen van andere fracties. Naar aanleiding
daarvan stelden zij een enkele nadere vraag. Sprekend over de aansprakelijkheid
bij het verstrekken van foute gegevens of gegevens betreffende de foute persoon,
spreekt de minister van Justitie er in het laatste geval over dat de instelling
voor die verstrekking «in beginsel» niet aansprakelijk is. De
vraag van deze leden was wat de minister bedoeld met «in beginsel».
Even later in de memorie van antwoord zegt de minister, dat de officier
van justitie de bank kan vragen om de relatie nog niet te beëindigen.
Indien het de bank op dat moment of even later zou blijken, dat de bankrekening
wordt benut voor witwaspraktijken, maakt de bank zich dan niet schuldig aan
een strafbaar feit door de relatie niet te beëindigen? Hoe oordeelt de
minister in dat geval over de civielrechtelijke aansprakelijkheid jegens benadeelde
derden? En voorts: hoe oordeelt de minister over de schade die de bank mogelijk
lijdt, indien zij als gevolg van het verzoek van het openbaar ministerie opzegging
van bijvoorbeeld een krediet achterwege laat en dat later oninbaar blijkt?
Een iets andersoortig probleem betreft de geheimhouding door de bank.
Indien de bank bijvoorbeeld na het einde van de monitoring zoveel twijfels
heeft over de bonafiditeit van de relatie en om die reden opzegt, kan zich
bij de burgerlijke rechter een debat voordoen over de gegrondheid
van die opzegging. In hoeverre is de bank dan nog steeds gehouden aan die
geheimhouding, zo vroegen de leden van de CDA-fractie.
De leden van de VVD-fractie waren de minister
erkentelijk voor de uitvoerige beantwoording in de memorie van antwoord naar
aanleiding van het verslag van de door hen gestelde vragen. Desalniettemin
hadden ook zij nog enkele nadere vragen.
Door de leden van de VVD-fractie is de vrees geuit of het voorliggende
wetsvoorstel wordt gebruikt als blauwdruk voor eventuele wetsvoorstellen betreffende
andere sectoren in de samenleving. De minister antwoordt hierop dat deze vrees
niet gegrond is, nu het voornemen bestaat te komen tot een algemene regeling
die niet beperkt is tot bepaalde sectoren in de samenleving. Moet hieruit
worden afgeleid dat het voorliggende wetsvoorstel als blauwdruk wordt gebruikt
voor de bedoelde algemene regeling?
Op een vraag door de leden van de VVD-fractie daarover antwoordt de minister
dat wanneer de instelling gegevens over de juiste persoon verstrekt en hiermee
voldoet aan een vordering van een opsporingsambtenaar of de officier van justitie,
en hierdoor schade zou kunnen ontstaan voor deze persoon, de instelling daarvoor
«in beginsel» niet aansprakelijk is. De verantwoordelijkheid voor
het vorderen en verstrekken van gegevens en voor de daarbij te maken afwegingen
ligt «in beginsel» bij de officier van justitie of de opsporingsambtenaar
(pag. 4 MvA). Kan de minister verduidelijken wat hij beide keren bedoelt met
de term «in beginsel», zo vroegen ook deze leden. Betekent dit
dat onder omstandigheden de instelling wél aansprakelijk zou kunnen
zijn? Zo ja, welke omstandigheden zijn dit dan? Bij wie anders dan de officier
van justitie of de opsporingsambtenaar zou de verantwoordelijkheid voor het
vorderen en verstrekken van gegevens en voor de daarbij te maken afwegingen
kunnen berusten? Kan de minister dit nader specificeren?
Op een vraag van de leden van de VVD-fractie over de geheimhoudingsplicht
antwoordt de minister (pag. 6 MvA): «De instelling wordt door de geheimhoudingsplicht
niet gedwongen een relatie met een cliënt te blijven onderhouden. (....)
Voorzover contractueel bepaald zou zijn, dat de instelling slechts op bepaalde
gronden de relatie kan beëindigen, zullen deze gronden inhouden dat feiten
en omstandigheden aanwezig zijn die de beëindiging rechtvaardigen. (....)
De officier van justitie kan een instelling niet dwingen een relatie met een
cliënt aan te blijven houden.» De relatie tussen de bank en haar
cliënten wordt geregeld in de Algemene Bankvoorwaarden. Artikel 30 van
die voorwaarden bepaalt, dat beide partijen het recht hebben de relatie op
te zeggen, en dat als de cliënt daarom verzoekt de bank de reden van
die opzegging dient mede te delen. Op basis van een vordering tot verstrekking
van gegevens raakt de bank bekend met het feit dat er jegens een cliënt
een opsporingsonderzoek loopt. Dit kan voor de bank aanleiding zijn om de
cliënt als een verhoogd risico aan te merken en de relatie met de cliënt
te willen beëindigen. Volgens de Algemene Bankvoorwaarden dient de bank
dan in staat te zijn de reden van die opzegging te geven. Als die reden is
gelegen in het opsporingsonderzoek, dan mag die reden op grond van art. 126bb
niet worden gegeven. De officier van justitie kan de bank formeel niet dwingen
om een relatie voort te zetten. Feitelijk kan hij de bank echter wel in die
positie brengen, door de bank geen toestemming te verlenen om de reden voor
de opzegging mede te delen. Welke is de visie van de minister hierover?
Op grond van een aanwijzing van de Nederlandsche Bank zijn de banken op
dit moment bezig met de implementatie van beleid rond Customer Due Diligence,
zo vervolgden deze leden. Dit beleid moet gericht zijn op de beperking van
(strafrechtelijke en reputationele) risico's die kunnen voortvloeien uit de
relatie met bepaalde cliënten. Een en ander moet uiteindelijk bijdragen
tot een bescherming van de integriteit van de financiële sector. De geheimhoudingsplicht
uit artikel 126bb zal in een aantal gevallen inhouden dat banken niet adequaat
kunnen optreden tegen cliënten die strafrechtelijke en reputationele
risico's met zich brengen. Opsporingsonderzoeken duren soms jaren. De officier
van justitie zal waarschijnlijk veelal het belang van de opsporing laten prevaleren
en geen toestemming geven om de cliënt te informeren. Zou het in het
licht van het beleid van de banken rond Customer Due Diligence geen aanbeveling
verdienen om in de wet een begrenzing van de periode van geheimhouding op
te nemen?
De voorzitter van de commissie,
Van de Beeten
De griffier van de commissie,
Eliane Janssen
XNoot
1De eerder verschenen stukken inzake dit wetsvoorstel zijn gedrukt onder
EK nrs. 83 t/m 83b, vergaderjaar 2002–2003.
XNoot
2Samenstelling: Holdijk (SGP), Wagemakers (CDA), Rosenthal (VVD), Kohnstamm
(D66), Witteveen (PvdA), De Wolff (GL), Van de Beeten (CDA), (voorzitter),
Broekers-Knol (VVD), Kox (SP), Soutendijk-v. Appeldoorn (CDA), Westerveld
(PvdA).